Hoofdstuk 1
Terrorisme wordt meestal gezien als iets van nu, maar feitelijk gaat terrorisme een hele tijd terug. In
welke tijd of op welke plek dan ook, terrorisme is altijd een daad vanuit een politieke kwestie.
Terrorisme in het verleden werd nooit bestempeld of benoemd als terrorisme en daarom lijkt het of
dit fenomeen zich slechts voordoet in de laatste 100 jaar. Niets is echter minder waar en om een
beter beeld te krijgen van vroegere terrorisme gaan Lutz en Lutz hier dieper op in in dit boek.
Hoofdstuk 2: De definitie, classificatie en oorzaken van terrorisme
Definitie:
Terrorisme omvat politieke doelstellingen. Deze doelstellingen worden ondersteunt door geweld (of
dreiging van geweld) die samenhangt met het slachtoffer angst aan jagen. Dit gaat verder dan
intimidatie of simpel weg bang maken, binnen terrorisme ontstaat een serieuze vorm van angst bij
het slachtoffer. Kenmerkend hierbij is dat terrorisme zijn handeling vaak richt op specifieke
individuen of specifieke groepen om juist deze individuen/groepen grote angst toe te brengen. De
daders van terrorisme handelen in groepsverband (niet altijd) en ten slotte creeert terrorisme een
soort macht voor de daders die zij daarvoor niet hadden.
Het meest essentiële kenmerk is dat terrorisme samen gaat met het politieke doel.
Soorten terrorisme:
1. Gemeenschappelijke terrorisme
Dit houdt in dat een groep zich verzet door middel van terrorisme tegen een grotere
bovenstaande groep. Bijv. een etnische minderheid binnen een land, een religieuze
minderheid binnen een staat etc. Deze terrorisme vorm heeft dus voornamelijk betrekking
op religie en etnische minderheden. Let op, genocide (het uitroeien van hele
bevolkingsgroep) is geen terrorisme omdat het geen specifieke doelgroep kent, maar de
algemene groep.
2. Ideologische terrorisme
Deze vorm bevat de strijd tussen links en rechts waarin dus het politieke doeleind altijd
centraal staat.
3. Instrumentele terrorisme
Terrorisme als middel om macht te verwerven en om zo bijv. economische voordelen te
behalen. Deze vorm is typerend voor de elite die aan de macht probeert te blijven/te komen
in rechtse staten.
Oorzaken van terrorisme:
Oorzaken kunnen zeer subjectief zijn. De daders zullen hun terroristische daad vaak baseren op
feiten,maar ook subjectieve gevoelens spelen een cruciale rol binnen terrorisme. Een oorzaak hoeft
dus niet per se te zijn dat een religieuze groep minder loon krijgt, maar kan ook zijn dat die religieuze
groep gewoon vindt dat zij ondergewaardeerd worden, ook al krijgen ze wel hetzelfde loon.
,Samenvatting Inleiding in de historische criminologie deel 1
Hoofdstuk 1 ‘Waarom het verleden bestuderen?’
Paragraaf 1: geschiedenis
Onderscheid tussen het verleden en de studie naar het verleden:
1. Wat in het verleden gebeurt is,is gebeurt en kan dus niet worden terug gehaald. De studie
van het verleden daarentegen vindt nu plaats en daar kan je ook nu gebruik van maken door
middel van het lezen van boeken etc. Echter, de studie brengt je niet terug naar het
verleden, het weergeeft het verleden alleen maar.
2. Als je studeert naar het verleden kan je eigenlijk niet zeggen dat je het verleden bestudeert,
maar dat je de bron (het boek, de film, het artikel) bestudeert. Omdat je alleen via bronnen
informatie kan verwerven over het verleden bestudeer je bronnen, maar niet letterlijk het
verleden.
3. De studie naar het verleden mist nog veel belangrijke informatie. Zo is er bijvoorbeeld erg
weinig bekend over vrouwen uit het verleden. Zij hebben natuurlijk wel bestaan, maar de
kennis over hen is nu gering. Dat is ook een verschil. Het verleden is compleet, de studie is
incompleet.
Paragraaf 2 belang van het verleden
Nut van historisch onderzoek:
1. Weergeven objectieve werkelijkheid (dit lijkt echter onmogelijk te zijn)
2. Het verschaffen van mooie en inspirerende verhalen.
3. Eigenbelang voor historicus.
Invullen van waarde van historisch onderzoek kan door middel van beschrijven en verklaren.
1. Beschrijven
- Om te voorkomen dat gebeurtenissen worden vergeten.
- En daarbij lessen trekken uit het verleden.
- Het bovenstaande kan vooral worden behaald als historie zo objectief en
waarheidsgetrouw mogelijk wordt gegeven.
2. Verklaren
- Studie als een ‘bezit voor altijd’
- Dat gebeurtenissen niet zomaar gebeuren, maar altijd een patroon zullen vormen.
Conflicten komen dus herhalend terug en daarom belangrijk om te verklaren waarom zij
steeds terug komen.
- Kan aangeven welke mogelijke veranderingen we kunnen verwachten en hoe we daar
het beste mee om kunnen gaan.
- Oftewel: een bijdrage aan de ‘voorspelling’(verwachtingen) van de toekomst. Hierin
worden mogelijkheden voor de toekomst afgebakend.
Paragraaf 3 problemen: feiten, bronnen en interpretatie
Als eerste de vraag hoe interpretatie zich verhoudt tot de objectieve weergave van de gebeurtenis.
Deze interpretatie doet zich voor bij zowel de directe getuige als bij de indirecte weergave van de
historicus. Interpretatie is echter niet te voorkomen en dus is elk historisch verhaal enigszins
subjectief weergegeven.
Een ander probleem is dat bronnen slechts een deel van de gebeurtenis weergeven en het dus een
misvatting is dat bronnen de werkelijkheid weergeven. Naast het feit dat bronnen subjectieve
interpretaties zijn, zijn bronnen ook vaak gemanipuleerd, vervalst of niet naar waarheid
weergegeven. Door de maker van de bron te achterhalen en de tijdstip van creëren, kan worden
nagegaan of de bron ‘echt’ is.
Ten slotte geef je zelf ook altijd je interpretatie aan de bron. Het is van belang om je eigen
interpretatie te onderscheiden van de ‘objectieve’ weergave van de bron.
, Regels van historische bewijsvoering:
1. Kritische juxtapositie van de bronnen: onafhankelijke bronnen met elkaar vergelijken
2. Falsificatie techniek: hypothese blijft staan totdat ander onderzoek deze onderuit haalt of
aanvult.
3. Het zwijgen van de bron: a.d.h.v. wat de bron niet verteld, de feiten die niet aan bod komen,
bepalen wat de bron bedoelt. Hier wordt vanuit gegaan dat de bron expres bepaalde dingen
niet vermeld en dit zou volgens sommige historici een reden moeten hebben.
Hoofdstuk 2 Criminologen en Historici
Criminologie en chronocentrisme
Dat criminologen alles wat tot voor kort is gepubliceerd als superieur beschouwen aan
oudere onderzoeken/publicaties.
Sinds 1970 meer aandacht vanuit historici voor criminaliteit en het verleden daarvan.
De kwantitatieve studie van criminaliteit
Hierin is er voornamelijk aandacht voor welke delicten hoe worden gestraft en welke delicten het
meest voorkomen etc. Deze cijfers worden gehaald uit veroordelingen van verschillende instellingen
als rechtbanken, politiebureaus etc. De cijfers geven een beeld van de vervolgings- en
straffingpraktijk. Dus in hoeverre en waardoor er aandacht is voor bepaalde soorten misdaad. Bijv.:
nu minder aandacht voor ‘kruimeldiefstallen’ omdat politieapparaat te duur is om deze kleinigheden
te vervolgen etc.
Top down benadering
Lange termijn evoluties in criminaliteit
Hierin staan lange termijnprocessen centraal als staatsvorming, bureaucratisering, rationalisering,
civilisering en omslag van geweld- naar vermogensdelicten. Deze processen werden belicht aan de
hand van ook kwantitatief onderzoek, namelijk door systematisch uitspraken in archieven te
onderzoeken.
De kwalitatieve studie van criminaliteit: de sociale constructie
Bepaalde handeling pas crimineel als deze zo bestempeld wordt. Hierin wordt aandacht dus
gevestigd op criminaliteitsbeleid. Meerdere historici gaan er bijgevolg van uit dat de studie van wat
als ‘criminaliteit’ gedefinieerd werd eveneens licht werpt op algemene maatschappelijk-culturele
invullingen van afwijking en norm, ‘goed’ en ‘slecht’, orde en wanorde.
Top down benadering
De afgelopen twintig jaar is er meer aandacht gekomen voor de aanpak van criminaliteit door ‘kleine
instanties’ als bijv. gemeenten, politiekorpsen en lokale rechtbanken. Juist hoe deze instanties
criminaliteit afhandelen verklaard met grote name de vermindering/vermeerdering van bepaalde
vormen criminaliteit.
Bottum up benadering.
Hoofdstuk 3 Het toepassen van een historisch-criminologische benadering
Twee methodelogische problemen bij doen van historisch criminologisch onderzoek (Bosworth)
1. Het eerste probleem betreft het bronnen probleem zoals al eerder is besproken. Oftewel de
botsing tussen het feit en de interpretatie. Pure objectiviteit is onmogelijk.
2. Het tweede probleem is die van de emoties die komen kijken bij het onderzoek. Emoties en
betrokkenheid kunnen vooral ontstaan doordat onderzoek vaak gepaard gaat met langdurige
interviews met bijv. gevangenen etc. Criminologie is puur door zijn ietwat kwetsbare
doelgroep een emotionele onderzoeksrichting.