• Planten hebben meestal een bladgroenkorrel waarmee ze hun eigen organische stoffen mee
kunnen opbouwen
• Planten die geen bladgroenkorrels hebben- parasiet= organisme dat ten koste van een
gastheer(andere plant) leeft
• Wieren of algen
o Eencellig/eenvoudig gebouwde meercelligen
o Waterplanten of gebonden aan een hele vochtige plaats
• Mossen
o Landplanten
o Gebonden aan vochtige plaatsen
o Transportsysteem niet sterk ontwikkeld
• Varens en zaadplanten
o Goed ontwikkeld transportsysteem- goed stevig
o Kunne uitgroeien tot bomen
Zaadplanten
• Planten zicht voort d.m.v. zaden en vruchten
• Leven vooral op land klein deel in zoet water en enkele in zout water
Bedektzadige= zaadje Naaktzadigen=
volledig bedekt (heeft coniferen zaden van
een beschermende deze plant hebben geen
laag) zijn bloemen beschermende laag
Eenzaadlobbige= Tweezaadlobbige=
hebben één hebben twee
zaadlob zaadlobben zaad is in
tweeën te delen
• Organen van een zaadplant: wortel, stengel, bladeren
• Plantencellen behouden het vermogen zich te ontwikkelen tot een van deze 3 organen
(maakt stekken mogelijk)
• Stengels hebben leden en knopen
• Wortels bezitten geen bladgroen
, Bloemen
1. Stempel
2. Stijl
3. Kroonblad
4. Meeldraad
5. Kelkblad
6. Vruchtbeginsel
7. Zaadbeginsel
• Bloem van bedektzadige heeft kelk met daarin kelkbladeren een daarbinnen een kroon
• Sommige bloemen (tulp) spreek je niet van een aparte kelk en kroon=bloemdek
• Stamper= vrouwelijk geslachtsorgaan bestaat uit de stempel, stijl en vruchtbeginsel
• In vruchtbeginsel één of meer zaadbeginsels(zaadknoppen)
• In het zaadbeginsel zit een eicel- zaadbeginsel ontwikkelt zich na de bevruchting tot een zaad
binnen het vruchtbeginsel en dat wordt het vrucht
• Meeldraden= mannelijk voortplantingsorgaan
• Meeldraad bestaat uit een helmknop (bestaat uit twee helmhokjes waarin de
stuifmeelkorrels(pollen) zich ontwikkelen in de stuifmeelkorrels zit het mannelijke
voortplanting kern) en helmdraad
Bestuiving
• Stuifmeel van ene bloem op de stempel van een bloem
• Zelfbestuiving= zelfde bloem
• Kruisbestuiving= stuifmeel ander bloem
• Windbestuiving=bestuiving door wind (produceren stuifmeel dat erg licht is bv. grassoorten)
• Insectenbloemen= zijn voor de bestuiving afhankelijk van insecten (ruiken lekker hebben
mooie kleuren en produceren nectar)
• Stuifmeel bevat eiwit dat goed is voor de dieren
, • Tweeslachtige bloemen= mannelijk en vrouwelijk voortplantingsorgaan op één bloem
• Eenslachtige bloemen= aparte mannelijke en vrouwelijke bloemen (mais)
• Éénhuizige plant= beide geslachten op dezelfde plant (mais)
• Tweehuizige plant= ieder geslacht op een aparte plant (kiwi)
• Na bestuiving kiemt stuifmeelkorrel op de stempel en groeit er een super dunne
stuifmeelbuis- groeit door stempel naar zaadbeginsel in vruchtbeginsel en daar versmelt
mannelijke kern met de kern van de eicel
Zaden en vruchten
• Na de bevruchting-Eicel groeit tot een kiem(embryo) en zaadbeginsel tot een zaad
• Om de zaad zit de zaadhuid (bruin vliesje om de pinda)
• Pinda wordt in tweeën gebroken = embryo
• Pindahelften zijn de zaadlobben vol reservevoedsel voor het embryo
• Zaden bevinden zich in een vrucht dat ervoor zorgt dat het wordt verspreid
• Een goede verspreiding is belangrijk om de kans op een succesvolle ontkieming te vergroten
Plantenweefsel
• Parenchym= (vulweefsel) bestaat uit grote cellen die een dunne wand hebben, vult ruimte
tussen andere weefsels op
o Vindt stofwisseling plaats
o Bolvorming of langwerpig
o Cellen met bladgroenkorrels zijn parenchymcellen
• Steunweefsel= geeft stevigheid aan groeiend weefsel in jonge delen van een plant
o Te herkennen aan de dikke rand
• Transportweefsel
o Gevormd door houtvaten (=transportkanalen in het hout van een plant: vervoeren
water en opgeloste zouten vanuit wortel naar de bladeren hebben een dikke wand)
o en bastvaten (transportkanalen (bestaan uit lange rijen cellen die tot
transportbuizen zijn samengesmolten) in de bast van een plant: vervoeren
organische stoffen hebben een dunnen wand)
o bastvaten worden ook wel zeefvaten genoemd- ze hebben kleine openingen
waardoor plantensappen vervoerd kunnen worden
• meristeem= (deelweefsel) bestaat uit kleine niet-gedifferentieerde cellen die voor de groei
van de plant zorgen d.m.v. delingsactiviteit
stevigheid door turgor
• planten zijn zodanig gebouwd dat ze optimaal voor fotosynthese kunnen dienen daarom
hebben bladeren nauwelijks steunweefsel want steuncellen hebben een dikke wand voor de
stevigheid
• ze bestaan voor het grootste deel uit parenchymcellen met dunne wanden die het licht
gemakkelijk doorlaten;
• de parenchymcellen bevatten veel bladgroenkorrels;
• een blad heeft een groot oppervlak om zoveel mogelijk zonlicht op te vangen;
• de geringe dikte van het blad maakt snelle gaswisseling met de lucht mogelijk.
• Turgor zorgt voor de stevigheid van een blad
o Binnen de cel is de osmotische waarde hoger dan buiten de cel
o er vindt osmose plaats