grondrechten, Ars Aequi tweede
druk
door
1roeland
De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Koop en Verkoop al je samenvattingen, aantekeningen, onderzoeken, scripties, collegedictaten, en
nog veel meer..
www.stuvia.com
, Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Uittreksel: A.J. Nieuwenhuis & A.W. Hins, Hoofdstukken Grondrechten, Nijmegen 2011.
Tweede druk
Hoofdstuk 1 Inleiding
Grondrechten kunnen omschreven worden als fundamentele rechtsnormen die de strekking
hebben het individu persoonlijke vrijheid en een menswaardig bestaan te verzekeren en die de
handelingsvrijheid van met name de overheid beperken. Dit is het geval bij de klassieke
vrijheidsrechten die de onthoudingsplicht van de overheid voorop stellen. Tegenwoordig staat
daar ook een positieve verplichting tegenover en zijn de sociale grondrechten tot ontwikkeling
gekomen. De grondrechten gelden in de eerste plaats in de relatie tussen burger en overheid,
maar kunnen ook betekenis hebben tussen burgers onderling.
Grondrechten zijn verbonden met de opkomst van de idee van de rechtsstaat. De rechtsstaat is
gebaseerd op vier pijlers. De eerste is dat ingrijpen van de overheid slechts mag geschieden op
grond van algemene regels. Dit beschermt tegen willekeur en bindt de overheid aan regels. Een
tweede pijler is de scheiding van de overheidsmachten. De wetgevende macht en de uitvoerende
macht mogen niet samenvallen. De derde pijler betreft dan de rechtsbescherming; iedere burger
moet de mogelijkheid hebben om het oordeel te vragen van een onafhankelijke rechter. Deze
regels kunnen er nog toe leiden dat de wetgevende macht de uitvoerende macht draconische
bevoegdheden toekent, terwijl de rechter de uitvoering daarvan niet anders dan in
overeenstemming met de wet kan beoordelen. Daarom is de vierde pijler cruciaal:
‘grondrechten’.
De term mensenrechten en grondrechten kunnen onderscheiden worden. De eerste term houdt
dan in ‘rechten die aan ieder mens toekomen of horen toe te komen’. Dit hoeft dus niet samen te
vallen met het geldend recht, terwijl grondrechten steeds deel uitmaken van geldend recht.
Grondrechten zijn te vinden in bepaalde bronnen. Dat zijn in de eerste plaats die internationale
verdragen, waarin een reeks van grondrechten zijn vastgelegd (bijv. IVBPR, IVESCR, EVRM).
Daarnaast bestaan er verdragen die zien op één specifiek grondrecht (bijv. IVURD). In de tweede
plaats kan gewezen worden op de jurisprudentie van internationaal-rechterlijke organen (bijv.
EHRM). Een derde rechtsbron is de nationale Grondwet, waarin in de loop der tijd een ruim
scala aan grondrechten een plaats hebben gekregen. Deze rechten zijn uitgewerkt, ten vierde, in
nationale wetgeving (bijv. AWGB, WBP). Hierin wordt de reikwijdte of gelding van een
grondrecht duidelijk. In de vijfde plaat is de jurisprudentie van de nationale rechter van belang.
Deze opsomming is niet limitatief, maar het zijn wel de bronnen waaraan de meeste betekenis
toekomt.
In het Nederlandse recht nemen internationaal en nationaal vastgelegde grondrechten een
steeds belangrijker plaats in. Dit komt in de eerste plaats door de toename van de werkingssfeer.
Het aantal grondrechten neemt toe en de interpretatie van bestaande grondrechten wordt
ruimer. In de tweede plaats bestaat er een tendens om aan beperkingen steeds hogere eisen te
stellen. Denk aan het politieke debat waarin (bijna) alles gezegd mag worden, omdat het belang
van de democratie op het spel staat. Dit conflicteert overigens met de beperkingen om
terrorisme te voorkomen. In de derde plaats wordt aan de grondrechten ook steeds vaker een
zekere werking in de relatie tussen burgers onderling toegekend. In de vierde plaats worden
klassieke grondrechten niet meer louter gezien als onthoudingsplichten van de overheid. Deze
, Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
onthoudingsplichten kunnen namelijk gekoppeld zijn aan zogeheten positieve verplichtingen. De
vrijheid van betoging kan meebrengen dat de overheid een tegendemonstratie in het gareel
houdt i.p.v. de demonstratie verbiedt. Voor de sociale grondrechten geldt van meet af aan dat zij
de overheid een zorgplicht opleggen. In de laatste plaats doet het internationale stelsel van
grondrechtsbescherming meer en meer haar invloed gelden binnen de nationale rechtsorde.
Veel klassieke grondrechtbepalingen zijn een ieder verbindend en hebben daarom voorrang in
onze rechtsorde (art. 94 GW). Bovendien is de Nederlandse rechter gebonden aan de
interpretatie van het EHRM van het EVRM. De uitleg van het IVBPR kan als richtsnoer dienen.
Hoofdstuk 2 Geschiedenis en achtergronden
2.1. Introductie
Grondrechten hebben niet altijd en overal bestaan. Pas in de 17e en 18e eeuw ontwikkelt zich de
idee dat het individu fundamentele rechten tegen de overheid hoort te kunnen doen gelden. Met
name de zogeheten contractstheorieën verdienen de aandacht. We zien in Nederland pas in de
19e en 20e eeuw een gestage uitbreiding van het aantal grondwettelijk vastgelegde
grondrechten.
2.2. Geschiedenis
2.2.1. Athene en de Griekse staatsleer
In de bloeitijd van de Atheense democratie (5e en 4e eeuw v. Chr.) bestaat er voor een relatief
kleine groep mannelijke inwoners een grote vrijheid om aan de politieke besluitvorming deel te
nemen. De idee van grondrechten is echter vreemd, want het individu ontleent zijn waarde in
belangrijke mate aan het gemeenschapsleven. De nadruk ligt op de vrijheid in de polis, niet op de
vrijheid in de privé-sfeer. Individuele rechten tegenover de politieke gemeenschap passen niet
goed in een dergelijke opvatting. De ideale staat dient volgen Plato bestuurd te worden door
filosofen-koningen, die kennis van de deugd bezitten. De staat heeft een opvoedende rol en de
controle strekt zich uit over vrijwel alle aspecten van het leven. Volgens Aristoteles moet de
politieke gemeenschap de mens juist houvast bieden om zijn natuurlijke aanleg te
verwezenlijken. Epicurus, levend ten tijde van de teloorgang van de stadsstaat, wijst erop dat de
bestemming van de mens buiten het publieke leven gezocht moet worden. De staat is de
beschouwen als een instituut dat de veiligheid dient te waarborgen. Vrijwel tegelijkertijd komt
de opvatting van de Stoïcijnen naar voren: de morele gelijkheid van ieder individu.
2.2.2. Christendom en Middeleeuwen
De christelijke leer gaat enerzijds uit dat alle mensen geschapen zijn naar het evenbeeld van God
en dat we in dat opzicht gelijkwaardig zijn. Bovendien moet ieder mens zich om zijn zielenheil
bekommeren en dus tussen goed en kwaad kiezen. Anderzijds wordt het gezag van de overheid
in de christelijke leer als van God gegeven beschouwd, zodat voor de onderdaan
gehoorzaamheid een eerste plicht vormt. Toen het christendom staatsgodsdienst werd, meende
Augustinus dat kerk en overheid samen dwang mogen uitoefenen ten behoeve van het zielenheil
van het individu. In de christelijke feodale orde is mede daarom geen plaats voor de idee van
grondrechten. De samenleving was hiërarchisch geordend en de plaats in de maatschappij werd
grotendeels door de stand bepaald. De natuurrechtsleer van Thomas van Aquino kan als een
verdediging van deze middeleeuwse orde worden beschouwd. Deze leer beperkt wel de