Samenvatting gedrag in organisaties
Psychologie: wetenschap die zich bezighoudt met het gedrag van de mens als individu.
Wordt toegepast bij testen en selecteren, begeleiding, onderzoek naar waarneming,
therapieën, etc.
Sociale psychologie: bestudeert de wisselwerking tussen het individu en diens sociale
omgeving. Wordt toegepast bij aanpassingen in groep, patronen van communicatie,
leiderschapsstijlen, interpersoonlijke aantrekkingskracht, etc.
Sociologie: richt zich op het bestuderen van menselijk gedrag binnen bepaalde
gemeenschappen of samenlevingsverbanden. Wordt toegepast bij doorstroom van kinderen
in onderwijs met verschillende sociale economische achtergronden, houding vakbeweging
ten opzichte van werkgevers, factoren die leiden tot sociale ongelijkheid, etc.
Psychologie en sociologie houden zich bezig met het gedrag van de mensen, dus het gedrag
staat centraal.
Beide wetenschappen willen:
- Gedrag beschrijven.
- Gedrag verklaren.
- Gedrag beïnvloeden.
De sociale wetenschappen zijn ontstaan in de tijd van de oude Grieken.
De wetten van de evolutie:
- Er is een strijd om het bestaan.
- Binnen soorten zijn er verschillen tussen specimen.
- Best aangepaste zal eerder reproduceren.
- Seksuele selectie.
Grondlegger van de moderne psychologie: Wilhelm Wundt. Hij onderzocht sensatie en
gevoelens.
Motivatie: datgene wat een individu tot een bepaald gedrag drijft.
Intrinsieke motivatie: vanuit de persoon, interne krachten (driften/behoeften).
Extrinsieke motivatie: vanuit de situatie, externe krachten.
Theorie van Maslow: motivatie door interne krachten, hiërarchisch geordend.
- Deprivatie (tekort) van behoeften leidt tot activatie.
- Behoeften zijn hiërarchisch geordend.
, Theorie van Alderfer: ERG-theorie.
- Existentiële behoefte: behoefte aan materiele zekerheid.
- Relationele behoefte: behoefte aan goede relaties met andere mensen.
- Groeibehoefte: behoefte aan persoonlijke groei, aan mogelijkheden om zichzelf te
ontplooien.
Geen hiërarchische ordening, behoeften kunnen tegelijkertijd aanwezig zijn.
Theorie van Pavlov: klassiek conditioneren.
Psychologie: wetenschap die zich bezighoudt met het gedrag van de mens als individu.
Wordt toegepast bij testen en selecteren, begeleiding, onderzoek naar waarneming,
therapieën, etc.
Sociale psychologie: bestudeert de wisselwerking tussen het individu en diens sociale
omgeving. Wordt toegepast bij aanpassingen in groep, patronen van communicatie,
leiderschapsstijlen, interpersoonlijke aantrekkingskracht, etc.
Sociologie: richt zich op het bestuderen van menselijk gedrag binnen bepaalde
gemeenschappen of samenlevingsverbanden. Wordt toegepast bij doorstroom van kinderen
in onderwijs met verschillende sociale economische achtergronden, houding vakbeweging
ten opzichte van werkgevers, factoren die leiden tot sociale ongelijkheid, etc.
Psychologie en sociologie houden zich bezig met het gedrag van de mensen, dus het gedrag
staat centraal.
Beide wetenschappen willen:
- Gedrag beschrijven.
- Gedrag verklaren.
- Gedrag beïnvloeden.
De sociale wetenschappen zijn ontstaan in de tijd van de oude Grieken.
De wetten van de evolutie:
- Er is een strijd om het bestaan.
- Binnen soorten zijn er verschillen tussen specimen.
- Best aangepaste zal eerder reproduceren.
- Seksuele selectie.
Grondlegger van de moderne psychologie: Wilhelm Wundt. Hij onderzocht sensatie en
gevoelens.
Motivatie: datgene wat een individu tot een bepaald gedrag drijft.
Intrinsieke motivatie: vanuit de persoon, interne krachten (driften/behoeften).
Extrinsieke motivatie: vanuit de situatie, externe krachten.
Theorie van Maslow: motivatie door interne krachten, hiërarchisch geordend.
- Deprivatie (tekort) van behoeften leidt tot activatie.
- Behoeften zijn hiërarchisch geordend.
, Theorie van Alderfer: ERG-theorie.
- Existentiële behoefte: behoefte aan materiele zekerheid.
- Relationele behoefte: behoefte aan goede relaties met andere mensen.
- Groeibehoefte: behoefte aan persoonlijke groei, aan mogelijkheden om zichzelf te
ontplooien.
Geen hiërarchische ordening, behoeften kunnen tegelijkertijd aanwezig zijn.
Theorie van Pavlov: klassiek conditioneren.