Probleem 10: Suikerziekte door omgeving en gedachten?
Probleemstelling: Wat is diabetes?
Welke verklaringen zijn er voor diabetes?
1. Wat is diabetes? (Verschil tussen I &II, diagnose, symptomen)
Diabetes type 1 en type 2
Diabetes heet ook wel suikerziekte en de officiële naam is diabetes mellitus. Bij diabetes
kan het lichaam de bloedsuiker niet meer goed op peil houden. Normaal regelt het
lichaam de bloedsuikerspiegel heel precies, met het hormoon insuline. Mensen met
diabetes maken zelf geen insuline meer, of hun lichaam reageert niet meer op de
insuline. Dat hangt af van de soort diabetes. De twee belangrijkste soorten diabetes zijn
type 1 en type 2:
Type 1 Type 2
Het lichaam maakt zelf helemaal geen Het lichaam maakt te weinig insuline aan.
insuline meer aan.
Het afweersysteem maakt per ongeluk de Het lichaam reageert niet meer goed op
cellen die insuline aanmaken kapot. insuline (ongevoeligheid voor insuline).
Een paar keer per dag insuline inspuiten, Medicijnen, voedings- en
of een insulinepomp dragen. bewegingsadviezen. Soms moet ook
insuline gespoten worden.
Jeugddiabetes Ouderdomsdiabetes (komt ook bij jongere
voor)
1 op de 10 mensen heeft type 1 9 op de 10 mensen heeft type 2
Zwangerschapsdiabetes
Zwangerschapsdiabetes of zwangerschapssuiker is een tijdelijke diabetes die meteen na
de bevalling over gaat. Het medische woord is diabetes gravidarum. Tijdens een
zwangerschap maakt het lichaam andere hormonen aan die ervoor zorgen dat het
lichaam tijdelijk minder goed reageert op insuline (het hormoon dat de bloedsuiker
regelt). Tijdens een normale zwangerschap maakt het lichaam extra insuline aan, zodat
er toch genoeg insuline is om de bloedsuiker op peil te houden. Bij
zwangerschapsdiabetes gebeurt die niet of niet genoeg. Daardoor blijft te veel suiker in
het bloed zitten. Voor zwangerschapsdiabetes is het goed om een behandeling te krijgen.
Diagnose
De diagnose diabetes is eenvoudig te stellen. De huisarts neem bloed af uit de vinger en
meet met een bloedglucosemeter hoe hoog de suikerspiegel is. Als de suikerspiegel
hoger dan 11 mmol/l (millimol per liter) is, wordt er een tweede test gedaan. Bij deze
meting mag je 8 uur voor de test niet eten of drinken. Als de glucosewaarde hoger is dan
6 mmol/l kan de diagnose diabetes gesteld worden.
Om de diagnose diabetes te kunnen stellen, onderzoekt de huisarts hoeveel glucose er in
het bloed zit. De hoeveelheid glucose in het bloed wordt vastgesteld op een nuchtere
maag (8 uur voor de test niet eten) of 2 uur na het drinken van suikerwater
(belastingtest of orale glucosetolerantietest (OGTT)). Na het drinken van suikerwater
wordt gekeken hoe snel dat door het lichaam wordt verwerkt. Als de nuchtere
glucosewaarde sterk verhoogd is of wanneer de waarde van de belastingtest verhoogd is,
kan de diagnose diabetes gesteld worden.
Om zwangerschapsdiabetes te diagnosticeren wordt ook een belastingtest gebruikt. Deze
moet uitgevoerd worden tussen 24 en 28 weken zwangerschapsduur.
,Symptomen
Symptomen type 1:
Veel dorst
Veel plassen
Afvallen zonder dat daar een reden voor is
Ziek en beroerd voelen
Veel honger, of juist helemaal niet
Wazig zien
Misselijk zijn of overgeven
Symptomen type 2:
Veel dorst
Veel plassen
Vaak moe zijn
Last van ogen; rode en branderige ogen, wazig zien, dubbel zien of slecht zien
Slecht genezende wondjes
Kortademigheid
Pijn in de benen bij het lopen
Infecties die vaak terugkomen, zoals blaasontsteking
Hypo en hyper
Bij diabetes kun je een hyper of een hypo krijgen. Als de bloedsuikerspiegel lager dan
4mmol/l is, heb je een hypo. Kenmerken:
Zweten
Trillen
Duizeligheid
Plotseling wisselend humeur (opeens boos worden bijvoorbeeld)
Ongeconcentreerd zijn
Hoofdpijn
Moe
Hongerig
Hartkloppingen
Wazig zien
Tintelingen in de handen
Het bloedsuikergehalte kan omhoog gebracht worden druivensuiker, limonade met veel
suiker en daarna een boterham. Als iemand bewusteloos is, wordt glucose of glucagon
ingespoten. Glucagon doet het tegenovergestelde van insuline; het zorgt ervoor dat de
bloedsuiker omhoog gaat.
Als de bloedsuikerspiegel hoger dan 10 mmol/l, heb je een hyper/hyperglykemie.
Kenmerken:
Veel plassen
Veel dorst hebben
Vermoeidheid
Plotseling extreme humeurigheid
Gevoel van algehele malaise
Op de lange termijn kunnen je nieren niet meer werken of je kan blind worden.
Het bloedsuikergehalte kan omlaag gebracht worden door veel te drinken, maar niets
zoets. Het lichaam wil het teveel aan suiker in het bloed namelijk kwijtraken.
, 2. Wat is de prevalentie van diabetes?
Prevalentie 1 januari 2011; 834.100 mensen, waarvan 415.900 mannen en 418.200
vrouwen.
Incidentie 2011; 52.700, waarvan 28.900 mannen en 23.800 vrouwen.
Veel mensen zijn niet gediagnosticeerd.
3. Wat zijn de oorzaken van diabetes? (sociaal/ medisch)
Oorzaak diabetes type 1
Bij diabetes type 1 maakt de alvleesklier geen insuline meer aan. De oorzaak van
diabetes type 1 is nog niet bekend. Mogelijk spelen virussen, milieufactoren en voeding
een rol. Ook lijkt er een beperkte rol te zijn voor erfelijkheid.
Oorzaak diabetes type 2
Bij diabetes type 2 maakt de alvleesklier te weinig insuline aan of de alvleesklier maakt
wel voldoende insuline aan, maar deze kan zijn werk niet goed doen. In veel gevallen is
overgewicht de oorzaak. Voeding en beweging spelen daarbij een rol. Ook is er
waarschijnlijk een erfelijke component. Risicofactoren voor het ontwikkelen van diabetes
type 2 zijn, naast een erfelijke aanleg en ernstig overgewicht: een ongunstige
vetverdeling, weinig lichaamsbeweging, roken, ongezond eten en ouder worden.
4. Wat zijn de determinanten van gedrag? En hoe leiden deze tot diabetes?
Biopsychologische determinanten
Sommige mensen hebben genetisch en biologisch meer aanleg om overgewicht te krijgen
of om verslavingsgedrag te vertonen. Ook zijn er evolutionaire factoren aan te wijzen die
ons gedrag mogelijk kunnen beïnvloeden. Zo is het evolutionair verklaarbaar dat de
meeste mensen niet geneigd zijn om veel te bewegen als het niet nodig is.
Proximale, distale en ultieme determinanten
Binnen determinantenonderzoek wordt een onderscheid gemaakt tussen:
Proximale determinanten zijn determinanten die heel dicht verbonden zijn aan het
onderzochte gedrag.
Distale determinanten staan wat verder van het gedrag af en hebben een meer
indirecte invloed op het onderzochte gedrag.
Ultieme variabelen staan op nog verdere afstand van het individu, maar kunnen
indirect toch via allerlei tussenliggende processen het gedrag beïnvloeden.
Gedragsintentie
Met gedragsintentie bedoelen we de mate waarin iemand van plan is om een bepaald
gedrag uit te voeren. De gedragsintentie is vaak een resultante van verschillende andere
proximale en distale determinanten. Pas wanneer er voldoende determinanten zijn die
positief gerelateerd zijn aan een gedrag, zullen mensen de intentie hebben om dat
gedrag uit te voeren.
Attitude, uitkomstverwachtingen
Attitude is de houding van mensen ten aanzien van onderwerpen (attitudeobjecten) of
gedrag. Een attitudeobject kan een onderwerp zijn, maar ook een gedrag. Attitudes
geven mede richting aan gedrag, maar zijn niet gelijk aan gedrag. Attitudes over
gedragingen worden mede gevormd op basis van eerdere leerervaringen. Positieve
uitkomsten leiden tot positieve attitudes en negatieve uitkomsten leiden tot negatieve
attitudes.
Probleemstelling: Wat is diabetes?
Welke verklaringen zijn er voor diabetes?
1. Wat is diabetes? (Verschil tussen I &II, diagnose, symptomen)
Diabetes type 1 en type 2
Diabetes heet ook wel suikerziekte en de officiële naam is diabetes mellitus. Bij diabetes
kan het lichaam de bloedsuiker niet meer goed op peil houden. Normaal regelt het
lichaam de bloedsuikerspiegel heel precies, met het hormoon insuline. Mensen met
diabetes maken zelf geen insuline meer, of hun lichaam reageert niet meer op de
insuline. Dat hangt af van de soort diabetes. De twee belangrijkste soorten diabetes zijn
type 1 en type 2:
Type 1 Type 2
Het lichaam maakt zelf helemaal geen Het lichaam maakt te weinig insuline aan.
insuline meer aan.
Het afweersysteem maakt per ongeluk de Het lichaam reageert niet meer goed op
cellen die insuline aanmaken kapot. insuline (ongevoeligheid voor insuline).
Een paar keer per dag insuline inspuiten, Medicijnen, voedings- en
of een insulinepomp dragen. bewegingsadviezen. Soms moet ook
insuline gespoten worden.
Jeugddiabetes Ouderdomsdiabetes (komt ook bij jongere
voor)
1 op de 10 mensen heeft type 1 9 op de 10 mensen heeft type 2
Zwangerschapsdiabetes
Zwangerschapsdiabetes of zwangerschapssuiker is een tijdelijke diabetes die meteen na
de bevalling over gaat. Het medische woord is diabetes gravidarum. Tijdens een
zwangerschap maakt het lichaam andere hormonen aan die ervoor zorgen dat het
lichaam tijdelijk minder goed reageert op insuline (het hormoon dat de bloedsuiker
regelt). Tijdens een normale zwangerschap maakt het lichaam extra insuline aan, zodat
er toch genoeg insuline is om de bloedsuiker op peil te houden. Bij
zwangerschapsdiabetes gebeurt die niet of niet genoeg. Daardoor blijft te veel suiker in
het bloed zitten. Voor zwangerschapsdiabetes is het goed om een behandeling te krijgen.
Diagnose
De diagnose diabetes is eenvoudig te stellen. De huisarts neem bloed af uit de vinger en
meet met een bloedglucosemeter hoe hoog de suikerspiegel is. Als de suikerspiegel
hoger dan 11 mmol/l (millimol per liter) is, wordt er een tweede test gedaan. Bij deze
meting mag je 8 uur voor de test niet eten of drinken. Als de glucosewaarde hoger is dan
6 mmol/l kan de diagnose diabetes gesteld worden.
Om de diagnose diabetes te kunnen stellen, onderzoekt de huisarts hoeveel glucose er in
het bloed zit. De hoeveelheid glucose in het bloed wordt vastgesteld op een nuchtere
maag (8 uur voor de test niet eten) of 2 uur na het drinken van suikerwater
(belastingtest of orale glucosetolerantietest (OGTT)). Na het drinken van suikerwater
wordt gekeken hoe snel dat door het lichaam wordt verwerkt. Als de nuchtere
glucosewaarde sterk verhoogd is of wanneer de waarde van de belastingtest verhoogd is,
kan de diagnose diabetes gesteld worden.
Om zwangerschapsdiabetes te diagnosticeren wordt ook een belastingtest gebruikt. Deze
moet uitgevoerd worden tussen 24 en 28 weken zwangerschapsduur.
,Symptomen
Symptomen type 1:
Veel dorst
Veel plassen
Afvallen zonder dat daar een reden voor is
Ziek en beroerd voelen
Veel honger, of juist helemaal niet
Wazig zien
Misselijk zijn of overgeven
Symptomen type 2:
Veel dorst
Veel plassen
Vaak moe zijn
Last van ogen; rode en branderige ogen, wazig zien, dubbel zien of slecht zien
Slecht genezende wondjes
Kortademigheid
Pijn in de benen bij het lopen
Infecties die vaak terugkomen, zoals blaasontsteking
Hypo en hyper
Bij diabetes kun je een hyper of een hypo krijgen. Als de bloedsuikerspiegel lager dan
4mmol/l is, heb je een hypo. Kenmerken:
Zweten
Trillen
Duizeligheid
Plotseling wisselend humeur (opeens boos worden bijvoorbeeld)
Ongeconcentreerd zijn
Hoofdpijn
Moe
Hongerig
Hartkloppingen
Wazig zien
Tintelingen in de handen
Het bloedsuikergehalte kan omhoog gebracht worden druivensuiker, limonade met veel
suiker en daarna een boterham. Als iemand bewusteloos is, wordt glucose of glucagon
ingespoten. Glucagon doet het tegenovergestelde van insuline; het zorgt ervoor dat de
bloedsuiker omhoog gaat.
Als de bloedsuikerspiegel hoger dan 10 mmol/l, heb je een hyper/hyperglykemie.
Kenmerken:
Veel plassen
Veel dorst hebben
Vermoeidheid
Plotseling extreme humeurigheid
Gevoel van algehele malaise
Op de lange termijn kunnen je nieren niet meer werken of je kan blind worden.
Het bloedsuikergehalte kan omlaag gebracht worden door veel te drinken, maar niets
zoets. Het lichaam wil het teveel aan suiker in het bloed namelijk kwijtraken.
, 2. Wat is de prevalentie van diabetes?
Prevalentie 1 januari 2011; 834.100 mensen, waarvan 415.900 mannen en 418.200
vrouwen.
Incidentie 2011; 52.700, waarvan 28.900 mannen en 23.800 vrouwen.
Veel mensen zijn niet gediagnosticeerd.
3. Wat zijn de oorzaken van diabetes? (sociaal/ medisch)
Oorzaak diabetes type 1
Bij diabetes type 1 maakt de alvleesklier geen insuline meer aan. De oorzaak van
diabetes type 1 is nog niet bekend. Mogelijk spelen virussen, milieufactoren en voeding
een rol. Ook lijkt er een beperkte rol te zijn voor erfelijkheid.
Oorzaak diabetes type 2
Bij diabetes type 2 maakt de alvleesklier te weinig insuline aan of de alvleesklier maakt
wel voldoende insuline aan, maar deze kan zijn werk niet goed doen. In veel gevallen is
overgewicht de oorzaak. Voeding en beweging spelen daarbij een rol. Ook is er
waarschijnlijk een erfelijke component. Risicofactoren voor het ontwikkelen van diabetes
type 2 zijn, naast een erfelijke aanleg en ernstig overgewicht: een ongunstige
vetverdeling, weinig lichaamsbeweging, roken, ongezond eten en ouder worden.
4. Wat zijn de determinanten van gedrag? En hoe leiden deze tot diabetes?
Biopsychologische determinanten
Sommige mensen hebben genetisch en biologisch meer aanleg om overgewicht te krijgen
of om verslavingsgedrag te vertonen. Ook zijn er evolutionaire factoren aan te wijzen die
ons gedrag mogelijk kunnen beïnvloeden. Zo is het evolutionair verklaarbaar dat de
meeste mensen niet geneigd zijn om veel te bewegen als het niet nodig is.
Proximale, distale en ultieme determinanten
Binnen determinantenonderzoek wordt een onderscheid gemaakt tussen:
Proximale determinanten zijn determinanten die heel dicht verbonden zijn aan het
onderzochte gedrag.
Distale determinanten staan wat verder van het gedrag af en hebben een meer
indirecte invloed op het onderzochte gedrag.
Ultieme variabelen staan op nog verdere afstand van het individu, maar kunnen
indirect toch via allerlei tussenliggende processen het gedrag beïnvloeden.
Gedragsintentie
Met gedragsintentie bedoelen we de mate waarin iemand van plan is om een bepaald
gedrag uit te voeren. De gedragsintentie is vaak een resultante van verschillende andere
proximale en distale determinanten. Pas wanneer er voldoende determinanten zijn die
positief gerelateerd zijn aan een gedrag, zullen mensen de intentie hebben om dat
gedrag uit te voeren.
Attitude, uitkomstverwachtingen
Attitude is de houding van mensen ten aanzien van onderwerpen (attitudeobjecten) of
gedrag. Een attitudeobject kan een onderwerp zijn, maar ook een gedrag. Attitudes
geven mede richting aan gedrag, maar zijn niet gelijk aan gedrag. Attitudes over
gedragingen worden mede gevormd op basis van eerdere leerervaringen. Positieve
uitkomsten leiden tot positieve attitudes en negatieve uitkomsten leiden tot negatieve
attitudes.