Samenvatting colleges modellen en strategieën week 1-5
Equifinaliteit= verschillende ontwikkelingspaden kunnen tot
dezelfde uitkomst leiden
Multifinaliteit= een bepaald risicofactor kan tot verschillende
ontwikkelingsuitkomsten leiden
1. Theorie= verklaring.
Het beschrijft waarom en hoe bepaalde psychologische processen of gedragingen
plaatsvinden. Theorieën zijn gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en proberen
onderliggende mechanismen te verklaren.
Een theorie verklaart waarom iets gebeurt.
2. Model= hulpmiddel/representatie.
Het vereenvoudigt complexe processen om beter te begrijpen wat er gebeurt en hoe
de onderdelen met elkaar samenhangen. Modellen zijn vaak visueel (zoals
diagrammen/schema’s) en helpen bij het structureren van informatie.
Een model laat zien hoe iets werkt of in elkaar zit
Ze vullen elkaar vaak aan: een model kan gebaseerd zijn op een theorie, en een theorie
kan verduidelijkt worden door een model.
Besliskunde en bias
1. Anchoring/ primacy effect
= je oordeel wordt sterk beïnvloed door de informatie die je het eerst kreeg
VB: intakevragenlijst wijst op concentratieproblemen, dan zijn er vast
aandachtsproblemen en waarschijnlijk ADHD
2. Excessive data
= het verzamelen van veel meer – en vaak overbodige – gegevens dan nodig is
VB: meerdere vragenlijsten standaard afnemen of testen zonder hypothese (=
schieten met hagel)
3. Bevestiging bias
= je zoekt naar informatie die je eigen veronderstelling ondersteunt
VB: Je vermoedt dat ouders te weinig consistent zijn in hun opvoeding en je
verzamelt alleen maar voorbeelden die dat bevestigen, je vermoedt ADHD dus zie je
druk gedrag en ziet de trauma kenmerken niet
4. Affect bias
= je oordeel wordt sterk beïnvloed door je eigen opvattingen, gevoelens, wereldbeeld,
culturele visie
Je bent zelf ook de oudste thuis en je weet hoe het is. Je kent de Turkse cultuur van
binnenuit en dat kleurt je blik. Je vindt dat kinderen tegenwoordig veel te snel labels
krijgen.
5. Cirkelredeneringen
= je maakt logische denkfouten of argumentatiefouten
Je bevestigt je hypothesen met informatie die je al had. Je verwart classificatie
(ADHD) met diagnose (geheel beeld van verklarende en in standhoudende factoren)
Je verwart oorzaak en gevolg
6. Beschikbaarheids bias
= Je redeneert op basis van informatie die je recent hebt gelezen of waarover je het
meest beschikt
Je hebt net een cursus gevolgd over hoogbegaafdheid en daar zie je nu voortdurend
aanwijzingen voor. Je hebt twee neefjes met autisme en dus zie je vooral kenmerken
van autisme.
,Iatrogene schade = onbedoelde negatieve effecten of schade aan de ontwikkeling, het
welzijn of de situatie van een kind/cliënt
Classificatie= een naam voor een groep klachten die vaak samen voorkomen
(=groepsnaam)
Geen verklaring voor gedrag
“Je bent druk omdat je ADHD hebt” =❌, want ADHD = naam voor druk gedrag +
andere symptomen
Stap 1: Gedrag
Kind is druk
Kind kan zich slecht concentreren
Stap 2: Classificatie
We noemen dit samen: ADHD
Dus: ADHD = label voor het gedrag
Niet de oorzaak, het kunnen omgevingsfactoren zijn of genetische aanleg
Voordelen classificatie (label)
• Maakt wetenschappelijk onderzoek/ communicatie tussen professionals mogelijk
• Geeft herkenning (je bent niet de enige)
• Geeft klachten een naam: je kan het vertellen aan anderen
• Maakt aansluiting bij een groep mogelijk (vereniging, boeken/sites)
• Geeft soms toegang tot bepaalde zorg
Nadelen classificatie:
• Kan iatrogene schade veroorzaken
• Stigma
• Moeilijk te veranderen
• Groepsbeeld is niet altijd herkenbaar
• Sluit soms toegang tot bepaalde zorg/ mogelijkheden
Diagnose= een uitgebreide analyse van één persoon
Bevat: klachten, triggers, in standhoudende factoren, verklarende factoren, mogelijke
oorzaken
• Is persoonlijk (er zijn geen 2 mensen met dezelfde diagnose)
2 kinderen met ADHD:
Classificatie (bij beide hetzelfde): ADHD
Diagnose (verschillend):
Kind 1:
- Oorzaak: genetisch
- Omgeving: druk gezin
- Probleem: impulsiviteit
Kind 2:
- Oorzaak: stress + schoolproblemen
- Omgeving: weinig structuur
- Probleem: concentratie
Zelfde label, maar heel andere diagnose
Èèn hypothese= niet voldoende
Dan ga je alleen zoeken naar bewijs dat die klopt
En negeer je andere verklaringen
= bias / jumping to conclusions
- Je denkt: “Dit kind heeft ADHD” Dan kijk je alleen nog naar: druk gedrag/ onrust,
maar je vergeet: stress/ slaapproblemen/ angst Gevaar: verkeerde conclusie
Alle opties = geen hypothese
, Dan ga je alles een beetje testen
Verzamel je heel veel data, maar zonder duidelijke richting
Resultaat: chaos/ geen duidelijke conclusie
Attributie = hoe je een oorzaak geeft aan gedrag of gebeurtenissen
1. Externe attributie
Je legt de oorzaak buiten jezelf
BV: “Ik ben gezakt omdat de docent slecht uitlegde”
2. Interne attributie
Je legt de oorzaak bij jezelf
BV: “Ik ben gezakt omdat ik niet goed geleerd heb”
4 soorten hulpvragen
Dit komt van: ouders / cliënt / leerkracht
1. Verhelderende vraag
Doel: probleem duidelijk maken
Vraag: “Wat is er precies aan de hand?”/ “Hoe kan ik het probleem verwoorden?”
Nog geen diagnose, gewoon begrijpen
2. Onderkennende vraag classificatie
Doel: vaststellen wat het is (label/classificatie)
Vraag: “Heeft mijn kind ADHD?” / “Is dit een depressie?”/ “Is er sprake van X”
Antwoord = classificatie
3. Verklarende vraag waarom
Doel: waarom gebeurt dit? (oorzaak)
Vraag: “Waarom plast mijn zoon in bed?”/ “Waar komt dit gedrag vandaan?”/
‘Waarom lukt het haar niet ondanks de hoge intelligentie tot zelfstandigheid te
komen’/ “hangt X samen met Y”
Antwoord = verklaring (oorzaken, factoren)
4. Indicerende vraag behandeling/ advies
Doel: wat moeten we doen? (behandeling/interventie)
Vraag: “Hoe kunnen we dit oplossen?”/ “Welke hulp is nodig?”/ “Wat doen wij
verkeerd, wat kunnen we anders doen”
Antwoord = advies / behandeling
Diagnostisch scenario = de volgorde van stappen die je doorloopt in onderzoek
- Je doet niet altijd alles
- De volgorde hangt af van de hulpvraag
- Wat betekenen die scenario’s? Het zijn eigenlijk routes die je kunt volgen
0-scenario: alleen verhelderend
- Je wil alleen: probleem duidelijk krijgen
- VB: “Wat is er precies aan de hand?”
Geen diagnose, geen behandeling alleen begrijpen
1-scenario: verhelderend indicerend
- Je wil: probleem begrijpen en meteen naar oplossing
- VB: “Hoe kunnen we dit aanpakken?”
Je slaat diagnose/verklaring over
2-scenario: verhelderend verklarend indicerend
- Je wil: begrijpen, waarom het gebeurt, dan pas behandelen
- VB: “Waarom plast mijn kind in bed en wat kunnen we doen?”
Geen classificatie nodig
3-scenario: verhelderend onderkennend verklarend indicerend
- Probleem begrijpen, classificatie, verklaring (oorzaak), behandeling
- VB: “Heeft mijn kind ADHD, waarom, en wat moeten we doen?”
Taak gedragswetenschappers