HOORCOLLEGE 1
1. Onderkenning
❖ Beschrijving van wat er aan de hand is. Je inventariseert:
o Klachten en problemen
o Krachten en gunstige omstandigheden
❖ Ordening en categorisering in disfunctionele gedragsclusters of stoornissen
❖ Inschatting van de ernst van het probleemgedrag.
Bij onderkenning gebruik je meestal classificatie en (beschrijvende) diagnose.
Bij classificatie: Bij diagnose:
❖ Beschrijven van symptomen en ❖ Beschrijf je symptomen op basis
clustert in termen van syndromen van individuele kenmerken
volgens indeling van iCD-10 of (persoonskenmerken)
DSM ❖ Theorie over het probleem:
❖ Niet theorie gebonden. Gebaseerd onderkennen en verklaren
op klinische praktijk ❖ Wat is er aan de hand? Waarom
❖ Doet geen uitspraak over nu deze klachten? Hoe ontstaan?
mogelijke oorzaak (puur label) Waardoor in stand gehouden?
Daarbij heb je ook:
Categorale modellen: Dimensionale modellen:
- Indeling in categorie: het is of je - Individuele verschillen in mate
hebt de stoornis of niet. Ja of nee. van bepaalde trekken: van
Zoals de DSM en classificatie: aanwezig tot niet aanwezig op
een spectrum zoals bij diagnose:
In de psychodiagnostiek hebben we geen harde cut-off score. We weten niet zo goed
wanneer we HARD kunnen zeggen hij/zij heeft stoornis. Daarom is het belangrijk om deze
twee modellen naast elkaar te gebruiken.
Voorbeeld:
Iemand meld zich aan met angst klachten en krijgt classificatie sociale angst stoornis.
Dit verteld eigenlijk nog niks over de patiënt. Terwijl bij uit schrijven van persoon en
klachten weet je veel meer over client en heb je veel meer aangrijppunten voor de
therapie. Zonder diagnose kan je amper een therapie opstellen voor een persoon.
2. Verklaring
Wat is de oorzaak van het probleem en wat houdt het in stand of doet het zelf
toenemen. Je hebt kennis nodig van:
- Beloop van stoornis
- In standhoudende factoren.
In GGZ worden de Onderkenning-vragen en indicatie-vragen vaak wel gesteld en
onderzocht maar de verklaring vaak wordt overgeslagen wegens tijdsgebrek en puur voor
behandeling zou je nog niet de verklarende factoren hoeven te weten.
Verklaring is wel moeilijk uit te zoeken want je moet het doen op basis wat de
client verteld en echte causale verbanden zijn moeilijk aan te wijzen. Correlatie hoeft
geen causaliteit te zijn.
,3. Predictie – Prognose
Hoe zal het probleem gaan ontwikkeling. Kennis van:
- Beloop en predictor.
Denk aan: kans op suïcide, agressieve recidive en terugval.
4. Indicatie
Welke behandeling komt het meest in aanmerking. Je moet kennis hebben van
- Effectieve behandeling
Je gebruikt de GGZ richtlijnen en evidence-based behandelingen bepaald door groep
experts voor iedere stoornis.
De GGZ richtlijnen zijn niet altijd even up to date.
Hoe bepaal je indicatie:
Bedenk goed wie je voor je hebt:
- Is dit eerste contact met GGZ of niet: Als het bijvoorbeeld niet de eerste keer is,
waar ligt het aan dat hij/zij terug is gekomen?
- Heeft persoon genoeg draagkracht, of misschien niet de cognitieve capaciteiten?
- Is de persoon meer rationeel of emotioneel ingesteld. En waar heeft de client zelf
behoefte aan? Ga in overleg met client.
Hoeveel details moet je weten voor indicatie:
Voorbeeld:
Als persoon is verkracht en in de indicatie na intake nog steeds het niet wil hebben over
het incident, ga je de client dan forceren om erover te praten? Is het verleden relevant
om in deze fase tot in de detail uit te vragen? Zal de behandeling voor deze patiënt
anders zijn? Moet je in samenspraak met client bepalen
5. Evaluatie
In hoeverre werkt de behandeling. Indien geen succes hoe komt dat?
Bekijk ook kritisch of behandeling juist is uitgevoerd:
- Eerste keus interventies worden nog weinig uitgevoerd: slechts 35-45%
- CGT’ers voeren niet altijd correcte/adequate CGT uit.
Dus evidence-based werken:
Valkuilen van een diagnosticus
- Bevestiging voor hypotheses zoeken en dis-confirmerende informatie te
veronachtzamen
- Relaties tussen problemen te overschatten
- Over-diagnostiek
o Wees niet te nieuwsgierig en blijf bij je hypothese
- Hypes volgen.
, Biases:
- Eerste indruk heuristiek: hoe iemand over komt op het eerste gezicht is hoe hij is.
- Halo effect: een eigenschap krijgt veel nadruk en de persoon wordt in zijn geheel
beoordeeld op basis van die indruk.
- Logica fout:
- Bevestiging van hypotheses.
Onderzoeksopzet:
- Hoe stel je goede onderzoeksvragen:
o Wees specifiek: dus niet als onderkenning: “wat is er aan de hand?”, maar
“is er spraken van een angststoornis?”.
- Hoe formuleer je hypotheses?
o Hypothese moet toetsbaar zijn
- Kies de juiste tools bij de juiste vraag.
Hoe selecteer je test:
- COTAN criteria:
o Kijkt naar validiteit en betrouwbaarheid
o Interne validiteit is vaak onvoldoende in tests. Heel ingewikkeld om dit
aan te kunnen tonen. Daarom kritisch blijven met wat je precies kan met
de tests
- Wat is de doel van je vraag
o Eerste diagnose of uitgebreid vervolg psychologisch onderzoek
- Wie is de patient:
o Bijv bij patiënt met ADHD ga je niet heel lang testbatterij afnemen
o Patiënten met hoge lijden druk of lage cognitieve capaciteiten
Diagnostische testwaardes:
We gebruiken deze waardes om te kunnen stellen wanneer een test klinisch relevant is
om te gebruiken. (als de test bijvoorbeeld goed onderscheid kan maken tussen personen
die niet de stoornis hebben en wel de stoornis hebben)
- Sensitiviteit: percentage
terecht positieve uitslagen
onder zieke personen.
Sensitiviteit= A/(A+C)
- Specificiteit: percentage
terecht negatieve uitslagen
onder niet-zieke personen.
Specificiteit= D/(B+D)
Theorema van Bayes:
Voorbeeld
Is Tom een wiskunde of psychologie student?
Je zou kunnen denken Tom is een man plus heeft een bril. 90% van wiskunde studenten
zijn mannelijk en 50% draagt een bril. Bij psychologie is dit maar 20% man en 25% bril.
Dus de kans is groter dat Tom een wiskunde student is.
1. Onderkenning
❖ Beschrijving van wat er aan de hand is. Je inventariseert:
o Klachten en problemen
o Krachten en gunstige omstandigheden
❖ Ordening en categorisering in disfunctionele gedragsclusters of stoornissen
❖ Inschatting van de ernst van het probleemgedrag.
Bij onderkenning gebruik je meestal classificatie en (beschrijvende) diagnose.
Bij classificatie: Bij diagnose:
❖ Beschrijven van symptomen en ❖ Beschrijf je symptomen op basis
clustert in termen van syndromen van individuele kenmerken
volgens indeling van iCD-10 of (persoonskenmerken)
DSM ❖ Theorie over het probleem:
❖ Niet theorie gebonden. Gebaseerd onderkennen en verklaren
op klinische praktijk ❖ Wat is er aan de hand? Waarom
❖ Doet geen uitspraak over nu deze klachten? Hoe ontstaan?
mogelijke oorzaak (puur label) Waardoor in stand gehouden?
Daarbij heb je ook:
Categorale modellen: Dimensionale modellen:
- Indeling in categorie: het is of je - Individuele verschillen in mate
hebt de stoornis of niet. Ja of nee. van bepaalde trekken: van
Zoals de DSM en classificatie: aanwezig tot niet aanwezig op
een spectrum zoals bij diagnose:
In de psychodiagnostiek hebben we geen harde cut-off score. We weten niet zo goed
wanneer we HARD kunnen zeggen hij/zij heeft stoornis. Daarom is het belangrijk om deze
twee modellen naast elkaar te gebruiken.
Voorbeeld:
Iemand meld zich aan met angst klachten en krijgt classificatie sociale angst stoornis.
Dit verteld eigenlijk nog niks over de patiënt. Terwijl bij uit schrijven van persoon en
klachten weet je veel meer over client en heb je veel meer aangrijppunten voor de
therapie. Zonder diagnose kan je amper een therapie opstellen voor een persoon.
2. Verklaring
Wat is de oorzaak van het probleem en wat houdt het in stand of doet het zelf
toenemen. Je hebt kennis nodig van:
- Beloop van stoornis
- In standhoudende factoren.
In GGZ worden de Onderkenning-vragen en indicatie-vragen vaak wel gesteld en
onderzocht maar de verklaring vaak wordt overgeslagen wegens tijdsgebrek en puur voor
behandeling zou je nog niet de verklarende factoren hoeven te weten.
Verklaring is wel moeilijk uit te zoeken want je moet het doen op basis wat de
client verteld en echte causale verbanden zijn moeilijk aan te wijzen. Correlatie hoeft
geen causaliteit te zijn.
,3. Predictie – Prognose
Hoe zal het probleem gaan ontwikkeling. Kennis van:
- Beloop en predictor.
Denk aan: kans op suïcide, agressieve recidive en terugval.
4. Indicatie
Welke behandeling komt het meest in aanmerking. Je moet kennis hebben van
- Effectieve behandeling
Je gebruikt de GGZ richtlijnen en evidence-based behandelingen bepaald door groep
experts voor iedere stoornis.
De GGZ richtlijnen zijn niet altijd even up to date.
Hoe bepaal je indicatie:
Bedenk goed wie je voor je hebt:
- Is dit eerste contact met GGZ of niet: Als het bijvoorbeeld niet de eerste keer is,
waar ligt het aan dat hij/zij terug is gekomen?
- Heeft persoon genoeg draagkracht, of misschien niet de cognitieve capaciteiten?
- Is de persoon meer rationeel of emotioneel ingesteld. En waar heeft de client zelf
behoefte aan? Ga in overleg met client.
Hoeveel details moet je weten voor indicatie:
Voorbeeld:
Als persoon is verkracht en in de indicatie na intake nog steeds het niet wil hebben over
het incident, ga je de client dan forceren om erover te praten? Is het verleden relevant
om in deze fase tot in de detail uit te vragen? Zal de behandeling voor deze patiënt
anders zijn? Moet je in samenspraak met client bepalen
5. Evaluatie
In hoeverre werkt de behandeling. Indien geen succes hoe komt dat?
Bekijk ook kritisch of behandeling juist is uitgevoerd:
- Eerste keus interventies worden nog weinig uitgevoerd: slechts 35-45%
- CGT’ers voeren niet altijd correcte/adequate CGT uit.
Dus evidence-based werken:
Valkuilen van een diagnosticus
- Bevestiging voor hypotheses zoeken en dis-confirmerende informatie te
veronachtzamen
- Relaties tussen problemen te overschatten
- Over-diagnostiek
o Wees niet te nieuwsgierig en blijf bij je hypothese
- Hypes volgen.
, Biases:
- Eerste indruk heuristiek: hoe iemand over komt op het eerste gezicht is hoe hij is.
- Halo effect: een eigenschap krijgt veel nadruk en de persoon wordt in zijn geheel
beoordeeld op basis van die indruk.
- Logica fout:
- Bevestiging van hypotheses.
Onderzoeksopzet:
- Hoe stel je goede onderzoeksvragen:
o Wees specifiek: dus niet als onderkenning: “wat is er aan de hand?”, maar
“is er spraken van een angststoornis?”.
- Hoe formuleer je hypotheses?
o Hypothese moet toetsbaar zijn
- Kies de juiste tools bij de juiste vraag.
Hoe selecteer je test:
- COTAN criteria:
o Kijkt naar validiteit en betrouwbaarheid
o Interne validiteit is vaak onvoldoende in tests. Heel ingewikkeld om dit
aan te kunnen tonen. Daarom kritisch blijven met wat je precies kan met
de tests
- Wat is de doel van je vraag
o Eerste diagnose of uitgebreid vervolg psychologisch onderzoek
- Wie is de patient:
o Bijv bij patiënt met ADHD ga je niet heel lang testbatterij afnemen
o Patiënten met hoge lijden druk of lage cognitieve capaciteiten
Diagnostische testwaardes:
We gebruiken deze waardes om te kunnen stellen wanneer een test klinisch relevant is
om te gebruiken. (als de test bijvoorbeeld goed onderscheid kan maken tussen personen
die niet de stoornis hebben en wel de stoornis hebben)
- Sensitiviteit: percentage
terecht positieve uitslagen
onder zieke personen.
Sensitiviteit= A/(A+C)
- Specificiteit: percentage
terecht negatieve uitslagen
onder niet-zieke personen.
Specificiteit= D/(B+D)
Theorema van Bayes:
Voorbeeld
Is Tom een wiskunde of psychologie student?
Je zou kunnen denken Tom is een man plus heeft een bril. 90% van wiskunde studenten
zijn mannelijk en 50% draagt een bril. Bij psychologie is dit maar 20% man en 25% bril.
Dus de kans is groter dat Tom een wiskunde student is.