16 Competenties
16.1 Bekwaamheidseisen.
Het ministerie van Onderwijs heeft in samenwerking met de Stichting Beroepskwaliteit Leraren en
ander onderwijspersoneel (SBL) in 2006 in de Wet op beroepen in het onderwijs vastgelegd dat
leraren en onderwijsondersteuners moeten voldoen aan bekwaamheidseisen. Deze eisen geven aan
wat de kenmerken zijn van een goede leraar en vormen de basis voor de opleiding en de
professionele ontwikkeling.
16.1.1 Zeven bekwaamheidseisen
1. Interpersoonlijk competent. De leerkracht kan op een goede en persoonlijke manier met zijn
leerlingen omgaan en leidinggeven waar nodig. Hij zorgt voor een open communicatieve sfeer en
prettig leef- en werkklimaat.
2. Pedagogisch competent. De leerkracht geeft de leerlingen het gevoel dat ze welkom zijn,
gewaardeerd worden en erbij horen. Hij daagt ze uit verantwoordelijkheid voor elkaar te nemen,
initiatief tonen en zelfstandig werken.
3. Vakinhoudelijk en didactisch competent. De leerkracht zorgt voor een krachtige leeromgeving. Hij
weet de leerlingen te motiveren en leert ze te leren met en van elkaar. De leerinhouden stemt hij af
op de mogelijkheden van de leerlingen. Hij houdt daarbij rekening met de kerndoelen, leerlijnen en
referentieniveau voor het po.
4. Organisatorisch competent. De leerkracht zorgt voor een overzichtelijke, ordelijke en taakgerichte
sfeer in de groep. De leerlingen weten daardoor waar ze aan toe zijn en wat er van ze wordt
verwacht. Ze weten wat ze moeten doen en hoe ze dat moeten doen.
5. Competent in samenwerken met collega’s. De leerkracht kan goed samenwerken en
communiceren en levert een constructieve bijdrage aan vergaderingen en ander overleg in de school.
Op die manier draagt hij bij aan de ontwikkeling en verbetering van de school.
6. Competent in samenwerken met de omgeving. De leerkracht onderhoudt niet alleen goede
contacten met zijn leerlingen, maar ook met de ouders en mensen van buiten de school die verder
nog met de leerlingen te maken hebben.
7. Competent in reflectie en ontwikkeling. In alles wat hij doet denkt de leerkracht na over zijn eigen
handelen. Hij weet wat ij in zijn vak belangrijk vindt. Hij heeft een goed beeld van zijn eigen
competenties en werkt planmatig aan zijn eigen ontwikkeling.
De school dient als werkgever een bekwaamheidsdossier bij te houden van iedere leerkracht. Het
dossier beschrijft de bekwaamheden van de leerkracht en geeft bovendien aan hoe diegene deze
bekwaamheden onderhoudt. Van alle betrokkenen in het onderwijs wordt verwacht dat ze de
ontwikkeling van hun competenties waarborgen. Een schooldirectie biedt daartoe mogelijkheden als
het volgen van cursussen.
16.1.2 Concrete invullen van de competenties
Wanneer je aan je competenties gaan werken, zullen de gegeven omschrijvingen je weinig steun
bieden, ze zijn te globaal. De SBL ziet het overzicht van de competenties vooral als een
referentiekader van waaruit de kenmerken van goed onderwijs vertaald kunnen worden naar de
verantwoordelijkheden van de leraar. De SBL heeft instrumenten ontwikkeld waarmee leraren en
16.1 Bekwaamheidseisen.
Het ministerie van Onderwijs heeft in samenwerking met de Stichting Beroepskwaliteit Leraren en
ander onderwijspersoneel (SBL) in 2006 in de Wet op beroepen in het onderwijs vastgelegd dat
leraren en onderwijsondersteuners moeten voldoen aan bekwaamheidseisen. Deze eisen geven aan
wat de kenmerken zijn van een goede leraar en vormen de basis voor de opleiding en de
professionele ontwikkeling.
16.1.1 Zeven bekwaamheidseisen
1. Interpersoonlijk competent. De leerkracht kan op een goede en persoonlijke manier met zijn
leerlingen omgaan en leidinggeven waar nodig. Hij zorgt voor een open communicatieve sfeer en
prettig leef- en werkklimaat.
2. Pedagogisch competent. De leerkracht geeft de leerlingen het gevoel dat ze welkom zijn,
gewaardeerd worden en erbij horen. Hij daagt ze uit verantwoordelijkheid voor elkaar te nemen,
initiatief tonen en zelfstandig werken.
3. Vakinhoudelijk en didactisch competent. De leerkracht zorgt voor een krachtige leeromgeving. Hij
weet de leerlingen te motiveren en leert ze te leren met en van elkaar. De leerinhouden stemt hij af
op de mogelijkheden van de leerlingen. Hij houdt daarbij rekening met de kerndoelen, leerlijnen en
referentieniveau voor het po.
4. Organisatorisch competent. De leerkracht zorgt voor een overzichtelijke, ordelijke en taakgerichte
sfeer in de groep. De leerlingen weten daardoor waar ze aan toe zijn en wat er van ze wordt
verwacht. Ze weten wat ze moeten doen en hoe ze dat moeten doen.
5. Competent in samenwerken met collega’s. De leerkracht kan goed samenwerken en
communiceren en levert een constructieve bijdrage aan vergaderingen en ander overleg in de school.
Op die manier draagt hij bij aan de ontwikkeling en verbetering van de school.
6. Competent in samenwerken met de omgeving. De leerkracht onderhoudt niet alleen goede
contacten met zijn leerlingen, maar ook met de ouders en mensen van buiten de school die verder
nog met de leerlingen te maken hebben.
7. Competent in reflectie en ontwikkeling. In alles wat hij doet denkt de leerkracht na over zijn eigen
handelen. Hij weet wat ij in zijn vak belangrijk vindt. Hij heeft een goed beeld van zijn eigen
competenties en werkt planmatig aan zijn eigen ontwikkeling.
De school dient als werkgever een bekwaamheidsdossier bij te houden van iedere leerkracht. Het
dossier beschrijft de bekwaamheden van de leerkracht en geeft bovendien aan hoe diegene deze
bekwaamheden onderhoudt. Van alle betrokkenen in het onderwijs wordt verwacht dat ze de
ontwikkeling van hun competenties waarborgen. Een schooldirectie biedt daartoe mogelijkheden als
het volgen van cursussen.
16.1.2 Concrete invullen van de competenties
Wanneer je aan je competenties gaan werken, zullen de gegeven omschrijvingen je weinig steun
bieden, ze zijn te globaal. De SBL ziet het overzicht van de competenties vooral als een
referentiekader van waaruit de kenmerken van goed onderwijs vertaald kunnen worden naar de
verantwoordelijkheden van de leraar. De SBL heeft instrumenten ontwikkeld waarmee leraren en