Oefententamen Psychotherapeutische Stromingen
Dit tentamen is geen officieel tentamen vanuit de UvA en is gemaakt ter ondersteuning van
het leerproces. Het oefententamen bestaat uit 36 vragen met ieder vier antwoordopties.
Succes
Vraag 1.
Een therapeut moet een functionele relatie ontwikkelen. Alle psychotherapievormen
hebben vier samenstellende factoren gemeen: de vier R’s. Welke factoren zijn dit?
A. Ritueel, Relativeren, Rationeel, Ritueel
B. Relatie, Raamwerk, Rationeel, Ritueel
C. Reflectie, Relatie, Raamwerk, Rationeel
D. Ritueel, Rolmodel, Reflectie, Relativeren
Vraag 2.
Hoe noemt men de waarschijnlijkheid dat cliënten voor een therapie kiezen en aan de
therapie blijven meewerken tot ze voldoende verbeterd zijn?
A. Cognitieve dissonantie
B. Motivationele dissonantie
C. Geconditioneerde dissonantie
D. Interpersoonlijke dissonantie
Vraag 3.
De werkwijze van de gezondheidszorg kan opgedeeld worden in drie stappen: diagnose,
verklaring en behandeling. In de hulpverlening zijn verschillende stappen te onderscheiden.
Deze stappen lopen door elkaar en de probleemontleding is pas geslaagd wanneer het
probleem verholpen is. Welke van de volgende stappen hoort hier niet bij?
A. Probleemoplossing
B. Probleemverkenning
C. Probleemontleding
D. Probleemverklaring
Vraag 4.
Stelling I: De klachtgerichte benadering richt zich op klachten, symptomen en stoornissen
verhelpen.
Stelling II: De persoonsgerichte benadering gaat uit van wat de cliënt/patiënt zelf wil
veranderen.
A. Stelling I is waar, Stelling II is niet waar
B. Stelling II is waar, Stelling I is niet waar
C. Beide stellingen zijn waar
D. Beide stellingen zijn niet waar
Dit tentamen is geen officieel tentamen vanuit de UvA en is gemaakt ter ondersteuning van
het leerproces. Het oefententamen bestaat uit 36 vragen met ieder vier antwoordopties.
Succes
Vraag 1.
Een therapeut moet een functionele relatie ontwikkelen. Alle psychotherapievormen
hebben vier samenstellende factoren gemeen: de vier R’s. Welke factoren zijn dit?
A. Ritueel, Relativeren, Rationeel, Ritueel
B. Relatie, Raamwerk, Rationeel, Ritueel
C. Reflectie, Relatie, Raamwerk, Rationeel
D. Ritueel, Rolmodel, Reflectie, Relativeren
Vraag 2.
Hoe noemt men de waarschijnlijkheid dat cliënten voor een therapie kiezen en aan de
therapie blijven meewerken tot ze voldoende verbeterd zijn?
A. Cognitieve dissonantie
B. Motivationele dissonantie
C. Geconditioneerde dissonantie
D. Interpersoonlijke dissonantie
Vraag 3.
De werkwijze van de gezondheidszorg kan opgedeeld worden in drie stappen: diagnose,
verklaring en behandeling. In de hulpverlening zijn verschillende stappen te onderscheiden.
Deze stappen lopen door elkaar en de probleemontleding is pas geslaagd wanneer het
probleem verholpen is. Welke van de volgende stappen hoort hier niet bij?
A. Probleemoplossing
B. Probleemverkenning
C. Probleemontleding
D. Probleemverklaring
Vraag 4.
Stelling I: De klachtgerichte benadering richt zich op klachten, symptomen en stoornissen
verhelpen.
Stelling II: De persoonsgerichte benadering gaat uit van wat de cliënt/patiënt zelf wil
veranderen.
A. Stelling I is waar, Stelling II is niet waar
B. Stelling II is waar, Stelling I is niet waar
C. Beide stellingen zijn waar
D. Beide stellingen zijn niet waar