Psychologie: Wetenschap die het gedrag van mensen wil meten, verklaren en beïnvloeden.
In welke behoeftes voorziet werk?
● autonomie
● verbondenheid
● competentie → Ik kan iets
Wat is een organisatie?
Een samenwerkingsverband van mensen die met behulp van geschikte kennis en middelen
samenwerken om een bepaald doel te bereiken.
Arbeids- en Organisatiepsychologie
- GiO bestudeert de invloed die individuele factoren, groepsprocessen en
organisatiestructuren hebben op menselijk gedrag in organisaties.
l
l
- - > Effectiviteit van organisaties verbeteren.
Vragen in GiO:
- Wat is motivatie?
- Hoe vergroot je werktevredenheid?
- Wat is een eerlijke beloning?
- Wat is persoonlijkheid?
- Hoe nemen mensen waar?
- Hoe gedragen mensen zich in groepen?
Hoofdstuk 1 : inleiding en gedrag in organisatie
Sociologie : bestudeert mensen in relatie tot hun sociale omgeving of cultuur.
Sociale psychologie : bestudeert hoe mensen elkaar beïnvloeden.
Antropologie : bestudeert samenlevingen om te leren over mensen en hun activiteiten.
Psychologie : probeert gedrag te meten, te verklaren en te beïnvloeden.
Systematisch onderzoek verbetert nauwkeurigheid voorspelling.
● Verbanden tussen verschijnselen.
● Onderscheid oorzaak en gevolg.
● Gegevens verzamelen.
Oorzaak = X = onafhankelijke variabelen
Gevolg = Y = afhankelijke variabelen
Contingentievariabelen (Z, omstandigheden) zijn ook van invloed. (bijvoorbeeld persoonlijkheid)
Uitdagingen en kansen voor GiO:
● Reageren op economische ontwikkelingen.
, ● Omgaan met globalisering.
● Leidinggeven aan een divers personeelsbestand.
● Innovatie en verandering stimuleren.
● Evenwicht tussen werk en privé.
● Ethisch gedrag.
● Positieve werkomgeving scheppen.
Hoofdstuk 2: diversiteit in organisaties
Diversiteit aan de oppervlakte: Leeftijd, sekse, ras etc.
DIversiteit in de diepte: Verschillen in waardes, persoonlijkheid en werkvoorkeuren.
Biografische kenmerken
● Leeftijd
● Sekse
● LHTB
● Anciënniteit
● Godsdienst
Fysieke en mentale vermogens
● Intellectueel
- Rekenvaardigheid
- Verbaal begrip
- Waarnemingssnelheid
- Inductief redeneren: het vermogen om een logische opeenvolging in een
probleem vast te stellen en het probleem vervolgens op te lossen.
- Deductief redeneren: het vermogen om logica te gebruiken en de implicaties van
een argument te beoordelen.
- Ruimtelijk inzicht
- Geheugen
● Lichamelijk
- reactievermogen
- scherp zien
● Functiebeperkingen : visueel, auditief, motorisch, psychisch, hersenfuncties, chronische
ziekte.
Correlatie tussen werktevredenheid en intelligentie is 0.
Culturele diversiteit
lagen
1. Tastbaar, waarneembaar
2. Standaardwaarden voor gewenst gedrag
3. Basiswaarden
Culturele intelligentie (CQ)
Het vermogen om effectief te werken met en tussen mensen van
andere culturen.
, De zes culturele dimensies van Hofstede
1. Machtsafstand
2. individualisme <--> collectivisme
3. Masculiniteit <--> feminiteit
4. onzekerheidsvermijding
5. lange- en kortetermijngerichtheid
6. hedonisme <--> soberheid
Hoofdstuk 3: Attitudes en werktevredenheid
Attitude = houding tegenover mensen, gedrag of gebeurtenissen.
- Cognitief → ervaring/evaluatie
- Affectief → gevoel
- Gedrag → actie
Gedrag altijd gevolg van attitudes? Nee. Soms wordt attitude aangepast zodat het matcht met
het gedrag.
Cognitieve dissonantie = Inconsistentie/tegenstrijdigheid waarnemen tussen gedrag en
attitudes. Dit willen mensen liever niet.
Oplossen door: Attitude veranderen
Gedrag veranderen
Verschil rationaliseren
Of we iets aan onze cognitieve dissonantie willen doen, hangt af van 3 factoren.
1. Het belang van de attitudes die de dissonantie veroorzaken.
2. De invloed die je over de dissonantie denkt te hebben.
3. De beloning van dissonantie. Grote beloningen verminderen de spanning die gepaard
gaat bij dissonantie.
Moderatorvariabelen zijn variabelen die de relatie tussen attitude en gedrag versterken of
afzwakken.
1. Het belang van de attitude.
2. De mate van specificiteit.
In welke behoeftes voorziet werk?
● autonomie
● verbondenheid
● competentie → Ik kan iets
Wat is een organisatie?
Een samenwerkingsverband van mensen die met behulp van geschikte kennis en middelen
samenwerken om een bepaald doel te bereiken.
Arbeids- en Organisatiepsychologie
- GiO bestudeert de invloed die individuele factoren, groepsprocessen en
organisatiestructuren hebben op menselijk gedrag in organisaties.
l
l
- - > Effectiviteit van organisaties verbeteren.
Vragen in GiO:
- Wat is motivatie?
- Hoe vergroot je werktevredenheid?
- Wat is een eerlijke beloning?
- Wat is persoonlijkheid?
- Hoe nemen mensen waar?
- Hoe gedragen mensen zich in groepen?
Hoofdstuk 1 : inleiding en gedrag in organisatie
Sociologie : bestudeert mensen in relatie tot hun sociale omgeving of cultuur.
Sociale psychologie : bestudeert hoe mensen elkaar beïnvloeden.
Antropologie : bestudeert samenlevingen om te leren over mensen en hun activiteiten.
Psychologie : probeert gedrag te meten, te verklaren en te beïnvloeden.
Systematisch onderzoek verbetert nauwkeurigheid voorspelling.
● Verbanden tussen verschijnselen.
● Onderscheid oorzaak en gevolg.
● Gegevens verzamelen.
Oorzaak = X = onafhankelijke variabelen
Gevolg = Y = afhankelijke variabelen
Contingentievariabelen (Z, omstandigheden) zijn ook van invloed. (bijvoorbeeld persoonlijkheid)
Uitdagingen en kansen voor GiO:
● Reageren op economische ontwikkelingen.
, ● Omgaan met globalisering.
● Leidinggeven aan een divers personeelsbestand.
● Innovatie en verandering stimuleren.
● Evenwicht tussen werk en privé.
● Ethisch gedrag.
● Positieve werkomgeving scheppen.
Hoofdstuk 2: diversiteit in organisaties
Diversiteit aan de oppervlakte: Leeftijd, sekse, ras etc.
DIversiteit in de diepte: Verschillen in waardes, persoonlijkheid en werkvoorkeuren.
Biografische kenmerken
● Leeftijd
● Sekse
● LHTB
● Anciënniteit
● Godsdienst
Fysieke en mentale vermogens
● Intellectueel
- Rekenvaardigheid
- Verbaal begrip
- Waarnemingssnelheid
- Inductief redeneren: het vermogen om een logische opeenvolging in een
probleem vast te stellen en het probleem vervolgens op te lossen.
- Deductief redeneren: het vermogen om logica te gebruiken en de implicaties van
een argument te beoordelen.
- Ruimtelijk inzicht
- Geheugen
● Lichamelijk
- reactievermogen
- scherp zien
● Functiebeperkingen : visueel, auditief, motorisch, psychisch, hersenfuncties, chronische
ziekte.
Correlatie tussen werktevredenheid en intelligentie is 0.
Culturele diversiteit
lagen
1. Tastbaar, waarneembaar
2. Standaardwaarden voor gewenst gedrag
3. Basiswaarden
Culturele intelligentie (CQ)
Het vermogen om effectief te werken met en tussen mensen van
andere culturen.
, De zes culturele dimensies van Hofstede
1. Machtsafstand
2. individualisme <--> collectivisme
3. Masculiniteit <--> feminiteit
4. onzekerheidsvermijding
5. lange- en kortetermijngerichtheid
6. hedonisme <--> soberheid
Hoofdstuk 3: Attitudes en werktevredenheid
Attitude = houding tegenover mensen, gedrag of gebeurtenissen.
- Cognitief → ervaring/evaluatie
- Affectief → gevoel
- Gedrag → actie
Gedrag altijd gevolg van attitudes? Nee. Soms wordt attitude aangepast zodat het matcht met
het gedrag.
Cognitieve dissonantie = Inconsistentie/tegenstrijdigheid waarnemen tussen gedrag en
attitudes. Dit willen mensen liever niet.
Oplossen door: Attitude veranderen
Gedrag veranderen
Verschil rationaliseren
Of we iets aan onze cognitieve dissonantie willen doen, hangt af van 3 factoren.
1. Het belang van de attitudes die de dissonantie veroorzaken.
2. De invloed die je over de dissonantie denkt te hebben.
3. De beloning van dissonantie. Grote beloningen verminderen de spanning die gepaard
gaat bij dissonantie.
Moderatorvariabelen zijn variabelen die de relatie tussen attitude en gedrag versterken of
afzwakken.
1. Het belang van de attitude.
2. De mate van specificiteit.