Statistiek 1
2014-2015
,Het tentamen bevat 10 kennisopgaven, 10 inzichtopgaven en 10 rekenopgaven.
In dit oefententamen zitten voor iedere categorie (maar) 8 opgaven.
Bij iedere opgave staat een uitleg, waarom een antwoord wel of niet goed is.
Dit geldt ook voor alle rekenopgaven, die ik stapje voor stapje heb uitgewerkt.
Daarnaast heb ik ook extra rekenopgaven toegevoegd, ook deze zijn uitgewerkt.
Succes met je tentamen, je kunt het!!
, Kennisvragen:
1. Welke van de volgende vier rijtjes beschrijft de verzameling van statistische methoden het
beste?
a. Steekproeftrekken, betrouwbaarheidsintervallen, toetsen
b. Design, descriptie, generalisatie
c. Inductie, design, beschrijving
d. Interferentie, beschrijving, design
Steekproeftrekken is geen statistische methode. Betrouwbaarheidsintervallen en toetsen
zijn erg specifiek (dus is a niet juist). Generalisatie en descriptie is hetzelfde en er wordt
niet gesproken over inductie (dus is b niet juist). Inductie (inference, voorspellingen
maken voor de data), design (plannen hoe je data gaat verzamelen voor een onderzoek),
beschrijving (data samenvatten) zijn statistische methoden die algemeen zijn met wel
allemaal correct omdat ze gezamenlijk zorgen dat je data kunt verkrijgen en analyseren.
Interferentie is te specifiek (dus is d niet juist). Het goede antwoord is c.
2. Hoe kun je de modus het beste omschrijven?
a. Het zwaartepunten van een verdeling
b. De waarde waaronder 50% van de waarnemingen ligt
c. De waarde die het meeste voorkomt
d. De waarde met de grootste interval
De modus is de waarde die het meeste voorkomt. B is de middelste waarneming (de
mediaan), a kan alleen bij een bimodale verdeling (als er meer dan 1 zwaartepunt is) en d
is de IQR. Het juiste antwoord is dus c.
3. Een onderzoeker beschikt over twee categorische variabelen. Hij wil graag de relatie tussen
beide variabelen grafisch zichtbaar maken. Wat kan hij het beste maken?
a. Een bivariaat staafdiagram
b. Een scatterplot
c. Twee boxplots naast elkaar
d. Een zogenaamd taartdiagram
Een scatterplot en een (of meer) boxplot(s) zijn voor continue variabelen. Een
taartdiagram (evenals de boxplot) maakt geen relatie tussen variabelen zichtbaar en de
taartdiagram wordt eigenlijk bijna nooit gebruikt. De staafdiagram is voor categorische
variabelen, een bivariaat staafdiagram bevat twee variabelen en kan de relatie tussen
deze variabelen zichtbaar maken. Antwoord a is dus juist.
4. Welke van de hierna genoemde vier aannames hoort niet thuis in het rijtje aannames voor
het toetsen van een proportie.
a. Normale verdeling in de populatie
b. Aselect getrokken steekproef
c. Voldoende grote steekproef
d. Categorische variabele
De steekproef moet altijd groot genoeg zijn voor de toets (dus c is niet juist). Ook moet de
steekproef altijd aselect getrokken zijn (dus b is niet juist). Met een kwantitatieve variabele
kun je niet rekenen, dus moet je wel een categorische variabele hebben voor een toets (dus
d is niet juist). De populatie hoeft echter niet normaal verdeeld te zijn, dat kun je vaak ook
niet van te voren weten. Dus het juiste antwoord is a die hoort niet bij de aannames voor het
toetsen in een populatie thuis.