4.1
Koolhydraten zijn voedingsstoffen die energie leveren aan het lichaam, net als eiwitten en vetten.
Koolhydraten zitten vooral in graanproducten zoals brood, rijst en pasta, maar ook in aardappelen en
peulvruchten.
Gezonde keuzes zijn koolhydraatbronnen die veel voedingsvezels bevatten zoals volkorenbrood,
volkorenpasta, zilvervliesrijst en peulvruchten.
Als je te veel koolhydraten eet, kan dat betekenen dat je te weinig eiwitten of vetten eet. Te veel
koolhydraten wil zeggen dat meer dan 70% van de calorieën uit koolhydraten komt. Dat is niet goed
voor de gezondheid.
Als je te weinig koolhydraten eet kan dat betekenen dat je niet genoeg van alle gezonde
voedingsstoffen, zoals vitamines, mineralen en vezels binnenkrijgt.
Koolhydraten worden ook wel suikers of sachariden genoemd. De naam koolhydraten verwijst naar
de combinatie van koolstof en water (hydraten) Hydro is de Oudgriekse naam voor water.
Functie van koolhydraten
Koolhydraten geven het lichaam energie. Vooral voor de hersenen en rode bloedcellen zijn
koolhydraten erg belangrijk. De hersenen kunnen zelfs niet zonder glucose (een soort koolhydraat)
Enkelvoudig of meervoudig
Koolhydraten doen meer dan energie geven. Zo geven koolhydraten sacharose (tafel)suiker en
fructose (vruchtensuiker) een zoete smaak aan de voeding. Sommige koolhydraatrijke producten
bevatten voedingsvezels. Deze zijn nodig voor een goede darmwerking. Koolhydraten zijn in te delen
op 2 manieren:
Enkelvoudig of meervoudig
Verteerbaar of onverteerbaar
Een koolhydraat bestaat uit een of meer suikermoleculen, de sachariden. Je kunt koolhydraten
indelen naar het aantal suikermoleculen waaruit ze bestaan. Zo onderscheiden we de volgende
soorten (oplopend, van weinig naar veel sachariden):
Monosachariden
Disachariden
Oligosachariden
Polysachariden
Monosachariden zijn enkelvoudige koolhydraten, koolhydraten die bestaan uit 1 sacharide.
Disachariden, oligosachariden en polysachariden zijn meervoudige koolhydraten. Deze bestaan uit
meer dan 1 sacharide. De disachariden bestaan uit 2 aan elkaar verbonden sachariden.
Voorbeelden van monosachariden zijn:
Glucose, oftewel druivensuiker of dextrose
Fructose oftewel vruchtensuiker
Galactose
Glucose en fructose komen vooral voor in fruit, maar ook in honing, galactose in melkproducten.
Glucose is een groter molecuul dan ethylalcohol (bloedsuiker). De koppeling tussen de twee
monosacharide-eenheden kan worden opgevat als een condensatie, waarbij de hemi-acetaal-OH-
groep van het ene molecule onder uittreding van water heeft gereageerd met een OH-groep van het
andere molecule
,Voorbeelden van disachariden zijn:
Sacharose: glucose+fructose. Bekend als biet- of rietsuiker (de suiker die je in de winkel
koopt).
Lactose: glucose+galactose. Bekend als melksuiker.
Maltose: glucose+glucose. Bekend als moutsuiker.
Oligosachariden bestaan uit 3 tot 9 verbonden suikermoleculen. Voorbeelden van oligosachariden
zijn:
Fructo-oligosacharide (FOS)
Raffinose
Maltodextrines
Polysachariden bestaan uit lange ketens met suikermoleculen. Voorbeelden van polysachariden zijn:
Zetmeel: dit zit in plantaardige materialen, bijvoorbeeld tarwe
Glycogeen: dit zit in dierlijke producten
vezels
Verteerbaar of onverteerbaar, glycemische en niet-glycemische koolhydraten
Een andere belangrijke verdeling is die tussen verteerbare en onverteerbare koolhydraten, of:
glycemische en niet-glycemische koolhydraten. In voedingsmiddelen zitten verteerbare koolhydraten
en niet-verteerbare koolhydraten. Verteerbare koolhydraten kan het lichaam opnemen en gebruiken
als energiebron. Niet-verteerbare koolhydraten zijn voedingsvezels. Deze kan het lichaam niet
opnemen. Ze vormen dus geen energiebron, maar ze zijn wel erg belangrijk voor de functie van de
darmen. Monosachariden en koolhydraten die in de dunne darm kunnen worden afgebroken tot
monosachariden vallen onder de verteerbare koolhydraten.
Voorbeelden van verteerbare koolhydraten zijn:
Glucose
Fructose
Galactose
Maltose
Zetmeel
Onverteerbare koolhydraten worden niet in de dunne darm afgebroken. Ze worden gerekend tot de
voedingsvezels. Voorbeelden van de onverteerbare koolhydraten zijn:
Onverteerbaar, ofwel resistent zetmeel
Pectine en (hemi)cellulose
Betaglucanen
Resistente oligosachariden, zoals fructo-oligosacharide (FOS)
4.2 vertering
De vertering van koolhydraten begint in de mond en in de maag. Speeksel wat door de drie
verschillende speekselklieren (submandibulair, sublinguaal en parotis) in de mondholte wordt
uitgescheiden, bevat het enzym ptyaline (een alfa-amylase). Ptyaline hydrolyseert amylose (zetmeel)
in maltose (een disaccharide) en andere polymeren van glucose (een monosaccharide). Minder dan
5% van de hoeveelheid zetmeel van een maaltijd wordt gehydrolyseerd voordat het door wordt
geslikt. De vertering van het amylose gaat echter in de maag nog ongeveer 1 uur door. De activiteit
van ptyaline wordt door maagzuur geinhibeerd. Desondanks is ptyaline verantwoordelijk voor 30 tot
40% van de hydrolyse van amylose tot maltose.
De pancreas scheidt ook alfa-amylase uit. Het alfa-amylase wat door de pancreas wordt
uitgescheiden heeft dezelfde werking als alfa-amylase in het speeksel. Het pancreasamylase is echter
veel krachtiger. Nadat de voedselbrij via de maag in het duodenum komt, wordt bijna al het amylose
, verteerd en worden door de epitheelcellen getransporteerd door het lichaam.
Disacchariden en kleine glucosepolymeren worden door enzymen van het darmepitheel
gehydrolyseerd. De microvilli van de borstelzoom bevatten enzymen die de disacchariden lactose,
sacharose, maltose en glucosepolymeren in monosacchariden splitsen. Het eindproduct van de
koolhydraatvertering is meestal glucose. Er zijn echter ook andere monosacchariden die het
eindproduct van de koolhydraatvertering zijn:
• Lactose wordt gesplitst in een molecuul galactose en een molecuul glucose.
• Sacharose wordt gesplitst in een molecuul glucose en een molecuul fructose.
• Maltose wordt gesplitst in een glucose.
Lactose-intolerantie wil zeggen dat lactose in je darmen niet wordt afgebroken tot verteerbare
suikers. Dit leidt tot verschijnselen als overmatig gas- en zuurproductie, opgeblazen gevoel,
winderigheid en diarree. Het kan ook komen door beschadigde darmvlokken.
Dit komt doordat het enzym lactase in onvoldoende mate of helemaal niet aanwezig is. Of klachten
optreden, hangt onder meer af van de hoeveelheid lactase die je lichaam nog aanmaakt.
Het hangt ook af van de samenstelling van de voeding en de soorten bacteriën die in je darmen
leven. Schiet de aanmaak van lactase tekort, dan verteert de lactose uit de voeding onvoldoende.
Het lichaam kan onverteerde lactose niet opnemen. Dit heet 'lactosemalabsorptie'.
Lactosemalabsorptie geeft niet altijd klachten. Waarschijnlijk hebben veel mensen een lactasetekort
zonder dat zij hier iets van merken.
4.3 Glucose in het lichaam
Je lichaam kan een kleine voorraad glucose opslaan in de lever en de spieren. Het heet dan niet meer
glucose, maar glycogeen. Die voorraad kan van pas komen als je snel energie nodig hebt,
bijvoorbeeld bij een grote inspanning.
Bij een tekort aan glucose maakt het lichaam glucose uit aminozuren (eiwit) of uit glycerol (vet).
Daarbij zijn vooral het groeihormoon en de stresshormonen adrenaline en cortisol betrokken. Dit
proces vindt voornamelijk plaats in de lever.
Glucose(C3H4O6) is de belangrijkste brandstof voor het menselijk lichaam. Om energie uit de glucose
te halen, moet eerst een heel proces doorlopen worden: de dissimilatie. Hierbij wordt glucose
afgebroken tot kooldioxide en water, waarbij energie vrijkomt. Dit proces is te verdelen in 3
belangrijke stappen: De glycolyse, de citroenzuurcyclus en de oxidatieve fosforylering. Ook ATP en
koolhydraten spelen een belangrijke rol.
Gluconeogenese : de vorming van glucose uit eiwitten en vetten onder invloed van het hormoon
cortisol (hydrocortison ) uit de bijnierschors.
Hoewel de gluconeogenese niet exact het omgekeerde is van de glycolyse , deelt de gluconeogenese
veel enzymen van de glycolyse en de citroenzuurcyclus.
Omzetting van eiwitten tot glucose
De gluconeogenese voorziet in glucose wanneer er sprake is van schaarsheid aan glucose in de cellen
( met name de cellen in het brein ) en wanneer de melkzuur -( lactaat ) spiegel stijgt. Glucose wordt
alleen gevormd in de lever en de nieren , omdat deze het enzym glucose-6-fosfatase bevatten die
glucose-6-fosfaat moeten omzetten tot glucose.
Glucose is essentieel voor het brein, zenuwstelsel en andere weefsels. Het menselijk lichaam heeft