Wat is voor u belangrijk?
Een casus over klinisch redeneren, multidisciplinaire samenwerking en het spanningsveld tussen medisch
handelen en kwaliteit van leven
Naam student: Naomi den Reijer.
Studentnummer: 1053556.
Klas: IvG-25-OVK-436A.
Regiedocent: Sharon Visser.
Instellingsdocent: Marieke Ras.
Werkbegeleider(s): Romy Snijders & Maike van Vugt.
Praktijkopleider: Chantal Noordijk- Erkelens.
Toetscode: OVK4AASS01.
Stagejaar (en deel): 4.2.
Datum eindbeoordeling: 18/06/2026.
1
Naomi den Reijer, 1053556
,Kritische beroepssituatie 1
Situatie.
De zorgsituatie vond plaats tijdens een dagdienst op de chirurgische verpleegafdeling van het Ikazia
Ziekenhuis. Ik was verantwoordelijk voor de verpleegkundige zorg van mevr. De la C., een 88-jarige
vrouw opgenomen wegens ernstig perifeer vaatlijden stadium 4 met fors achteruitgaande wonden aan
het linker onderbeen. Op 12 mei onderging zij een linker onderbeenamputatie. In haar voorgeschiedenis
was mevr. bekend met atriumfibrilleren, hypertensie, ijzeranemie en een eerdere onderbeenamputatie
aan de rechterzijde. De communicatie met mevr. werd bemoeilijkt doordat zij uitsluitend Spaans sprak
en beperkt verbaal haar klachten en behoeften kon uiten (C4). Binnen het gezin waren er spanningen en
verstoorde verhoudingen tussen zoon en dochter, waardoor vooral de dochter betrokken was en
afstemming grotendeels via haar verliep. Mevr. had gedurende de dag forse pijnklachten, wat passend is
bij de vroege postoperatieve fase na een onderbeenamputatie. Na een amputatie kunnen verschillende
typen pijn ontstaan. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen stomppijn en fantoompijn. Stomppijn is
fysieke pijn in het overgebleven deel van het geamputeerde ledemaat, terwijl fantoompijn een
pijnsensatie is die wordt ervaren in het lichaamsdeel dat er niet meer is (Cleveland Clinic, 2024;
Radboudumc, z.d.; Stokosa, 2026). In de vroege postoperatieve fase is met name wond- en stomppijn
gebruikelijk, zoals ook bij mevr. het geval was. Mevr. werd hiervoor behandeld met een
esketaminepomp en orale pijnmedicatie. Door de complexiteit werd multidisciplinair afgestemd met de
chirurg, arts-assistent chirurgie, geriater, diëtist, voedingsassistente, pijnteam en collega-
verpleegkundigen (C6).
Taak.
Mijn taak was het zelfstandig uitvoeren en coördineren van de zorg voor mevr. De la C. tijdens een
dagdienst. Hierbij werd verwacht dat ik verpleegkundige problemen tijdig signaleerde, klinisch
redeneerde en prioriteiten stelde binnen een complexe situatie waarin meerdere problemen elkaar
beïnvloedden. Ik voerde verpleegtechnische handelingen uit volgens protocol, bewaakte de veiligheid
van zorg en handelde binnen mijn bevoegd- en bekwaamheidsgrenzen door waar nodig collega’s of
andere disciplines in te schakelen (C6,C13,C16). Daarnaast werkte ik persoonsgericht door de zorg af te
stemmen op mevr. haar wensen, mogelijkheden en belastbaarheid en die van haar dochter (C5). De
beroepsrollen en competenties die ik hierbij heb toegepast worden verder toegelicht in mijn kritische
beroepssituatie.
Actie.
Aan het begin van mijn dienst heb ik de mondelinge overdracht van mijn collega aangehoord. Hieruit
bleek dat mevr. in de nacht zelf haar neus-maagsonde had verwijderd, nadat die gisteren door een
collega is geplaatst. Ik kreeg overgedragen dat ik vandaag moest kijken of het ging lukken om opnieuw
een neus-maagsonde te plaatsen, gezien de verminderde orale voedingsintake van mevr. Dit was van
belang om haar voedingsstatus te ondersteunen en haar herstel na de recente grote operatie te
bevorderen. Daarnaast werd benoemd dat mevr. die ochtend een hoge, irregulaire hartfrequentie had,
waarvoor reeds metoprolol was toegediend. Na het verzamelen van deze informatie heb ik voor mezelf
een overzichtelijke planning gemaakt, waarbij ik prioriteiten stelde in de zorg (C12). Omdat ik wilde
evalueren of de toegediende metoprolol effect had gehad, heb ik voor het delen van de medicatie eerst
opnieuw de hartfrequentie van mevr. overgemeten (C1). Dit was ongeveer een half uur na toediening
van de medicatie. De hartfrequentie was genormaliseerd naar 92/min regulair. Vervolgens ben ik gestart
met het delen van de medicatie. Hierbij heb ik gewerkt volgens de vijf J’s van medicatieveiligheid: de
juiste patiënt, juiste medicatie, juiste dosering, juiste tijd en juiste toedieningsweg (Adhoc zorgt, 2022)
(C13). Ik heb de medicatie oraal bij mevr. toegediend, omdat er in de naslag van de chirurg en de diëtist
stond beschreven dat medicatie oraal mocht worden toegediend (C13). Na de medicatieronde ben ik
samen met een collega gestart met de ADL-zorg op bed. Tijdens deze zorg heb ik bewust gestuurd op het
behouden van de zelfredzaamheid van mevr. door haar zelf haar gezicht en bovenlichaam te laten
wassen met aangereikte washandjes (C5). Ik vind het belangrijk om haar eigen regie te behouden en
verdere achteruitgang in zelfstandigheid te voorkomen (C16). Het stimuleren van zelfredzaamheid draagt
bij aan behoud van autonomie, kwaliteit van leven en ADL-functioneren (Bolscher-Niehuis et al., 2016).
Daarnaast blijkt dat vroeg stimuleren van ADL in het ziekenhuis leidt tot minder functieverlies en beter
2
Naomi den Reijer, 1053556
, Kritische beroepssituatie 1
herstel van dagelijkse vaardigheden (Van Dijk et al., 2020). Tijdens de ADL-zorg viel mij op dat mevr.
pijnsignalen liet zien. Door de aanwezige taalbarrière was verbale communicatie beperkt en verliep het
contact grotendeels via Google Translate (C4). Om de pijn toch objectief te beoordelen heb ik
gebruikgemaakt van de REPOS-score (C3). Hierbij observeerde ik onder andere kreunen, fronsen en het
herhaaldelijk grijpen naar haar stomp. Op basis van deze observaties concludeerde ik dat sprake was van
acute pijn. Vervolgens heb ik conform voorschrift een extra OxyNorm aangereikt en dit via Google
Translate aan mevr. uitgelegd (C1,C4). Gedurende de ADL-zorg probeerde ik daarnaast ook emotioneel
contact te maken met mevr. Gezien haar recente beenamputatie kon ik mij voorstellen dat deze
ingrijpende gebeurtenis een grote psychosociale impact op haar had. Om de gevolgen van een
onderbeenamputatie beter te indiceren, heb ik een literatuuronderzoek gedaan om de impact op de
mens beter in kaart te brengen (C3)(zie bewijslast C3). Tijdens de zorg observeerde ik meerdere signalen
die passen bij deze psychosociale impact. Zo bleef mevr. veel in bed liggen, toonde zij weinig initiatief en
trok zij herhaaldelijk de dekens over haar benen, wat kan duiden op schaamte en moeite met acceptatie
van haar veranderde lichaamsbeeld. Tegelijkertijd merkte ik dat mevr. weinig behoefte had om hierover
te praten. Zij maakte beperkt oogcontact, trok zich terug en gaf non-verbaal aan het onderwerp te
vermijden. Ik heb hierin haar tempo en grenzen gevolgd en haar ruimte gegeven om zelf te bepalen of en
wanneer zij hierover in gesprek wilde gaan. Tijdens het doornemen van het dossier viel mij op dat de
latex verblijfskatheter al zeven dagen aanwezig was. Vanuit mijn kennis wist ik dat een latex katheter
slechts kortdurend gebruikt (maximaal 7 dagen) dient te worden vanwege het verhoogde risico op
irritatie en infecties (Slingeland, 2021). Daarom heb ik besloten de katheter direct te vervangen door een
siliconen katheter, omdat deze langer kan blijven zitten en minder irritatie veroorzaakt (C1). Het
inbrengen van de nieuwe katheter heb ik uitgevoerd volgens protocol en vervolgens correct
geregistreerd in het EPD (C13). Na het plaatsen van de katheter heb ik mevr. gestimuleerd om uit bed te
komen. Dit deed ik om complicaties zoals decubitus, contracturen en conditieverlies te voorkomen
(C1,10). Samen met een collega heb ik de transfer veilig uitgevoerd met behulp van een draaischijf,
waarbij ergonomie centraal stond (C6,C11). Eenmaal in de stoel heb ik mevr. gestimuleerd om te eten en
drinken. Mevr. gaf aan geen eetlust te hebben. Gezien haar recente voorgeschiedenis met verminderde
intake en de eerdere plaatsing van een neus-maagsonde vond ik het belangrijk haar voedingstoestand te
monitoren (C10). Ik heb verschillende opties aangeboden, waarna mevr. koos voor een boterham met
boter. Deze heb ik voor haar klaargemaakt. Tijdens het eten ben ik bij mevr. gebleven om nabijheid te
tonen (C5). Uiteindelijk at mevr. de volledige boterham op. Dit heb ik geregistreerd in de
voedingsscorelijst. Vlak daarna mocht ik visite lopen met de chirurgen. (C6). Tijdens deze visite bracht ik
mijn klinische observaties in. Ik benoemde dat de eerdere tachycardie inmiddels genormaliseerd was
naar een hartfrequentie van 92/min regulair. De chirurg gaf aan dit te blijven monitoren en bij herhaling
eventueel de cardioloog in consult te vragen. Daarnaast gaf ik aan dat het Hb van mevr. gisteren 5,3
mmol/L was zonder dat hier actie op was ondernomen. Naar aanleiding hiervan werd besloten het Hb
opnieuw te bepalen (C1). Ook besprak ik dat ik het, gezien de verbeterde orale intake en de duidelijke
wens van mevr., niet passend vond om opnieuw een neus-maagsonde te plaatsen (C11). In mijn klinische
redenering nam ik mevr. haar autonomie en wilsbekwaamheid mee. De chirurgen stemden hiermee in
en besloten de orale intake verder te stimuleren. Indien de orale intake toch onvoldoende zou blijken,
moest herplaatsing van de neus-maagsonde opnieuw overwogen worden. Verder besprak ik tijdens de
visite de vochtbalans van mevr. Uit meerdere dagen registratie bleek dat zij structureel positief in
vochtbalans zat met ongeveer +700ml per dag, terwijl zij nog steeds 1L NaCl iv kreeg toegediend. Gezien
haar cardiale voorgeschiedenis maakte ik mij zorgen over mogelijke overvulling (C10). Daarom stelde ik
voor het NaCl-infuus te stoppen en de urineproductie nauwkeurig te monitoren met een streefdiurese
(C11). De chirurg ging hiermee akkoord en er werd een streefdiurese afgesproken van minimaal 30cc per
uur. Deze afspraken heb ik vervolgens vastgelegd in de naslag (C13). Ik heb mijn collega gedelegeerd om
lab hb bij mevr. af te nemen, zodat ik de diëtist en geriater kon bellen (C11,C12). Ik heb telefonisch
overleg gehad met de diëtist en geriater over het beleid rondom de neus-maagsonde (C6). Beiden gaven
aan dat herplaatsing op dat moment niet noodzakelijk was, mits de orale intake goed gemonitord bleef.
Om de voedingsintake van mevr. te stimuleren heb ik als verpleegkundige interventie ingezet dat er eten
van thuis werd meegenomen (C1). Ik heb hiervoor contact opgenomen met de dochter met de vraag of
zij eten van thuis kon meenemen. De dochter gaf aan later die ochtend langs te komen met eten (C5).
3
Naomi den Reijer, 1053556