Economie samenvatting CE
Domein Markt
1. Vraag en Aanbod
- Primaire goederen
Vraag neemt minder dan evenredig toe wanneer het inkomen stijgt.
- Luxegoederen
Vraag neemt meer dan evenredig toe wanneer het inkomen stijgt.
- Normale goederen
Vraag neemt toe wanneer het inkomen stijgt.
- Inferieure goederen
Vraag neemt af wanneer het inkomen stijgt.
- Substitutie goederen
Goederen die elkaar kunnen vervangen.
- Complementaire goederen
Goederen die elkaar aanvullen.
2. Verschuiving van vraag/aanbodlijnen
- Vraaglijn
Bij prijsverlaging verschuift de lijn naar rechts en bij een prijsverhoging verschuift
de lijn naar links.
- Aanbodlijn
Bij meer aanbod verschuift de lijn naar rechts en bij minder aanbod verschuift de
lijn naar links.
3. Kosten (constant en variabel) en Opbrengsten
- Vaste kosten/ constante kosten
Het bedrag staat vast en is onafhankelijk van het aantal geproduceerde
producten.
- Variabele kosten
Zijn afhankelijk van het aantal geproduceerde producten.
Proportioneel variabele kosten = wanneer de kosten per product hetzelfde blijven.
Progressief variabele kosten = de kosten stijgen meer evenredig met de
productieomvang.
Degressief variabele kosten = de kosten stijgen minder evenredig met de
productieomvang.
- Marginale kosten
Bijkomende kosten als een bedrijf één extra product produceert.
4. Break-even Point
- Op dit punt wordt geen winst gemaakt. Opbrengst = kosten.
5. Maximale Omzet
- Bij hoeveel producten de omzet maximaal is.
6. Maximale Winst
- Wanneer Marginale opbrengst (MO) = Marginale kosten (MK)
7. Shutdown-point
- Bij welke verkoopprijs het verstandig is de productie te stoppen. Dit wordt ook wel
productiequotum genoemd.
1
, Economie samenvatting CE
8. Surplus
- Consumentensurplus
Wanneer consumenten minder hoeven te betalen dan dat ze bereid zijn.
- Producenten surplus
Wanneer producenten meer verdienen dan zij minimaal voor hun producten willen
ontvangen.
9. Marktvormen
Volkomen Monopolistische Oligopolie Monopolie
concurrentie (graan) concurrentie (tankstation) (waterleidingbedrijf)
(kledingwinkel)
Veel aanbieders & veel Veel aanbieders & Weinig Eén aanbieder &
vragers veel vragers aanbieders & veel vragers
veel vragers
Homogeen product Heterogeen Heterogeen of Homogeen product
product homogeen
product
Transparante markt Niet-transparante Beperkte Beperkte
markt transparante transparante markt
markt
Vrije toe- en uittreding Beperkte vrije toe- Beperkte vrije
Beperkte vrije toe-
en uittreding toe- en uittreding
en uittreding
Gevolg: aanbieder is Gevolg: aanbieder
hoeveelheidsaanbieder is prijszetter
- Homogeen houdt in dat er voor de consument geen verschil zit in producten van
verschillende aanbieders.
- Heterogeen houdt in dat er wel verschil zit tussen producten van verschillende
aanbieders. Hierbij kan het ook gaan om factoren die samenhangen met het
product.
10. Elasticiteiten
- Een getal dat verband aangeeft tussen twee procentuele veranderingen.
Een positieve waarde = positief verband, negatieve waarde = negatief verband.
- Inelastisch
Een waarde tussen -1 en 1 = gevolg < oorzaak,
- Elastisch
Een waarde groter dan 1 of kleiner dan -1 = gevolg > oorzaak.
- Prijselasticiteit
Hoe sterk de vraag reageert op een procentuele prijsverandering.
% verandering gevraagde hoeveelheid
-
% verandering prijs
- Inkomenselasticiteit
Hoe sterk de vraag naar een product reageert op een procentuele
inkomensverandering.
% verandering gevraagde hoeveelheid
-
% verandering inkomen
2
Domein Markt
1. Vraag en Aanbod
- Primaire goederen
Vraag neemt minder dan evenredig toe wanneer het inkomen stijgt.
- Luxegoederen
Vraag neemt meer dan evenredig toe wanneer het inkomen stijgt.
- Normale goederen
Vraag neemt toe wanneer het inkomen stijgt.
- Inferieure goederen
Vraag neemt af wanneer het inkomen stijgt.
- Substitutie goederen
Goederen die elkaar kunnen vervangen.
- Complementaire goederen
Goederen die elkaar aanvullen.
2. Verschuiving van vraag/aanbodlijnen
- Vraaglijn
Bij prijsverlaging verschuift de lijn naar rechts en bij een prijsverhoging verschuift
de lijn naar links.
- Aanbodlijn
Bij meer aanbod verschuift de lijn naar rechts en bij minder aanbod verschuift de
lijn naar links.
3. Kosten (constant en variabel) en Opbrengsten
- Vaste kosten/ constante kosten
Het bedrag staat vast en is onafhankelijk van het aantal geproduceerde
producten.
- Variabele kosten
Zijn afhankelijk van het aantal geproduceerde producten.
Proportioneel variabele kosten = wanneer de kosten per product hetzelfde blijven.
Progressief variabele kosten = de kosten stijgen meer evenredig met de
productieomvang.
Degressief variabele kosten = de kosten stijgen minder evenredig met de
productieomvang.
- Marginale kosten
Bijkomende kosten als een bedrijf één extra product produceert.
4. Break-even Point
- Op dit punt wordt geen winst gemaakt. Opbrengst = kosten.
5. Maximale Omzet
- Bij hoeveel producten de omzet maximaal is.
6. Maximale Winst
- Wanneer Marginale opbrengst (MO) = Marginale kosten (MK)
7. Shutdown-point
- Bij welke verkoopprijs het verstandig is de productie te stoppen. Dit wordt ook wel
productiequotum genoemd.
1
, Economie samenvatting CE
8. Surplus
- Consumentensurplus
Wanneer consumenten minder hoeven te betalen dan dat ze bereid zijn.
- Producenten surplus
Wanneer producenten meer verdienen dan zij minimaal voor hun producten willen
ontvangen.
9. Marktvormen
Volkomen Monopolistische Oligopolie Monopolie
concurrentie (graan) concurrentie (tankstation) (waterleidingbedrijf)
(kledingwinkel)
Veel aanbieders & veel Veel aanbieders & Weinig Eén aanbieder &
vragers veel vragers aanbieders & veel vragers
veel vragers
Homogeen product Heterogeen Heterogeen of Homogeen product
product homogeen
product
Transparante markt Niet-transparante Beperkte Beperkte
markt transparante transparante markt
markt
Vrije toe- en uittreding Beperkte vrije toe- Beperkte vrije
Beperkte vrije toe-
en uittreding toe- en uittreding
en uittreding
Gevolg: aanbieder is Gevolg: aanbieder
hoeveelheidsaanbieder is prijszetter
- Homogeen houdt in dat er voor de consument geen verschil zit in producten van
verschillende aanbieders.
- Heterogeen houdt in dat er wel verschil zit tussen producten van verschillende
aanbieders. Hierbij kan het ook gaan om factoren die samenhangen met het
product.
10. Elasticiteiten
- Een getal dat verband aangeeft tussen twee procentuele veranderingen.
Een positieve waarde = positief verband, negatieve waarde = negatief verband.
- Inelastisch
Een waarde tussen -1 en 1 = gevolg < oorzaak,
- Elastisch
Een waarde groter dan 1 of kleiner dan -1 = gevolg > oorzaak.
- Prijselasticiteit
Hoe sterk de vraag reageert op een procentuele prijsverandering.
% verandering gevraagde hoeveelheid
-
% verandering prijs
- Inkomenselasticiteit
Hoe sterk de vraag naar een product reageert op een procentuele
inkomensverandering.
% verandering gevraagde hoeveelheid
-
% verandering inkomen
2