Sociologie voor gezondheidszorg en verpleegkunde
Hoofdstuk 2 – Mensen zijn op elkaar gericht: interactie
2.1 Interactie
Interactie: het gedrag van mensen ten opzichte van elkaar in onderlinge wisselwerking. Het gedrag
van de een leidt tot een reactie van de ander. Die reactie is gebaseerd op een interpretatie ofwel een
subjectieve definitie van de situatie.
2.2 Identiteit
Identiteit: wil zeggen dat de wijze waarop iemand zichzelf ziet (zelfbeeld), komt tot stand via allerlei
interactieprocessen. Wat zullen groepsgenoten ervan zeggen? Wat zegt de media?
Met role-taking wordt bedoeld dat mensen zich in gedachten verplaatsen in de positie van anderen
met wie zij in contact komen. Role-taking is belangrijk voor de ontwikkeling van het zelfbeeld.
2.3 Collectieve definitie van de situatie
Collectieve betekenissen zijn situaties waarvan wij al geleerd hebben hoe wij die moeten definiëren.
Dat wij al veel interpretaties geleerd hebben, heeft met het begrip cultuur te maken. Interpretaties
zijn niet vast, veel zaken staan ter discussie.
2.4 Referentiekader
Referentiekader wil zeggen ‘het geheel van waarden, normen, overtuigingen en
vanzelfsprekendheden op grond waarvan de leden van een groepering oordelen en handelen’. Het
referentiekader registreert niet passief maar construeert actief.
Sensorische deprivatie: mensen verkeren in een situatie waarin zij in onvoldoende mate gevarieerde
zintuiglijke prikkels kunnen opdoen.
Sensorische over stimulatie: mensen krijgen te veel en te lang verschillende prikkels aangeboden.
Mensen maken vanuit hun referentiekader een selectie van alle prikkels, zij stellen zich selectief
open (selectief openstellen). Vervolgens zijn zij ook selectief in wat zij onthouden (selectief
onthouden), ze onthouden dat wat past bij hun referentiekader. Mensen nemen prikkels ook
selectief waar (selectief waarnemen). Bij het waarnemen vindt een selectie van die prikkels plaats,
omdat we ze nooit allemaal kunnen verwerken. Adaptie: we nemen constante prikkels op een
gegeven moment niet meer waar. Relativiteit: we nemen vooral veranderingen waar.
Sociale constructie: mensen bepalen samen wat zij normaal en abnormaal vinden.
Attributietheorie: mensen proberen bij het waarnemen altijd te verklaren. Als men iets waarneemt
probeert men dat gedrag te begrijpen door het toe te schrijven aan specifieke oorzaken.
Fundamentele distributiefout: de rol van de persoon wordt overschat en de rol van de omgeving
wordt onderschat. Interne factoren (karakter/persoonlijke verantwoordelijkheid) worden dus eerder
als oorzaak gezien dan externe factoren (ongelijke kansen/ongelukkige omstandigheden).
2.5 Etikettering en stigmatisering
Etikettering en stigmatisering: wanneer je in het dagelijkse leven iemand voor het eerst ontmoet ga
je af op je eerste indruk. We hebben de neiging anderen in te delen in categorieën. We plakken dus
een etiket op iemand.
Stigma: brandmerk, zeer negatief etiket. Groffman onderscheidt drie soorten stigmata:
- lichamelijke gebreken en afwijkingen: huidaandoeningen, amputaties
,- als onbewust beschouwde karakter trekken: psychische stoornis, homoseksualiteit, verslaving
- collectieve stigmata: het behoren tot een bepaald ras, volk of religie
Het opmerkelijke aan stigmatisering is dat maar 1 bepaald kenmerk van iemand wordt uitgelicht en
een enorme betekenis krijgt. Alle andere kenmerken en eigenschappen worden erdoor
overschaduwd en lijken bijna niet meer te bestaan.
Vooroordeel en stereotype: vooroordelen zorgen ervoor dat de werkelijkheid wordt vertekend.
Selffulfilling prophecy: een zichzelf waarmakende voorspelling. Duidt erop dat een subjectieve
definitie van de situatie zichzelf kan waarmaken. Een interpretatie waarbij een onjuiste definitie juist
wordt. Selfdestroying prophecy: wil zeggen dat men een juiste definitie van de situatie heeft
waarnaar men gaat handelen, waardoor de juiste definitie onjuist wordt. Pygmalion effect: het
oordeel dat men heeft over anderen, is sterk onderhevig aan opvattingen die men allang over hen
heeft.
Hoofdstuk 3 – Mensen worden door elkaar gevormd: cultuur
3.1 Cultuur
Subcultuur: groeperingen hebben vaak ook een bepaalde cultuur. Een subcultuur wil zeggen: een
cultuur die een aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft met de overkoepelende cultuur, maar
die ook een aantal eigen elementen heeft. Bij natuur gaat het om wat de mensen bij de geboorte
meekrijgen, de aangeboren eigenschappen, is moeilijk veranderbaar. Bij cultuur maken mensen zich
eigen via leer- en gewenningsprocessen.
Etnocentrisme: wanneer wij in de beoordeling van anderen onze eigen waarden en normen centraal
stellen. Cultural lag: wanneer verschillende cultuur elementen zich in een verschillend tempo
ontwikkelen waardoor problemen ontstaan. Jacques ellul: ‘Wat is uitgevonden, wordt gebruikt. Het
morele aspect telt niet.’ Disembedding: mensen worden als het ware uit hun traditionele omgeving
en relaties losgemaakt, loslaten van het vertrouwde en traditionele.
Cultuuroverdracht kan op verschillende manieren plaatsvinden:
- Van generatie op generatie, in een dynamische samenleving met snelle veranderingen gebeurt dit
vaak minder. Nieuwe generaties ontwikkelen vaak nieuwe cultuurpatronen, denk aan taal en mode.
- Van de ene geografische ruimte naar de ander. Mensen van het platteland nemen bv. cultuur over
doordat ze eerst een afspraak maken in plaats van dat ze zo achterom komen.
- Van de ene sociale categorie naar de ander. Gezonken cultuurgoederen: cultuur wordt vanuit een
hogere naar een lagere sociale klasse doorgegeven. Andersom heet dat gestegen cultuurgoed.
3.2 Waarden
Waarden: vrijheid, eerlijkheid, rechtvaardigheid. Waarden zijn abstracte begrippen.
Collectieve waarden: sociologen zijn vooral geïnteresseerd in welke waarden mensen in een
bepaalde groepering belangrijk vinden. Het zegt iets over de aard van de samenleving. Het beeld
bestaat dat in de westerse samenleving steeds meer nadruk is komen te liggen op waarden die met
ratio hebben te maken: kennis, intellect, efficiëntie en snelheid van handelen. Dat betekent dat
mensen die over deze zaken beschikken een grotere kans hebben op het bereiken van voorstaande
posities. Verschuivingen binnen de samenleving de afgelopen decennia: van geloof naar gezondheid,
van privacy en vrijheid naar veiligheid. Richtlijnen van katholieken:
- Kerkelijk leven: elke week naar de kerk, dagelijkse gebeden, elke maand biechten.
, - Persoonlijk leven: seksualiteit hoort gericht te zijn op voortplanting en kan alleen tussen een voor
de kerk getrouwde man en vrouw plaatsvinden.
- Sociaal-maatschappelijk leven: je hoort lid te zijn van een katholieke vereniging en je stemt op een
katholieke partij.
Vanaf de jaren 60 wordt het geloof steeds minder belangrijk en de gezondheid steeds belangrijker.
Secularisering: proces in de samenleving waarbij de godsdienst minder betekenis krijgt.
Hendonistische levenswijze: gewoon lol maken want je leeft maar één keer.
3.3 Normen
Normen (concretisering van waarden): min of meer bindende en min of meer uitgesproken
opvattingen over wat hoort en wat niet hoort. Universele normen: gelden voor iedereen in een
samenleving. Speciale normen: gelden voor leden van bepaalde groeperingen. Alternatieve normen:
normen naar keuze.
3.4 Afwijkend gedrag
Afwijkend of deviant gedrag: mensen wijken af van allerlei gedragsregels. Sociale controle: al
datgene wat mensen doen om elkaar tot het naleven van normen te brengen, ook wel sancties
genoemd. Formele sancties: sancties die vast liggen. Informele sancties: sancties die niet vast liggen.
Afwijkend gedrag is per definitie niet negatief het kan namelijk ook zorgen voor nieuwe regels zoals
veranderingen in de positie voor vrouwen.
3.5 Belang van waarden en normen
Bureaucratisering: er worden zoveel mogelijk situaties regels bedacht. Anarchie en het recht van de
sterkste: zo weinig mogelijk regels en iedereen doet wat hij zelf wilt. Continuüm: de denkbeeldige lijn
tussen deze twee (bureaucratisering en anarchie) uitersten.
3.6 Institutie en institutionalisering
Institutionalisering van gedrag: er ontstaan min of meer vaste patronen in het handelen. Bepaalde
gedragspatronen worden algemeen gangbaar. Ventielzeden: je mag je laten gaan en dingen doen die
je normaal niet doet. Dictatuur: sprake van hiërarchie. Democratie: burgers zijn in principe
gelijkwaardig en beslissen samen wie het land mag besturen.
3.7 Roltheorie
Rol: betreft de verwachtingen. Rolgedrag: is wat iemand in een bepaalde positie daadwerkelijk doet.
Rolattributen: wanneer je statussymbolen nodig hebt om een rol goed te kunnen vervullen.
Rolconflict: wanneer er tegenstrijdige verwachtingen bestaan, intern of extern. Intern rolconflict:
iemand wordt in 1 positie geconfronteerd met tegenstrijdige verwachtingen van anderen. Extern
rolconflict: iemand in verschillende posities krijgt te maken met tegenstrijdige verwachtingen.
3.8 Socialisatie
Socialisatie: het proces waarbij iemand zich in de omgang met anderen de waarden en normen van
allerlei groeperingen eigen maakt. Ontwikkelen van iemands persoonlijkheid. Primaire socialisatie:
algemene waarden en normen behouden, vindt plaats in het gezin en basisonderwijs. Secundaire
socialisatie: iemand heeft zich een aantal specifieke waarden en normen eigen gemaakt.
Internalisatie: niet meer door ander opgelegde waarden en normen maar het zijn ook de eigen
waarden en normen geworden. Twee belangrijke factoren die invloed zijn op het socialisatieproces:
Hoofdstuk 2 – Mensen zijn op elkaar gericht: interactie
2.1 Interactie
Interactie: het gedrag van mensen ten opzichte van elkaar in onderlinge wisselwerking. Het gedrag
van de een leidt tot een reactie van de ander. Die reactie is gebaseerd op een interpretatie ofwel een
subjectieve definitie van de situatie.
2.2 Identiteit
Identiteit: wil zeggen dat de wijze waarop iemand zichzelf ziet (zelfbeeld), komt tot stand via allerlei
interactieprocessen. Wat zullen groepsgenoten ervan zeggen? Wat zegt de media?
Met role-taking wordt bedoeld dat mensen zich in gedachten verplaatsen in de positie van anderen
met wie zij in contact komen. Role-taking is belangrijk voor de ontwikkeling van het zelfbeeld.
2.3 Collectieve definitie van de situatie
Collectieve betekenissen zijn situaties waarvan wij al geleerd hebben hoe wij die moeten definiëren.
Dat wij al veel interpretaties geleerd hebben, heeft met het begrip cultuur te maken. Interpretaties
zijn niet vast, veel zaken staan ter discussie.
2.4 Referentiekader
Referentiekader wil zeggen ‘het geheel van waarden, normen, overtuigingen en
vanzelfsprekendheden op grond waarvan de leden van een groepering oordelen en handelen’. Het
referentiekader registreert niet passief maar construeert actief.
Sensorische deprivatie: mensen verkeren in een situatie waarin zij in onvoldoende mate gevarieerde
zintuiglijke prikkels kunnen opdoen.
Sensorische over stimulatie: mensen krijgen te veel en te lang verschillende prikkels aangeboden.
Mensen maken vanuit hun referentiekader een selectie van alle prikkels, zij stellen zich selectief
open (selectief openstellen). Vervolgens zijn zij ook selectief in wat zij onthouden (selectief
onthouden), ze onthouden dat wat past bij hun referentiekader. Mensen nemen prikkels ook
selectief waar (selectief waarnemen). Bij het waarnemen vindt een selectie van die prikkels plaats,
omdat we ze nooit allemaal kunnen verwerken. Adaptie: we nemen constante prikkels op een
gegeven moment niet meer waar. Relativiteit: we nemen vooral veranderingen waar.
Sociale constructie: mensen bepalen samen wat zij normaal en abnormaal vinden.
Attributietheorie: mensen proberen bij het waarnemen altijd te verklaren. Als men iets waarneemt
probeert men dat gedrag te begrijpen door het toe te schrijven aan specifieke oorzaken.
Fundamentele distributiefout: de rol van de persoon wordt overschat en de rol van de omgeving
wordt onderschat. Interne factoren (karakter/persoonlijke verantwoordelijkheid) worden dus eerder
als oorzaak gezien dan externe factoren (ongelijke kansen/ongelukkige omstandigheden).
2.5 Etikettering en stigmatisering
Etikettering en stigmatisering: wanneer je in het dagelijkse leven iemand voor het eerst ontmoet ga
je af op je eerste indruk. We hebben de neiging anderen in te delen in categorieën. We plakken dus
een etiket op iemand.
Stigma: brandmerk, zeer negatief etiket. Groffman onderscheidt drie soorten stigmata:
- lichamelijke gebreken en afwijkingen: huidaandoeningen, amputaties
,- als onbewust beschouwde karakter trekken: psychische stoornis, homoseksualiteit, verslaving
- collectieve stigmata: het behoren tot een bepaald ras, volk of religie
Het opmerkelijke aan stigmatisering is dat maar 1 bepaald kenmerk van iemand wordt uitgelicht en
een enorme betekenis krijgt. Alle andere kenmerken en eigenschappen worden erdoor
overschaduwd en lijken bijna niet meer te bestaan.
Vooroordeel en stereotype: vooroordelen zorgen ervoor dat de werkelijkheid wordt vertekend.
Selffulfilling prophecy: een zichzelf waarmakende voorspelling. Duidt erop dat een subjectieve
definitie van de situatie zichzelf kan waarmaken. Een interpretatie waarbij een onjuiste definitie juist
wordt. Selfdestroying prophecy: wil zeggen dat men een juiste definitie van de situatie heeft
waarnaar men gaat handelen, waardoor de juiste definitie onjuist wordt. Pygmalion effect: het
oordeel dat men heeft over anderen, is sterk onderhevig aan opvattingen die men allang over hen
heeft.
Hoofdstuk 3 – Mensen worden door elkaar gevormd: cultuur
3.1 Cultuur
Subcultuur: groeperingen hebben vaak ook een bepaalde cultuur. Een subcultuur wil zeggen: een
cultuur die een aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft met de overkoepelende cultuur, maar
die ook een aantal eigen elementen heeft. Bij natuur gaat het om wat de mensen bij de geboorte
meekrijgen, de aangeboren eigenschappen, is moeilijk veranderbaar. Bij cultuur maken mensen zich
eigen via leer- en gewenningsprocessen.
Etnocentrisme: wanneer wij in de beoordeling van anderen onze eigen waarden en normen centraal
stellen. Cultural lag: wanneer verschillende cultuur elementen zich in een verschillend tempo
ontwikkelen waardoor problemen ontstaan. Jacques ellul: ‘Wat is uitgevonden, wordt gebruikt. Het
morele aspect telt niet.’ Disembedding: mensen worden als het ware uit hun traditionele omgeving
en relaties losgemaakt, loslaten van het vertrouwde en traditionele.
Cultuuroverdracht kan op verschillende manieren plaatsvinden:
- Van generatie op generatie, in een dynamische samenleving met snelle veranderingen gebeurt dit
vaak minder. Nieuwe generaties ontwikkelen vaak nieuwe cultuurpatronen, denk aan taal en mode.
- Van de ene geografische ruimte naar de ander. Mensen van het platteland nemen bv. cultuur over
doordat ze eerst een afspraak maken in plaats van dat ze zo achterom komen.
- Van de ene sociale categorie naar de ander. Gezonken cultuurgoederen: cultuur wordt vanuit een
hogere naar een lagere sociale klasse doorgegeven. Andersom heet dat gestegen cultuurgoed.
3.2 Waarden
Waarden: vrijheid, eerlijkheid, rechtvaardigheid. Waarden zijn abstracte begrippen.
Collectieve waarden: sociologen zijn vooral geïnteresseerd in welke waarden mensen in een
bepaalde groepering belangrijk vinden. Het zegt iets over de aard van de samenleving. Het beeld
bestaat dat in de westerse samenleving steeds meer nadruk is komen te liggen op waarden die met
ratio hebben te maken: kennis, intellect, efficiëntie en snelheid van handelen. Dat betekent dat
mensen die over deze zaken beschikken een grotere kans hebben op het bereiken van voorstaande
posities. Verschuivingen binnen de samenleving de afgelopen decennia: van geloof naar gezondheid,
van privacy en vrijheid naar veiligheid. Richtlijnen van katholieken:
- Kerkelijk leven: elke week naar de kerk, dagelijkse gebeden, elke maand biechten.
, - Persoonlijk leven: seksualiteit hoort gericht te zijn op voortplanting en kan alleen tussen een voor
de kerk getrouwde man en vrouw plaatsvinden.
- Sociaal-maatschappelijk leven: je hoort lid te zijn van een katholieke vereniging en je stemt op een
katholieke partij.
Vanaf de jaren 60 wordt het geloof steeds minder belangrijk en de gezondheid steeds belangrijker.
Secularisering: proces in de samenleving waarbij de godsdienst minder betekenis krijgt.
Hendonistische levenswijze: gewoon lol maken want je leeft maar één keer.
3.3 Normen
Normen (concretisering van waarden): min of meer bindende en min of meer uitgesproken
opvattingen over wat hoort en wat niet hoort. Universele normen: gelden voor iedereen in een
samenleving. Speciale normen: gelden voor leden van bepaalde groeperingen. Alternatieve normen:
normen naar keuze.
3.4 Afwijkend gedrag
Afwijkend of deviant gedrag: mensen wijken af van allerlei gedragsregels. Sociale controle: al
datgene wat mensen doen om elkaar tot het naleven van normen te brengen, ook wel sancties
genoemd. Formele sancties: sancties die vast liggen. Informele sancties: sancties die niet vast liggen.
Afwijkend gedrag is per definitie niet negatief het kan namelijk ook zorgen voor nieuwe regels zoals
veranderingen in de positie voor vrouwen.
3.5 Belang van waarden en normen
Bureaucratisering: er worden zoveel mogelijk situaties regels bedacht. Anarchie en het recht van de
sterkste: zo weinig mogelijk regels en iedereen doet wat hij zelf wilt. Continuüm: de denkbeeldige lijn
tussen deze twee (bureaucratisering en anarchie) uitersten.
3.6 Institutie en institutionalisering
Institutionalisering van gedrag: er ontstaan min of meer vaste patronen in het handelen. Bepaalde
gedragspatronen worden algemeen gangbaar. Ventielzeden: je mag je laten gaan en dingen doen die
je normaal niet doet. Dictatuur: sprake van hiërarchie. Democratie: burgers zijn in principe
gelijkwaardig en beslissen samen wie het land mag besturen.
3.7 Roltheorie
Rol: betreft de verwachtingen. Rolgedrag: is wat iemand in een bepaalde positie daadwerkelijk doet.
Rolattributen: wanneer je statussymbolen nodig hebt om een rol goed te kunnen vervullen.
Rolconflict: wanneer er tegenstrijdige verwachtingen bestaan, intern of extern. Intern rolconflict:
iemand wordt in 1 positie geconfronteerd met tegenstrijdige verwachtingen van anderen. Extern
rolconflict: iemand in verschillende posities krijgt te maken met tegenstrijdige verwachtingen.
3.8 Socialisatie
Socialisatie: het proces waarbij iemand zich in de omgang met anderen de waarden en normen van
allerlei groeperingen eigen maakt. Ontwikkelen van iemands persoonlijkheid. Primaire socialisatie:
algemene waarden en normen behouden, vindt plaats in het gezin en basisonderwijs. Secundaire
socialisatie: iemand heeft zich een aantal specifieke waarden en normen eigen gemaakt.
Internalisatie: niet meer door ander opgelegde waarden en normen maar het zijn ook de eigen
waarden en normen geworden. Twee belangrijke factoren die invloed zijn op het socialisatieproces: