HOORCOLLEGE
Kennislijn ondersteunende wetenschappen
Thema 1: Inleiding 1001 dag
5 pijlers van het manifest 1001 kritieke dagen:
1. Voorlichting > begin vroeg, al voor de conceptie, tijdens de zwangerschap en tijdens
de eerste 2 levensjaren
2. Vroegsignalering > vraagt meer kennis van vroege ontwikkeling
3. Aandacht voor veerkrachtige ouders
4. Focus op een veilige en gezonde hechting
5. Verbind medische en sociale zorg > oog voor stress-factoren in het leven van ouders
en kinderen
Ontwikkelingspsychologie:
o Wetenschappelijke studie naar patronen van groei, verandering en stabiliteit vanaf
de conceptie tot aan de ouderdom
o Verklaart menselijk gedrag door terug te kijken naar voorgeschiedenis, een
aaneenschakeling van veranderingen: het ontwikkelingsproces
o Levenslooppsychologie
Onderzoek naar het kind
o Tot 1600: weinig aandacht voor kindertijd
o Darwin: observatie kinderen meer systematisch (baby biografieën)
o Begin 19e eeuw: kinderen naar school > meer aandacht leerprocessen
o 203 eeuw: ontwikkelingspsychologie = wetenschappelijk
o Binet: onderzoek naar intelligentie, geheugen en hoofdrekenen
o Hall: vragenlijsten voor gedrag en adolescentie als aparte ontwikkelingsperiode
o Grootschalige, systematische en langdurige onderzoeken
Ontwikkeling
o Doorlopen van een reeks toestanden die onomkeerbare, trapsgewijze of geleidelijke
veranderingen tot gevolg hebben
o Deze veranderingen beïnvloeden de ontwikkeling/groei naar een “hoger”
niveau/toestand (progressie) en brengen de individu steeds dichter bij het
eindresultaat
o Rijping en leren: van klein naar groot (groei) en van eenvoudig naar complex
(differentiatie > complexere dingen kunnen)
o Ontwikkeling: stimuleren, prikkelen, spelen, oefenen etc.
Wat houdt ontwikkeling van een kind in?
o Welke toestanden/fasen worden doorlopen?
o Welke mechanismen zorgen voor de overgang van de ene naar de andere toestand?
Ontwikkeling wordt o.a. bepaald door normatieve invloeden en leeftijdgebonden invloeden
,Ontwikkelingsgebieden:
o Fysieke ontwikkeling
o Cognitieve ontwikkeling
o Sociale-emotionele ontwikkeling
o Persoonlijkheidsontwikkeling
Overgang bepaalt:
A. Leeftijd
B. Vaardigheden
C. Cultuur
D. Tijd
Hoe verloopt de overgang naar de volgende fase?
o Verloopt de ontwikkeling continu of discontinu?
o Kwantitatief of kwalitatief (complexer) anders dan het voorgaande?
o Kun je gedrag van een volwassene voorspellen op basis van zijn gedrag op jonge
leeftijd?
Ontwikkeling: belangrijke begrippen
o Groei: toename in lengte, omvang en gewicht
o Differentiatie: toename in complexiteit, verfijning
o Ervaring/leren: nieuw gedrag, nieuwe vaardigheden op basis van ervaring/oefening
o Rijping: relatief autonoom proces van groei en verfijning. Invloeden van buitenaf zijn
beperkt (kind in baarmoeder)
Thema 2: Ontwikkelingsfasen en ontwikkelingsgebieden
Nature > wat is er biologisch gezien al aanwezig? (maturatie = rijping)
o Rousseau
o Montessori
, Voorgeprogrammeerd: rijping zenuwcellen
Genen
Groei is toename: meer en beter
Nurture > wat krijg je vanuit je omgeving? Wat doe je daarmee?
o Locke
o Skinner
Waarnemingen
Ervaringen
Leerprocessen
Training
Het psychodynamisch perspectief > focus op innerlijke krachten
Psychoanalyse Sigmund Freud (1856-1939):
o Onbewuste processen zijn bepalend voor iemands persoonlijkheid en gedrag
o Id, ego, superego (es, ich, über-ich)
o Ervaringen uit de vroege kinderjaren zijn bepalend voor het verdere leven
Psychoanalyse Erik Erikson (1902-1994):
o Sociale interactie
o 8 stadia van ontwikkeling (met elk zijn crisis)
Freud VS Erikson (psychoanalyse)
o Freud: de ontwikkeling is afgerond als de adolescentie is afgerond
o Erikson: groei en verandering treedt je hele leven door op
Het behavioristisch perspectief > focus op waarneembaar gedrag
, Behavioristische benadering o.a. J.B. Watson (1878-1959):
o Nature VS Nurture
o Stimuli: voorspelling gedrag
o Ontwikkeling mens verloopt niet in stadia
o Ontwikkelingspatronen = weerspiegeling bepaalde omgevingsstimuli = persoonlijk
Ontwikkeling = kwantitatief
Behaviorisme
o Tabula rasa = onbeschreven blad
o Alleen waarneembaar gedrag is te onderzoeken, de rest is “black box” en niet te
kennen
o Alle gedrag is aangeleerd (en ook weer af te leren)
o Leren door observeren en nadoen
Behavioristisch perspectief
Pavlov (1849-1936):
o Klassieke conditionering
o Neutrale stimulus
Skinner (1904-1990)/Watson (1878-1958):
o Operante conditionering
o Reïnforcement
o Gedragsmodificatie
Bandura (1925):
o Modelling: leren door te observeren (bobo doll)
Cognitieve psychologie
o De inhoud van de “black box” is juist wel belangrijk
o Mensen zijn actieve informatieverwerkers
o Wat zijn motivaties voor gedrag? > waarom vraag
o Mensen zijn actief en creatief
o Je bent druk bezig je een beeld te vormen van de werkelijkheid
o Interpretatie van een situatie leidt tot bepaald gedrag
Jean Piaget (1896-1980):
o Waarneming is een wisselwerking tussen cognitieve schema’s en informatie uit de
omgeving
o Cognitieve ontwikkeling verloopt in fasen
o Adaptatie: assimilatie (= het aanpassen van de cognitieve schema’s die je al hebt) en
accommodatie (= het aanpassen van je denkschema’s aan wat je ervaart in je
omgeving)
Het systemisch perspectief
Kennislijn ondersteunende wetenschappen
Thema 1: Inleiding 1001 dag
5 pijlers van het manifest 1001 kritieke dagen:
1. Voorlichting > begin vroeg, al voor de conceptie, tijdens de zwangerschap en tijdens
de eerste 2 levensjaren
2. Vroegsignalering > vraagt meer kennis van vroege ontwikkeling
3. Aandacht voor veerkrachtige ouders
4. Focus op een veilige en gezonde hechting
5. Verbind medische en sociale zorg > oog voor stress-factoren in het leven van ouders
en kinderen
Ontwikkelingspsychologie:
o Wetenschappelijke studie naar patronen van groei, verandering en stabiliteit vanaf
de conceptie tot aan de ouderdom
o Verklaart menselijk gedrag door terug te kijken naar voorgeschiedenis, een
aaneenschakeling van veranderingen: het ontwikkelingsproces
o Levenslooppsychologie
Onderzoek naar het kind
o Tot 1600: weinig aandacht voor kindertijd
o Darwin: observatie kinderen meer systematisch (baby biografieën)
o Begin 19e eeuw: kinderen naar school > meer aandacht leerprocessen
o 203 eeuw: ontwikkelingspsychologie = wetenschappelijk
o Binet: onderzoek naar intelligentie, geheugen en hoofdrekenen
o Hall: vragenlijsten voor gedrag en adolescentie als aparte ontwikkelingsperiode
o Grootschalige, systematische en langdurige onderzoeken
Ontwikkeling
o Doorlopen van een reeks toestanden die onomkeerbare, trapsgewijze of geleidelijke
veranderingen tot gevolg hebben
o Deze veranderingen beïnvloeden de ontwikkeling/groei naar een “hoger”
niveau/toestand (progressie) en brengen de individu steeds dichter bij het
eindresultaat
o Rijping en leren: van klein naar groot (groei) en van eenvoudig naar complex
(differentiatie > complexere dingen kunnen)
o Ontwikkeling: stimuleren, prikkelen, spelen, oefenen etc.
Wat houdt ontwikkeling van een kind in?
o Welke toestanden/fasen worden doorlopen?
o Welke mechanismen zorgen voor de overgang van de ene naar de andere toestand?
Ontwikkeling wordt o.a. bepaald door normatieve invloeden en leeftijdgebonden invloeden
,Ontwikkelingsgebieden:
o Fysieke ontwikkeling
o Cognitieve ontwikkeling
o Sociale-emotionele ontwikkeling
o Persoonlijkheidsontwikkeling
Overgang bepaalt:
A. Leeftijd
B. Vaardigheden
C. Cultuur
D. Tijd
Hoe verloopt de overgang naar de volgende fase?
o Verloopt de ontwikkeling continu of discontinu?
o Kwantitatief of kwalitatief (complexer) anders dan het voorgaande?
o Kun je gedrag van een volwassene voorspellen op basis van zijn gedrag op jonge
leeftijd?
Ontwikkeling: belangrijke begrippen
o Groei: toename in lengte, omvang en gewicht
o Differentiatie: toename in complexiteit, verfijning
o Ervaring/leren: nieuw gedrag, nieuwe vaardigheden op basis van ervaring/oefening
o Rijping: relatief autonoom proces van groei en verfijning. Invloeden van buitenaf zijn
beperkt (kind in baarmoeder)
Thema 2: Ontwikkelingsfasen en ontwikkelingsgebieden
Nature > wat is er biologisch gezien al aanwezig? (maturatie = rijping)
o Rousseau
o Montessori
, Voorgeprogrammeerd: rijping zenuwcellen
Genen
Groei is toename: meer en beter
Nurture > wat krijg je vanuit je omgeving? Wat doe je daarmee?
o Locke
o Skinner
Waarnemingen
Ervaringen
Leerprocessen
Training
Het psychodynamisch perspectief > focus op innerlijke krachten
Psychoanalyse Sigmund Freud (1856-1939):
o Onbewuste processen zijn bepalend voor iemands persoonlijkheid en gedrag
o Id, ego, superego (es, ich, über-ich)
o Ervaringen uit de vroege kinderjaren zijn bepalend voor het verdere leven
Psychoanalyse Erik Erikson (1902-1994):
o Sociale interactie
o 8 stadia van ontwikkeling (met elk zijn crisis)
Freud VS Erikson (psychoanalyse)
o Freud: de ontwikkeling is afgerond als de adolescentie is afgerond
o Erikson: groei en verandering treedt je hele leven door op
Het behavioristisch perspectief > focus op waarneembaar gedrag
, Behavioristische benadering o.a. J.B. Watson (1878-1959):
o Nature VS Nurture
o Stimuli: voorspelling gedrag
o Ontwikkeling mens verloopt niet in stadia
o Ontwikkelingspatronen = weerspiegeling bepaalde omgevingsstimuli = persoonlijk
Ontwikkeling = kwantitatief
Behaviorisme
o Tabula rasa = onbeschreven blad
o Alleen waarneembaar gedrag is te onderzoeken, de rest is “black box” en niet te
kennen
o Alle gedrag is aangeleerd (en ook weer af te leren)
o Leren door observeren en nadoen
Behavioristisch perspectief
Pavlov (1849-1936):
o Klassieke conditionering
o Neutrale stimulus
Skinner (1904-1990)/Watson (1878-1958):
o Operante conditionering
o Reïnforcement
o Gedragsmodificatie
Bandura (1925):
o Modelling: leren door te observeren (bobo doll)
Cognitieve psychologie
o De inhoud van de “black box” is juist wel belangrijk
o Mensen zijn actieve informatieverwerkers
o Wat zijn motivaties voor gedrag? > waarom vraag
o Mensen zijn actief en creatief
o Je bent druk bezig je een beeld te vormen van de werkelijkheid
o Interpretatie van een situatie leidt tot bepaald gedrag
Jean Piaget (1896-1980):
o Waarneming is een wisselwerking tussen cognitieve schema’s en informatie uit de
omgeving
o Cognitieve ontwikkeling verloopt in fasen
o Adaptatie: assimilatie (= het aanpassen van de cognitieve schema’s die je al hebt) en
accommodatie (= het aanpassen van je denkschema’s aan wat je ervaart in je
omgeving)
Het systemisch perspectief