Bodemkunde van NL
H3
Profiel: verandering van eigenschappen in de diepte ( humus profiel/ textuurprofiel /kalkprofiel /structuurprofiel)
Geogene gelaagdheid : verschillen in afzettingsomstandigheden (klei op veen)
Pedogene gelaagdheid : door bodemvorming (door plantjes die groeien etc.
Horizonten = lagen
homogene profielen : een profiel met een nagenoeg gelijke textuur
het lichter of zwaarder worden naar onder heet aflopend & oplopend
grote textuurverschillen heet storende grond
Hoofd horizonten:
- O : moerige horizont liggend op een A of E horizont (resten van plantendelen)
- A : minerale of moerige horizont waarin organische stof geheel of vrijwel geheel is omgezet
- B : ophoping & omzetting van organische stof. Gedeeltelijk beïnvloed door de mens ( amorte humus) Minerale
laag.
inspoeling kleimineralen/humus
nieuwvorming van kleimineralen
ijzer & aluminium oxyden ( sesquioxyden)
- E : minerale horizont die door verticale uitspoeling is verarmd aan klei & ijzer/aluminium oxyden. Lager humus
gehalte.
- C : moerige of minerale laag, die weinig of niet veranderd door bodemvormende processen.
Wel :
rijping
reductie
ontkalking
ijzeroer
kalk
- R : vast gesteente
a = antropogeen: door de mens aangevoerd materiaal
b = begraven ; sediment/antropogeen dek dat is begraven
c= concretie : extreem ijzerrijk
e= eluviaal : ontijzering
f = fragmenten : O horiz. met omzetbare plantenresten
g = gley : minerale horizonten met roestvlekken
h = humus
i = initiaal : C-horiz. die half of minder gerijpt zijn
j = jarosiet ; (gele) katteklei vlekken
l = litter : O horiz. verse nauwelijks aangetaste plantdelen
p = ploeg
r = reductie
s = sesquioxyde ( ijzer en aluminium)
t = textuur : B-horiz. met luttumuitspoeling
u = unspecified
w = weathered
met HCl kan je kalk bepalen
De opbouw van een systeem (minerale/organische fasen, met lucht/water gevulde holten) noemt met bodem structuur.
Macrostructuren = zijn structuren die met het oog of met de loep waar te nemen zijn.
, Microstructuren = is alleen te zien met een stereomicroscoop.
Granulatie = biologisch proces/ activiteit van bodem dieren & wortels bij humus
Antropogeen = door de mens
structuurgraad = de mate van ontwikkeling van de structuurelementen ( duurzaamheid is kracht van scheiden)
Macrostructuren zonder elementen:
- gaten structuur : onderling al of niet verbonden holten
- gelaagd complex : fijngelaagd en wisselende korrelgrote
- Korststructuur : vaak gelaagd aan oppervlakte gelegen korsten
- macrostructuurloos : geen structuur, geen holten, geen gelaagdheid, structuur verschilt sterk
Gatenstructuur:
- sponsstructuur : verbonden gangen alle richtingen
- gangenstructuur : verticaal lopende gangen, niet verbonden
Korrelstructuren:
- enkelkorrelstructuren: humus arm, leemarm, kleiarm zand
- micro-aggregaatstructuur : aggregaatjes ( 100-200 µm) van organisch stof
- matrix structuren :
huidjesstructuur
brugstructuur
massieve structuur
Porositeit:
- interpedale poriën : tussen structuur elementen
- intrapedale poriën : instructuur elementen
- transpedale poriën : dwars door structuurelementen
- poriën in apedale structuren
Structuurprofiel : verticale verschil van structuur
H5 Korrelgrootte
Proeven doen:
1. hoe voelt het?
2. voeg water toe (balletje/uitsmeerbaar)
3. bekijk het onder de loep
4. laat bezinken
zand: 50 – 2000 µm ( zanddeel/zandfractie)
fzm = m2 / ml + ms + m2
z = zanddeel het leemgehalte = 0 -50 µm
s = siltdeel dus l + s / l + s + 2
l = lutum
m= minerale delen
zandgrond = meer dan de helft van de diepte uit zand
zand = meer dan de helft van de massa uit het zanddeel
zanddeel = verzameling zanddeeltjes
zanddeeltjes = korrels tussen de 50 – 2000 µm
Stiboka ; zandklasse begin 50 µm
leem = 0-50 µm siltdeel = 2- 50 µm
luttum = 0-2 µm grind = 2000 – 63000 µm
lössdeel = 16 -50 µm
zanddeel
- 50 – 2000 µm
- vorm; gelijke afmeting in verschillende richtingen
H3
Profiel: verandering van eigenschappen in de diepte ( humus profiel/ textuurprofiel /kalkprofiel /structuurprofiel)
Geogene gelaagdheid : verschillen in afzettingsomstandigheden (klei op veen)
Pedogene gelaagdheid : door bodemvorming (door plantjes die groeien etc.
Horizonten = lagen
homogene profielen : een profiel met een nagenoeg gelijke textuur
het lichter of zwaarder worden naar onder heet aflopend & oplopend
grote textuurverschillen heet storende grond
Hoofd horizonten:
- O : moerige horizont liggend op een A of E horizont (resten van plantendelen)
- A : minerale of moerige horizont waarin organische stof geheel of vrijwel geheel is omgezet
- B : ophoping & omzetting van organische stof. Gedeeltelijk beïnvloed door de mens ( amorte humus) Minerale
laag.
inspoeling kleimineralen/humus
nieuwvorming van kleimineralen
ijzer & aluminium oxyden ( sesquioxyden)
- E : minerale horizont die door verticale uitspoeling is verarmd aan klei & ijzer/aluminium oxyden. Lager humus
gehalte.
- C : moerige of minerale laag, die weinig of niet veranderd door bodemvormende processen.
Wel :
rijping
reductie
ontkalking
ijzeroer
kalk
- R : vast gesteente
a = antropogeen: door de mens aangevoerd materiaal
b = begraven ; sediment/antropogeen dek dat is begraven
c= concretie : extreem ijzerrijk
e= eluviaal : ontijzering
f = fragmenten : O horiz. met omzetbare plantenresten
g = gley : minerale horizonten met roestvlekken
h = humus
i = initiaal : C-horiz. die half of minder gerijpt zijn
j = jarosiet ; (gele) katteklei vlekken
l = litter : O horiz. verse nauwelijks aangetaste plantdelen
p = ploeg
r = reductie
s = sesquioxyde ( ijzer en aluminium)
t = textuur : B-horiz. met luttumuitspoeling
u = unspecified
w = weathered
met HCl kan je kalk bepalen
De opbouw van een systeem (minerale/organische fasen, met lucht/water gevulde holten) noemt met bodem structuur.
Macrostructuren = zijn structuren die met het oog of met de loep waar te nemen zijn.
, Microstructuren = is alleen te zien met een stereomicroscoop.
Granulatie = biologisch proces/ activiteit van bodem dieren & wortels bij humus
Antropogeen = door de mens
structuurgraad = de mate van ontwikkeling van de structuurelementen ( duurzaamheid is kracht van scheiden)
Macrostructuren zonder elementen:
- gaten structuur : onderling al of niet verbonden holten
- gelaagd complex : fijngelaagd en wisselende korrelgrote
- Korststructuur : vaak gelaagd aan oppervlakte gelegen korsten
- macrostructuurloos : geen structuur, geen holten, geen gelaagdheid, structuur verschilt sterk
Gatenstructuur:
- sponsstructuur : verbonden gangen alle richtingen
- gangenstructuur : verticaal lopende gangen, niet verbonden
Korrelstructuren:
- enkelkorrelstructuren: humus arm, leemarm, kleiarm zand
- micro-aggregaatstructuur : aggregaatjes ( 100-200 µm) van organisch stof
- matrix structuren :
huidjesstructuur
brugstructuur
massieve structuur
Porositeit:
- interpedale poriën : tussen structuur elementen
- intrapedale poriën : instructuur elementen
- transpedale poriën : dwars door structuurelementen
- poriën in apedale structuren
Structuurprofiel : verticale verschil van structuur
H5 Korrelgrootte
Proeven doen:
1. hoe voelt het?
2. voeg water toe (balletje/uitsmeerbaar)
3. bekijk het onder de loep
4. laat bezinken
zand: 50 – 2000 µm ( zanddeel/zandfractie)
fzm = m2 / ml + ms + m2
z = zanddeel het leemgehalte = 0 -50 µm
s = siltdeel dus l + s / l + s + 2
l = lutum
m= minerale delen
zandgrond = meer dan de helft van de diepte uit zand
zand = meer dan de helft van de massa uit het zanddeel
zanddeel = verzameling zanddeeltjes
zanddeeltjes = korrels tussen de 50 – 2000 µm
Stiboka ; zandklasse begin 50 µm
leem = 0-50 µm siltdeel = 2- 50 µm
luttum = 0-2 µm grind = 2000 – 63000 µm
lössdeel = 16 -50 µm
zanddeel
- 50 – 2000 µm
- vorm; gelijke afmeting in verschillende richtingen