Bedrijfseconomie
Aantekeningen uit de les: Hoofdstuk 4
16-04-2014
Rentabiliteit
Solvabiliteit kengetallen
Liquiditeit
Rentabiliteit: de ontvangen vergoeding (winst of verlies)
Gemiddeld geïnvesteerd vermogen x 100%
Rentabiliteit totaal vermogen (RTV): Ebit
Gemiddeld totaal vermogen x 100%
Voorbeeld: blz. 191/192. RTV = 360.000
2.950.000 x 100% = 12,2%
Rentabiliteit eigen vermogen (REV): winst voor/na belasting
Gemiddeld eigen vermogen x 100%
Rentabiliteit vreemd vermogen (RVV, KVV): interest
Gemiddeld vreemd vermogen x 100%
23-04-2014
Liquiditeit: geldstromen die bestaan uit inkomsten en uitgaven.
Dynamische liquiditeit: je kijkt naar wat er binnen komt, en wat er uit gaan in een toekomstige
periode vaak lastig.
Statische liquiditeit: men kijkt naar de balans naar vorige inkomsten en uitgaven.
Een bedrijf is liquide als het tijdig aan alle betalingsverplichtingen kan voldoen.
Het beoordelen van de (statische liquiditeit) kan door middel van: current ratio & quick ratio.
Current ratio: vlottende activa inclusief liquide middelen
Vreemd vermogen kort
Is deze > 1,5 dan is het bedrijf liquide.
Quick ratio: vlottende activa – voorraden inclusief liquide middelen
Vreemd vermogen kort
Deze moet het liefst boven de 1 liggen.
Solvabiliteit: een bedrijf is solvabel als het bij opheffing alle schulden kunnen worden afgelost.
Debt ratio: Vreemd vermogen
totaal vermogen = bijv. 0,43 samen altijd 100.
Solvabiliteitspercentage: eigen vermogen
Totaal vermogen x 100%
,Hoofdstuk 5
14-05-2014
Kosten:
Vaste kosten: constante kosten
Variabele kosten: proportioneel , progressief, degressief
BEO: break even omzet
BEA: break even afzet BEP: break even point.
BEP: totale opbrengsten is gelijk aan de totale kosten.
De kostprijs van een product of dienst is een gemiddelde prijs waarvoor het product in de toekomst
gemaakt kan worden.
BEA: constante kosten
Verkoopprijs – variabele kosten per stuk
BEO: BEA x verkoopprijs
21-05-2014
Directe kosten: kosten die direct met het product of dienst te maken hebben
Indirecte kosten: hebben niet direct met het product of dienst te maken
Voorbeeld van de kast:
Directe kosten: materiaal: hout €800
Loon: timmerman €320
Overig: shroeven enz. €100
€1220
Totaal direct €250.000
200.000 x 100%
Opslagpercentage: totaal indirecte kosten
Totaal directe kosten x 100%
Opslag ivm indirecte kosten: 1220 x 1,8 = €2196
De kostprijs €2196
Winstopslag 20% €440
Verkoopprijs excl BTW: €2636,-
28-05-2014
Methode van verbijzondering van de indirecte kosten:
Eenvoudige of enkelvoudige opslagmethode
Meervoudige of verfijnde opslagmethode
Primitieve opslagmethode oefening Z5.9
, Hoofdstuk 4
De vraag om financiële informatie kan afkomstig zijn van bestuurders en managers. Zij gebruiken
deze informatie bij het nemen van beslissingen. Zo willen ze voordat ze een beslissing nemen, weten
wat de financiële gevolgen kunnen zijn van bepaalde besluiten. Ook bijv. de verschaffers van vreemd
vermogen zijn geïnteresseerd in de gegevens. Op basis hiervan kan het bepalen of de onderneming
zijn rente en aflossingsverplichtingen kan voldoen.
4.3 Rentabiliteit
De volgorde die we bij het bereken van de financiële resultaten van een onderneming aanhouden is
niet toevallig. In eerste instantie gaan we alle opbrengsten met de kosten in mindering, die direct of
indirect te maken hebben met het primaire proces. Het verschil tussen de omzet en alle kosten
noemen we ebit.
Hoe wordt het ebit verdeeld? 1. Verschaffers van het vreemd vermogen 2. De overheid (belasting)
3. de verschaffers van het eigen vermogen.
Formule zie aantekeningen bovenaan. Door vreemd vermogen aan te trekken kan de REV stijgen.
Bij de rentabiliteit berekenen van de ondernemingen maken we onderscheid in het totale vermogen
(RTV), gemiddelde kosten van het vreemd vermogen (KVV, RVV), rentabiliteit (RTV).
De hoogte van de rentabiliteit van het eigen vermogen is afhankelijk van de volgende factoren:
De rentabiliteit van het totale vermogen (RTV)
De gemiddelde kosten van het vreemd vermogen (KVV)
De verhouding vreemd/eigen vermogen (VV/EV)
De belastingquote
Is de RTV > KVV dan spreken we van een positieve hefboomwerking: de onderneming verdient aan
iedere euro vreemd vermogen. Voor de verschaffers van het vv is het van belang dat de RTV > KVV.
Voor de verschaffers van het eigen vermogen is de hoogte van RTV en KVV van belang omdat beide
factoren mede de REV bepalen.
De mate waarin hefboomwerking van de vermogensstructuur optreedt hangt af van de verhouding
tussen het vreemd vermogen en het eigen vermogen. Er is een sterke hefboomwerking als de
onderneming: veel vreemd vermogen is aangetrokken ten opzichte van het eigen vermogen; de
hefboomfactoren is hoog. En het verschil tussen RTV en KVV groot is.
Als RTV < KVV is er sprake van een negatieve hefboomwerking: er wordt verlies geleden over iedere
euro vreemd vermogen.
Een onderneming die op lange termijn wil blijven voortbestaan, zal ervoor moeten zorgen dat haar
ebit een zodanige omvang heeft dat het toereikend is om:
Aan de verschaffers van het vreemd vermogen de vereiste interest te betalen
De verschuldigde belastingen te betalen
De verschaffers van het eigen vermogen de vereiste vergoeding te betalen.
Vreemd vermogen kunnen we verdelen in rentedragend en niet rentedragend vreemd vermogen. De
KVV is het gemiddelde interestpercentage dat over het vreemd vermogen moet worden betaald.
Interestkosten rentedragend vreemd vermogen: interestkosten
Gemiddeld rentedragend vreemd vermogen x 100%
Bij rechtsvormen die geen rechtspersoon zijn, zoals eenmanszaak en vof kan de REV relatief hoog
uitvallen.
Aantekeningen uit de les: Hoofdstuk 4
16-04-2014
Rentabiliteit
Solvabiliteit kengetallen
Liquiditeit
Rentabiliteit: de ontvangen vergoeding (winst of verlies)
Gemiddeld geïnvesteerd vermogen x 100%
Rentabiliteit totaal vermogen (RTV): Ebit
Gemiddeld totaal vermogen x 100%
Voorbeeld: blz. 191/192. RTV = 360.000
2.950.000 x 100% = 12,2%
Rentabiliteit eigen vermogen (REV): winst voor/na belasting
Gemiddeld eigen vermogen x 100%
Rentabiliteit vreemd vermogen (RVV, KVV): interest
Gemiddeld vreemd vermogen x 100%
23-04-2014
Liquiditeit: geldstromen die bestaan uit inkomsten en uitgaven.
Dynamische liquiditeit: je kijkt naar wat er binnen komt, en wat er uit gaan in een toekomstige
periode vaak lastig.
Statische liquiditeit: men kijkt naar de balans naar vorige inkomsten en uitgaven.
Een bedrijf is liquide als het tijdig aan alle betalingsverplichtingen kan voldoen.
Het beoordelen van de (statische liquiditeit) kan door middel van: current ratio & quick ratio.
Current ratio: vlottende activa inclusief liquide middelen
Vreemd vermogen kort
Is deze > 1,5 dan is het bedrijf liquide.
Quick ratio: vlottende activa – voorraden inclusief liquide middelen
Vreemd vermogen kort
Deze moet het liefst boven de 1 liggen.
Solvabiliteit: een bedrijf is solvabel als het bij opheffing alle schulden kunnen worden afgelost.
Debt ratio: Vreemd vermogen
totaal vermogen = bijv. 0,43 samen altijd 100.
Solvabiliteitspercentage: eigen vermogen
Totaal vermogen x 100%
,Hoofdstuk 5
14-05-2014
Kosten:
Vaste kosten: constante kosten
Variabele kosten: proportioneel , progressief, degressief
BEO: break even omzet
BEA: break even afzet BEP: break even point.
BEP: totale opbrengsten is gelijk aan de totale kosten.
De kostprijs van een product of dienst is een gemiddelde prijs waarvoor het product in de toekomst
gemaakt kan worden.
BEA: constante kosten
Verkoopprijs – variabele kosten per stuk
BEO: BEA x verkoopprijs
21-05-2014
Directe kosten: kosten die direct met het product of dienst te maken hebben
Indirecte kosten: hebben niet direct met het product of dienst te maken
Voorbeeld van de kast:
Directe kosten: materiaal: hout €800
Loon: timmerman €320
Overig: shroeven enz. €100
€1220
Totaal direct €250.000
200.000 x 100%
Opslagpercentage: totaal indirecte kosten
Totaal directe kosten x 100%
Opslag ivm indirecte kosten: 1220 x 1,8 = €2196
De kostprijs €2196
Winstopslag 20% €440
Verkoopprijs excl BTW: €2636,-
28-05-2014
Methode van verbijzondering van de indirecte kosten:
Eenvoudige of enkelvoudige opslagmethode
Meervoudige of verfijnde opslagmethode
Primitieve opslagmethode oefening Z5.9
, Hoofdstuk 4
De vraag om financiële informatie kan afkomstig zijn van bestuurders en managers. Zij gebruiken
deze informatie bij het nemen van beslissingen. Zo willen ze voordat ze een beslissing nemen, weten
wat de financiële gevolgen kunnen zijn van bepaalde besluiten. Ook bijv. de verschaffers van vreemd
vermogen zijn geïnteresseerd in de gegevens. Op basis hiervan kan het bepalen of de onderneming
zijn rente en aflossingsverplichtingen kan voldoen.
4.3 Rentabiliteit
De volgorde die we bij het bereken van de financiële resultaten van een onderneming aanhouden is
niet toevallig. In eerste instantie gaan we alle opbrengsten met de kosten in mindering, die direct of
indirect te maken hebben met het primaire proces. Het verschil tussen de omzet en alle kosten
noemen we ebit.
Hoe wordt het ebit verdeeld? 1. Verschaffers van het vreemd vermogen 2. De overheid (belasting)
3. de verschaffers van het eigen vermogen.
Formule zie aantekeningen bovenaan. Door vreemd vermogen aan te trekken kan de REV stijgen.
Bij de rentabiliteit berekenen van de ondernemingen maken we onderscheid in het totale vermogen
(RTV), gemiddelde kosten van het vreemd vermogen (KVV, RVV), rentabiliteit (RTV).
De hoogte van de rentabiliteit van het eigen vermogen is afhankelijk van de volgende factoren:
De rentabiliteit van het totale vermogen (RTV)
De gemiddelde kosten van het vreemd vermogen (KVV)
De verhouding vreemd/eigen vermogen (VV/EV)
De belastingquote
Is de RTV > KVV dan spreken we van een positieve hefboomwerking: de onderneming verdient aan
iedere euro vreemd vermogen. Voor de verschaffers van het vv is het van belang dat de RTV > KVV.
Voor de verschaffers van het eigen vermogen is de hoogte van RTV en KVV van belang omdat beide
factoren mede de REV bepalen.
De mate waarin hefboomwerking van de vermogensstructuur optreedt hangt af van de verhouding
tussen het vreemd vermogen en het eigen vermogen. Er is een sterke hefboomwerking als de
onderneming: veel vreemd vermogen is aangetrokken ten opzichte van het eigen vermogen; de
hefboomfactoren is hoog. En het verschil tussen RTV en KVV groot is.
Als RTV < KVV is er sprake van een negatieve hefboomwerking: er wordt verlies geleden over iedere
euro vreemd vermogen.
Een onderneming die op lange termijn wil blijven voortbestaan, zal ervoor moeten zorgen dat haar
ebit een zodanige omvang heeft dat het toereikend is om:
Aan de verschaffers van het vreemd vermogen de vereiste interest te betalen
De verschuldigde belastingen te betalen
De verschaffers van het eigen vermogen de vereiste vergoeding te betalen.
Vreemd vermogen kunnen we verdelen in rentedragend en niet rentedragend vreemd vermogen. De
KVV is het gemiddelde interestpercentage dat over het vreemd vermogen moet worden betaald.
Interestkosten rentedragend vreemd vermogen: interestkosten
Gemiddeld rentedragend vreemd vermogen x 100%
Bij rechtsvormen die geen rechtspersoon zijn, zoals eenmanszaak en vof kan de REV relatief hoog
uitvallen.