Industriële revolutie = er kwam techniek en mechanisering in de industrie (er werd steeds meer
met fabrieken gewerkt). Dit omdat er sociale ongelijkheid was: uitbuiting, lage lonen, lange dagen
en kinderarbeid.
Franse revolutie —> politieke gelijkheid.
9.2 Sociale ongelijkheid
Industriële revolutie —> Standenmaatschappij werd klassenmaatschappij
Verschillen
—> Aangeboren: geslacht, huidskleur, handicap
—> Aangeleerd: werk, opleiding
Ongelijke:
- Waardering
- Beloning
- Behandeling
- Verdeling:
- macht
- status
- bezit
- kennis
- inkomen
- vermogen
Sociale stratificatie = opdelen in lagen
Sociale positie = plaats in samenleving in verhouding met andere
Sociale mobiliteit = stijgen of dalen
9.3 Theorie en ideologie
Sociale verschillen en sociale ongelijkheid —> conflicten
Theorie Karl Marx: Sociale ongelijkheid staat centraal
Niet bezitters van kapitaal <—> bezitters van kapitaal (geld, arbeid, vermogen, grond) oorzaak van
conflicten.
Theorie Samuel Huntington: Sociale en culturele verschillen staan centraal
Sociale verschillen en culturele verschillen ——> maatschappelijke conflicten.
Ideologieën:
Socialisme Confessionalisme Liberalisme
Overheid moet zorgen Overheid moet met Overheid moet weinig doen
voor meer gelijkheid maatschappelijke-middenveld mensen moeten zelf de
zorgen dat mensen zelf verantwoordelijkheid nemen
verantwoordelijkheid nemen. Inkomensverschillen zijn prima.
9.4 Institutionalisering
= proces van het vastleggen van standaardgedragspatronen.
Uitbuiting/sociale ongelijkheid —> Onrust (stakingen) —> situatie verbeteren —> verzorgingsstaat
-> stabiliteit, economische groei,
sociale onrust
Sociale wetgeving bijvoorbeeld ongevallen wet (verzekering) kinderwetje van van Houten.
—> welzijn, koopkracht, onderwijsniveau —> Open samenleving
Waarde (solidariteit):
- vakbond
- wetgeving: belasting betalen
—> uitkering —> instituties met vaste protocollen (institutionalisering)