Sociale psychologie
H1: kennismaking met de sociale psychologie
Sociale deprivatie
- Deprivatie : je hebt een tekort aan iets – je wordt voor een bepaalde tijd van iets
weggenomen
- Sociale deprivatie: tekort aan sociaal contact – geïsoleerd worden van alle sociale
contacten
- Experiment
o De ene helft van de weeskinderen werd geïsoleerd in het weeshuis hadden op
hersenniveau achterstand
o De andere helft kreeg wel sociale contacten
o Wij hebben andere mensen nodig voor onze gedachten, gevoelens,
ontwikkeling…
Sociale paradox
- Langs de ene kant zeggen we hoe hard we sociale contacten nodig hebben maar langs de
andere kant durven we moeilijk sociaal contact te leggen met vreemden
Invloed
- We worden door de anderen beïnvloedt
o Groepsdruk
o Experiment van de persoonlijke ruimte (wij voelen ons ongemakkelijk als iemand
te dicht bij ons komt)
o Mensen zijn gaan parkeren op een meer omdat ze zagen dat er al andere auto’s
opstaan
Studieobject van de sociale psychologie
Gebiedsomschrijving
Sociale psychologie (Allport): de wetenschappelijke studie van de manier waarop de gedachten,
gevoelens en handelingen van mensen beïnvloed worden door de feitelijke, voorgestelde of
geïmpliceerde aanwezigheid van andere mensen
“een wetenschappelijke studie…”
Er zijn 3 methodes om te zoeken naar samenhang binnen een bepaald fenomeen: begrijpende 1,
correlationele2 en experimentele3
1. Begrijpende methode:
- Kwalitatief van aard
- Er wordt geen gebruik gemaakt van cijfermateriaal
- Gevalsstudies (men doet verschillende onderzoeken en kijkt of men samenhang kan
vinden)
2. Correlationele methode: men gaat verschillende soorten gegevens verzamelen bij een
groep, daar gaat men statistische bewerkingen op uitvoeren om te kijken of er correlaties
naar voor komen
- Positieve correlatie (als het een omhoog gaat het ander ook)
- Negatieve correlatie (als het een omhoog gaat dan gaat het ander omlaag)
, 3. Experimentele methode: men gaat onderzoeken of de ene variabele een effect heeft op de
andere
- De afhankelijke variabele (AV) = de eigenschap – gebeurtenis waarvan we willen weten
waardoor ze beïnvloedt wordt
- De onafhankelijke variabele (OV) = de eigenschap – gebeurtenis waarvan we vermoeden
dat ze invloed heeft op de AV
- Equivalente groep = een groep die puur random is gekozen uit een populatie
- Experimentele groep = die de OV toegediend krijgt
- De controle groep = die de OV NIET toegediend krijgt
Empirische cyclus:
- Er wordt een hypothese gevormd
- Deze wordt herhaaldelijk getoetst
- Kijken of de hypothese al dan niet waar is
Eigen voorbeeld:
1. ik loop op straat er een staan auto's in de file en ik zie dat enkel de mannelijke bestuurders
kwaad worden
2. ik ga een hypothese vormen
3. een concrete voorspelling zou zijn dat ik voorspel dat wanneer het file is dat enkel de
mannenlijke bestuurders
kwaad worden
4. je gaat dit observeren en experimenten uitvoeren om zo te kijken of je hypothese
weerlegd wordt of wordt bevestigd
“… de gedachten, gevoelens en handelingen van mensen”
A-B-C-model:
- A = gevoelens (Affection)
- B = manifeste gedrag (Behaviour)
- C = waarnemen, geheugen, denken… (Cognitif)
“… beïnvloedt worden door de feitelijke, voorgestelde of
geïmpliceerde aanwezigheid van anderen”
Fysiek – feitelijk
(bv. wanneer griet zegt tegen ons dat we iets moeten opschrijven dan doen wij dat)
Voorgesteld
(bv. je gaat naar een feestje en onrechtstreeks ga je bepaalde dingen niet aandoen omdat je
weet dat je vrienden dat niet mooi gaan vinden)
, Impliciet – onrechtstreeks
(bv. pijlen op de grond van ikea, iedereen wandelt in dezelfde richting en hetzelfde parcours,
je wordt scheef bekeken als je in de andere richting loopt)
Enkele aanvullingen op de definitie:
- Het gaat niet enkel over hoe wij beïnvloedt worden door anderen maar ook hoe wij
anderen beïnvloeden
- De beïnvloeding gebeurt niet altijd bewust – intentioneel
- Er wordt niet enkel gekeken naar de sociale gedragingen
De eigen invalshoek van de sociale psychologie
=Het bevindt zich op de snijlijn tussen sociologie en psychologie
Onderscheidt met sociologie:
- Sociologen hebben vooral oog voor de maatschappelijke kenmerken <--> psychologen
leggen de aandacht op het individu
o Bij sociaal psychologen ligt de focus op het gedrag van individuen maar ze kijken
wel of hun gedrag beïnvloedt kan worden door anderen
Eigen plaats binnen de psychologie:
- Ontwikkelingspsychologen gaan na hoe het gedrag in zijn verschillende aspecten
evolueert over de verschillende levensfasen
- Algemene psychologie kijkt vooral naar de basisprocessen van het gedrag
- Persoonlijkheidspsychologie kijkt vooral naar de innerlijke factoren die aan de basis
liggen van het gedrag
- Sociaalpsychologen zoeken verklaringen in externe factoren die op het individu werken
Enkele belangrijke evoluties zelfstudie
Kenmerken van bij het begin
Een sterke experimentele traditie:
- De beste toegangsweg om op een eenduidige manier aan te tonen welke factoren
invloed hebben op de fenomenen die de onderzoekers in kaart willen brengen
- Het geeft meer zekerheid de dingen die je wil observeren zelf uit te lokken
- Norman Triplett publiceerde het eerste sociaal-psychologische experiment
Nauwe band tussen theorie en praktijk:
- Tijdens de 2de WO waren er veel praktische problemen waar de sociaalpsychologen een
antwoord op moesten vinden
o Moreel van de troepen op peil te houden
o Ze te behoeden voor de propagandamachine van de vijand
o Burgervolk het best te mobiliseren
o Kurt Lewin veldtheorie die stelt dat gedrag van mensen afhankelijk is van hun
persoonlijkheid – karakter en de omgeving – situatie waarin ze zich bevinden
= de vader van de sociale psychologie
Latere aandachtspunten
Ethische aandachtspunten:
- Vele onderzoekers wilden ook de duistere kant van het menselijk gedrag onderzoeken dit
door ethisch betwistbare handelingen
- Er werd een deontologische code opgesteld waar de regels instonden waar onderzoekers
zich aan moesten houden
, Culturele verscheidenheid:
- Er werden vaak studenten gebruikt voor onderzoeken – maar konden ze deze resultaten
dan ook veralgemenen voor een metser of een advocaat…
- Replicatieonderzoek zorgt ervoor dat andere onderzoekers het exact zelfde onderzoek
kunnen doen op andere mensen om zo het resultaat te kunnen veralgemenen of
weerleggen
- Geert Hofstede maakte een verschil tussen individualistische cultuur en de
collectivistische cultuur
o IC = zijn mensen erg gesteld op onafhankelijkheid
o CC = meer gericht op de gemeenschap
Belang van biologische factoren:
- Het was lang een taboe om vanuit de sociale psychologie ook de biologische kant te
willen bekijken
- Aantal onderzoekers zijn zich gaan verdiepen in de evolutionaire betekenis van sommige
gedragingen evolutionaire psychologie
- Er is vanuit de neurowetenschappen ook meer interesse gekomen naar het sociale
sociale neuropsychologie
Inschakelen van nieuwe technologieën:
- Introductie van de computer – virtuele wereld te creëren voor experimenten
- Kameleoneffect = de onbewuste neiging om het gedrag van mensen waarmee we in
interactie staan na te bootsen
H2: groepsnormen – de groep als richtsnoer voor het
individu
Hoe normen ontstaan
Van bovenaf opgelegde normen
Verticale hiërarchie: een gestructureerde groep waarin een beperkt aantal leden heel veel macht
bezitten
- Kunnen normen vrij snel geconstrueerd worden
- Externe omstandigheden:
o Gaslek in de aula iemand krijgt bepaalde macht om iedereen te evacueren
Normen die spontaan ontstaan binnen de groep
Overleg en besluitvorming:
- Wanneer er binnen een groep samen wordt beslist
(bv. ouders die met kinderen bespreken voor een uur om thuis te komen)
Normen als product van sociale vergelijking:
- Bij mensen te rade gaan om te zien hoe zij zich gedragen in een bepaalde omgeving
- Dit gebeurt vaak open en onbewust
= sociale normering
Sociale normering: het geruisloos ontstaan van een gezamenlijke norm, die als richtsnoer dient voor
de individuele oordeelsvorming (Sherif)
Het experiment van Sherif
- Sherif plaatste verschillende personen in een donkere kamer met één enkel lichtpuntje
- Vervolgens vroeg hij de proefpersonen hoeveel het lichtpuntje was verschoven
H1: kennismaking met de sociale psychologie
Sociale deprivatie
- Deprivatie : je hebt een tekort aan iets – je wordt voor een bepaalde tijd van iets
weggenomen
- Sociale deprivatie: tekort aan sociaal contact – geïsoleerd worden van alle sociale
contacten
- Experiment
o De ene helft van de weeskinderen werd geïsoleerd in het weeshuis hadden op
hersenniveau achterstand
o De andere helft kreeg wel sociale contacten
o Wij hebben andere mensen nodig voor onze gedachten, gevoelens,
ontwikkeling…
Sociale paradox
- Langs de ene kant zeggen we hoe hard we sociale contacten nodig hebben maar langs de
andere kant durven we moeilijk sociaal contact te leggen met vreemden
Invloed
- We worden door de anderen beïnvloedt
o Groepsdruk
o Experiment van de persoonlijke ruimte (wij voelen ons ongemakkelijk als iemand
te dicht bij ons komt)
o Mensen zijn gaan parkeren op een meer omdat ze zagen dat er al andere auto’s
opstaan
Studieobject van de sociale psychologie
Gebiedsomschrijving
Sociale psychologie (Allport): de wetenschappelijke studie van de manier waarop de gedachten,
gevoelens en handelingen van mensen beïnvloed worden door de feitelijke, voorgestelde of
geïmpliceerde aanwezigheid van andere mensen
“een wetenschappelijke studie…”
Er zijn 3 methodes om te zoeken naar samenhang binnen een bepaald fenomeen: begrijpende 1,
correlationele2 en experimentele3
1. Begrijpende methode:
- Kwalitatief van aard
- Er wordt geen gebruik gemaakt van cijfermateriaal
- Gevalsstudies (men doet verschillende onderzoeken en kijkt of men samenhang kan
vinden)
2. Correlationele methode: men gaat verschillende soorten gegevens verzamelen bij een
groep, daar gaat men statistische bewerkingen op uitvoeren om te kijken of er correlaties
naar voor komen
- Positieve correlatie (als het een omhoog gaat het ander ook)
- Negatieve correlatie (als het een omhoog gaat dan gaat het ander omlaag)
, 3. Experimentele methode: men gaat onderzoeken of de ene variabele een effect heeft op de
andere
- De afhankelijke variabele (AV) = de eigenschap – gebeurtenis waarvan we willen weten
waardoor ze beïnvloedt wordt
- De onafhankelijke variabele (OV) = de eigenschap – gebeurtenis waarvan we vermoeden
dat ze invloed heeft op de AV
- Equivalente groep = een groep die puur random is gekozen uit een populatie
- Experimentele groep = die de OV toegediend krijgt
- De controle groep = die de OV NIET toegediend krijgt
Empirische cyclus:
- Er wordt een hypothese gevormd
- Deze wordt herhaaldelijk getoetst
- Kijken of de hypothese al dan niet waar is
Eigen voorbeeld:
1. ik loop op straat er een staan auto's in de file en ik zie dat enkel de mannelijke bestuurders
kwaad worden
2. ik ga een hypothese vormen
3. een concrete voorspelling zou zijn dat ik voorspel dat wanneer het file is dat enkel de
mannenlijke bestuurders
kwaad worden
4. je gaat dit observeren en experimenten uitvoeren om zo te kijken of je hypothese
weerlegd wordt of wordt bevestigd
“… de gedachten, gevoelens en handelingen van mensen”
A-B-C-model:
- A = gevoelens (Affection)
- B = manifeste gedrag (Behaviour)
- C = waarnemen, geheugen, denken… (Cognitif)
“… beïnvloedt worden door de feitelijke, voorgestelde of
geïmpliceerde aanwezigheid van anderen”
Fysiek – feitelijk
(bv. wanneer griet zegt tegen ons dat we iets moeten opschrijven dan doen wij dat)
Voorgesteld
(bv. je gaat naar een feestje en onrechtstreeks ga je bepaalde dingen niet aandoen omdat je
weet dat je vrienden dat niet mooi gaan vinden)
, Impliciet – onrechtstreeks
(bv. pijlen op de grond van ikea, iedereen wandelt in dezelfde richting en hetzelfde parcours,
je wordt scheef bekeken als je in de andere richting loopt)
Enkele aanvullingen op de definitie:
- Het gaat niet enkel over hoe wij beïnvloedt worden door anderen maar ook hoe wij
anderen beïnvloeden
- De beïnvloeding gebeurt niet altijd bewust – intentioneel
- Er wordt niet enkel gekeken naar de sociale gedragingen
De eigen invalshoek van de sociale psychologie
=Het bevindt zich op de snijlijn tussen sociologie en psychologie
Onderscheidt met sociologie:
- Sociologen hebben vooral oog voor de maatschappelijke kenmerken <--> psychologen
leggen de aandacht op het individu
o Bij sociaal psychologen ligt de focus op het gedrag van individuen maar ze kijken
wel of hun gedrag beïnvloedt kan worden door anderen
Eigen plaats binnen de psychologie:
- Ontwikkelingspsychologen gaan na hoe het gedrag in zijn verschillende aspecten
evolueert over de verschillende levensfasen
- Algemene psychologie kijkt vooral naar de basisprocessen van het gedrag
- Persoonlijkheidspsychologie kijkt vooral naar de innerlijke factoren die aan de basis
liggen van het gedrag
- Sociaalpsychologen zoeken verklaringen in externe factoren die op het individu werken
Enkele belangrijke evoluties zelfstudie
Kenmerken van bij het begin
Een sterke experimentele traditie:
- De beste toegangsweg om op een eenduidige manier aan te tonen welke factoren
invloed hebben op de fenomenen die de onderzoekers in kaart willen brengen
- Het geeft meer zekerheid de dingen die je wil observeren zelf uit te lokken
- Norman Triplett publiceerde het eerste sociaal-psychologische experiment
Nauwe band tussen theorie en praktijk:
- Tijdens de 2de WO waren er veel praktische problemen waar de sociaalpsychologen een
antwoord op moesten vinden
o Moreel van de troepen op peil te houden
o Ze te behoeden voor de propagandamachine van de vijand
o Burgervolk het best te mobiliseren
o Kurt Lewin veldtheorie die stelt dat gedrag van mensen afhankelijk is van hun
persoonlijkheid – karakter en de omgeving – situatie waarin ze zich bevinden
= de vader van de sociale psychologie
Latere aandachtspunten
Ethische aandachtspunten:
- Vele onderzoekers wilden ook de duistere kant van het menselijk gedrag onderzoeken dit
door ethisch betwistbare handelingen
- Er werd een deontologische code opgesteld waar de regels instonden waar onderzoekers
zich aan moesten houden
, Culturele verscheidenheid:
- Er werden vaak studenten gebruikt voor onderzoeken – maar konden ze deze resultaten
dan ook veralgemenen voor een metser of een advocaat…
- Replicatieonderzoek zorgt ervoor dat andere onderzoekers het exact zelfde onderzoek
kunnen doen op andere mensen om zo het resultaat te kunnen veralgemenen of
weerleggen
- Geert Hofstede maakte een verschil tussen individualistische cultuur en de
collectivistische cultuur
o IC = zijn mensen erg gesteld op onafhankelijkheid
o CC = meer gericht op de gemeenschap
Belang van biologische factoren:
- Het was lang een taboe om vanuit de sociale psychologie ook de biologische kant te
willen bekijken
- Aantal onderzoekers zijn zich gaan verdiepen in de evolutionaire betekenis van sommige
gedragingen evolutionaire psychologie
- Er is vanuit de neurowetenschappen ook meer interesse gekomen naar het sociale
sociale neuropsychologie
Inschakelen van nieuwe technologieën:
- Introductie van de computer – virtuele wereld te creëren voor experimenten
- Kameleoneffect = de onbewuste neiging om het gedrag van mensen waarmee we in
interactie staan na te bootsen
H2: groepsnormen – de groep als richtsnoer voor het
individu
Hoe normen ontstaan
Van bovenaf opgelegde normen
Verticale hiërarchie: een gestructureerde groep waarin een beperkt aantal leden heel veel macht
bezitten
- Kunnen normen vrij snel geconstrueerd worden
- Externe omstandigheden:
o Gaslek in de aula iemand krijgt bepaalde macht om iedereen te evacueren
Normen die spontaan ontstaan binnen de groep
Overleg en besluitvorming:
- Wanneer er binnen een groep samen wordt beslist
(bv. ouders die met kinderen bespreken voor een uur om thuis te komen)
Normen als product van sociale vergelijking:
- Bij mensen te rade gaan om te zien hoe zij zich gedragen in een bepaalde omgeving
- Dit gebeurt vaak open en onbewust
= sociale normering
Sociale normering: het geruisloos ontstaan van een gezamenlijke norm, die als richtsnoer dient voor
de individuele oordeelsvorming (Sherif)
Het experiment van Sherif
- Sherif plaatste verschillende personen in een donkere kamer met één enkel lichtpuntje
- Vervolgens vroeg hij de proefpersonen hoeveel het lichtpuntje was verschoven