Samenvatting communicatiekunde
Hoofdstuk 1.
Inhoud – wat je zegt
Betrekking – hoe je het zegt
Signaal: tekens die een ‘beeld’ afgeven. VB: waar rook is, is vuur. Rook is een signaal.
Symbolen – tekens met een betekenis, deze betekenis hangt af van de gemaakte afspraak erover.
Empatisch vermogen – in te voelen wat anderen bedoelen / waar anderen mee bezig zijn.
Metacommunicatie (communicatie over de communicatie, gebaren / houding, geeft aan hoe de
boodschap bedoeld is, zorgt ervoor dat boodschap goed geïnterpreteerd wordt, non-verbale
communicatie).
Semiologie:
1. De syntaxis (volgorde, structuur, VB: keo/koe)
2. De semantiek (betekenis woord)
- denotatieve betekenis: betekenis woord volgens het woordenboek
- connotatieve betekenis: persoonlijke betekenis van een woord
3. De pragmatiek (gevolgen van gebruik van het woord, hoe reageert iemand erop als dit woord
tegen hem of haar wordt gezegd)
Instructies om communicatie toe te passen heten: modellen
2 modellen: (boodschap, relatie)
ZBMO (zender, boodschap, middel, ontvanger) model – boodschappen overbrengen
Zender codeert een boodschap, brengt openbaar door een middel, ontvanger decodeert de
boodschap
Ruis – als een boodschap anders wordt opgevangen dan hoe hij ‘verzonden’ is (kan door
verschillende factoren)
Twee ingenieurs (Shannon en Weaver)
Miscommunicaties kunnen ontstaan omdat zender en ontvanger boodschappen uitwisselen uit een
ander referentiekader (geheel van onze normen en waarden en ervaringen)
Semantische strategie – ontvanger codeert boodschappen over op een manier waarvan hij zeker
weet dat de ontvanger het juist decodeert
Communicatiedriehoek – onderhouden van relaties
Wederzijds proces – met elkaar communiceren
Communicatiedriehoek zorgt meer voor beïnvloeding, houdingsvorming en gedragsverandering dan
het ZBMO model. (onderlinge gesprekken werken beter dan een zender die boodschappen
overbrengt aan ontvanger)
ABx-model (in een driehoek) – A en B tegelijkertijd zender en ontvanger (x is onderwerp)
ABx-model – plattegrond voor 4 communicatieprocessen
1. Transmissie (verzorgen van een juiste verzending van een boodschap)
2. Transactie (de ontvanger staat open voor communicatie / boodschap)
3. Convergentie (partijen groeien naar elkaar toe, onderlinge relaties, doelstellingen worden behaald
,op een manier waarop de andere partij ook tevreden is)
4. Co-oriëntatie (meningen van beide partijen over het onderwerp, wederzijds begrip)
Divergeren – zender en ontvanger groeien van elkaar af
Eenzijdige communicatie – communicatie die van een zender afkomt waar een ontvanger niet
meteen / tegelijkertijd op kan reageren (folders, spam, advertenties in de krant)
Tweezijdige communicatie – communicatie waarbij zender en ontvanger boodschappen naar elkaar
versturen waarop zij dus wel meteen / tegelijkertijd op kunnen reageren (telefoongesprekken, msn,
chatten, appen)
Grunig: (tweezijdige communicatie opdelen in twee categorieën)
1. Symmetrische communicatie – beide partijen gelijkwaardige positie, proberen elkaar te
begrijpen, hebben allebei hun eigen inbreng
2. Asymmetrische communicatie – partijen praten wel met elkaar maar 1 van de twee partijen
heeft als uiteindelijk doel de ander te overtuigen zonder zelf te hoeven veranderen (inhoud
eenzijdig)
5 vormen van praten:
1. Gesprek (meest open van karakter, moeder van alle communicatiemodellen)
2. Discussie (open, symmetrisch, ontwikkelen van meningen/ gedachten over een bepaald
onderwerp, gezamenlijk einddoel)
3. Debat (publiek aanwezig, deelnemers hebben gelijkwaardige posities, geen gezamenlijk
einddoel, doel van elke partij is winnen)
4. Discours (openbare discussie, massa media, lange termijn, iedereen kan eraan meedoen
door bijvoorbeeld een artikel, boek enz. te publiceren, daar wordt weer op gereageerd)
5. Dialoog (wederzijds begrip, onderling communiceren over motieven, normen en waarden)
Hoofdstuk 2.
Niveaus van communicatie:
1. Één persoon - innerlijk gesprek. (externe communicatie wordt geïnterpreteerd en vertaald
naar het innerlijk gesprek (gesprek dat je onbewust met jezelf hebt)
De behoeftepiramide van Maslow
“ons gedrag wordt bepaald door behoeften”
1. (onderste laag van piramide, belangrijkste laag) fysiologische behoeften / primaire behoeften.
(eten, drinken, aandacht)
2. Behoefte aan veiligheid. Bescherming, beschutting, veiligheid. (Kleding, dak boven hoofd, geen
oorlog)
3. Behoefte aan sociale aanvaarding. (bij een groep horen, geaccepteerd worden)
4. Behoefte aan waardering / erkenning. (belonen, laten weten dat iemand gewenst is)
5. Zelfontplooiing (geen erkenning meer nodig, voldoening krijgen uit eigen leven door andere
mensen te helpen/ erkenning te geven)
, Schutz
1. Behoefte aan aandacht
2. Behoefte aan genegenheid
3. Behoefte aan invloed (doelstellingen behalen / iets willen bereiken) (communiceren door debat,
dialoog, discussies)
2. Twee personen - interpersoonlijke communicatie
(betrekkingsniveau, inhoudelijk niveau) (non-verbale communicatie = metacommunicatie)
3. Groep – groepsdynamica (invloedrijk persoon binnen een groep kan veel invloed hebben op
het gedrag van andere personen in de groep)
Remmerswaal onderscheidt 5 niveaus van communicatie in een groep
* Inhoud (resultaat / doel dat bereikt moet worden ) (dingen die besproken worden zijn bijvoorbeeld:
taken, zichtbare problemen, resultaten)
* Procedure (besluitvorming, kiezen vergaderstructuur, tijdbesteding, onzichtbare interventies =
bijvoorbeeld: de sfeer, hulpmiddelen, voorbereiding)
* Interactie (verdeeld in assen, aan de ene kant het ene uiterste aan de andere kant het andere
uiterste: veel invloed – weinig invloed, als er 1 iemand de baas speelt gaan andere mensen dan
mee?)
* Individu (zelfbeeld wordt ontwikkeld, door communicatie in een groep kan dit zelfbeeld bijgesteld
worden, indentiteit = werkelijke beeld van organisatie, imgao = beeld van buitenstaanders van
organisatie)
* Omgeving
4. Samenleving – maatschappelijk gesprek
5. Media – massacommunicatie
Cognities – kennis, overtuiging, normen en waarden
Cognitieve dissonantie – gedrag en cognities komen niet overeen.
Macht van de media:
One-step-flow theorie – in 1 stap heeft de media grote invloed op individuen. Mensen hebben
geen mening en laten zich beïnvloeden.
1. Injectienaaldtheorie
2. Magic bullettheorie
Komt niet overeen met de werkelijkheid.
Two-step-flow-theorie – informatie komt terecht bij opinieleiders (actieve mediagebruikers), zij
brengen de boodschap uit de media over aan mensen die dit medium niet actief gebruiken.
Opinieleiders hebben op deze manier invloed op mensen die niet actief met de media bezig zijn.
Multi-step-flow theorie – groep mensen komt in aanraking met informatie, deze wordt
overgebracht aan andere groepen mensenm.
Adoptiecyclus Rogers
Innovators (vernieuwers) – willen graag vernieuwen, zijn altijd op zoek naar nieuwe dingen.
Hoofdstuk 1.
Inhoud – wat je zegt
Betrekking – hoe je het zegt
Signaal: tekens die een ‘beeld’ afgeven. VB: waar rook is, is vuur. Rook is een signaal.
Symbolen – tekens met een betekenis, deze betekenis hangt af van de gemaakte afspraak erover.
Empatisch vermogen – in te voelen wat anderen bedoelen / waar anderen mee bezig zijn.
Metacommunicatie (communicatie over de communicatie, gebaren / houding, geeft aan hoe de
boodschap bedoeld is, zorgt ervoor dat boodschap goed geïnterpreteerd wordt, non-verbale
communicatie).
Semiologie:
1. De syntaxis (volgorde, structuur, VB: keo/koe)
2. De semantiek (betekenis woord)
- denotatieve betekenis: betekenis woord volgens het woordenboek
- connotatieve betekenis: persoonlijke betekenis van een woord
3. De pragmatiek (gevolgen van gebruik van het woord, hoe reageert iemand erop als dit woord
tegen hem of haar wordt gezegd)
Instructies om communicatie toe te passen heten: modellen
2 modellen: (boodschap, relatie)
ZBMO (zender, boodschap, middel, ontvanger) model – boodschappen overbrengen
Zender codeert een boodschap, brengt openbaar door een middel, ontvanger decodeert de
boodschap
Ruis – als een boodschap anders wordt opgevangen dan hoe hij ‘verzonden’ is (kan door
verschillende factoren)
Twee ingenieurs (Shannon en Weaver)
Miscommunicaties kunnen ontstaan omdat zender en ontvanger boodschappen uitwisselen uit een
ander referentiekader (geheel van onze normen en waarden en ervaringen)
Semantische strategie – ontvanger codeert boodschappen over op een manier waarvan hij zeker
weet dat de ontvanger het juist decodeert
Communicatiedriehoek – onderhouden van relaties
Wederzijds proces – met elkaar communiceren
Communicatiedriehoek zorgt meer voor beïnvloeding, houdingsvorming en gedragsverandering dan
het ZBMO model. (onderlinge gesprekken werken beter dan een zender die boodschappen
overbrengt aan ontvanger)
ABx-model (in een driehoek) – A en B tegelijkertijd zender en ontvanger (x is onderwerp)
ABx-model – plattegrond voor 4 communicatieprocessen
1. Transmissie (verzorgen van een juiste verzending van een boodschap)
2. Transactie (de ontvanger staat open voor communicatie / boodschap)
3. Convergentie (partijen groeien naar elkaar toe, onderlinge relaties, doelstellingen worden behaald
,op een manier waarop de andere partij ook tevreden is)
4. Co-oriëntatie (meningen van beide partijen over het onderwerp, wederzijds begrip)
Divergeren – zender en ontvanger groeien van elkaar af
Eenzijdige communicatie – communicatie die van een zender afkomt waar een ontvanger niet
meteen / tegelijkertijd op kan reageren (folders, spam, advertenties in de krant)
Tweezijdige communicatie – communicatie waarbij zender en ontvanger boodschappen naar elkaar
versturen waarop zij dus wel meteen / tegelijkertijd op kunnen reageren (telefoongesprekken, msn,
chatten, appen)
Grunig: (tweezijdige communicatie opdelen in twee categorieën)
1. Symmetrische communicatie – beide partijen gelijkwaardige positie, proberen elkaar te
begrijpen, hebben allebei hun eigen inbreng
2. Asymmetrische communicatie – partijen praten wel met elkaar maar 1 van de twee partijen
heeft als uiteindelijk doel de ander te overtuigen zonder zelf te hoeven veranderen (inhoud
eenzijdig)
5 vormen van praten:
1. Gesprek (meest open van karakter, moeder van alle communicatiemodellen)
2. Discussie (open, symmetrisch, ontwikkelen van meningen/ gedachten over een bepaald
onderwerp, gezamenlijk einddoel)
3. Debat (publiek aanwezig, deelnemers hebben gelijkwaardige posities, geen gezamenlijk
einddoel, doel van elke partij is winnen)
4. Discours (openbare discussie, massa media, lange termijn, iedereen kan eraan meedoen
door bijvoorbeeld een artikel, boek enz. te publiceren, daar wordt weer op gereageerd)
5. Dialoog (wederzijds begrip, onderling communiceren over motieven, normen en waarden)
Hoofdstuk 2.
Niveaus van communicatie:
1. Één persoon - innerlijk gesprek. (externe communicatie wordt geïnterpreteerd en vertaald
naar het innerlijk gesprek (gesprek dat je onbewust met jezelf hebt)
De behoeftepiramide van Maslow
“ons gedrag wordt bepaald door behoeften”
1. (onderste laag van piramide, belangrijkste laag) fysiologische behoeften / primaire behoeften.
(eten, drinken, aandacht)
2. Behoefte aan veiligheid. Bescherming, beschutting, veiligheid. (Kleding, dak boven hoofd, geen
oorlog)
3. Behoefte aan sociale aanvaarding. (bij een groep horen, geaccepteerd worden)
4. Behoefte aan waardering / erkenning. (belonen, laten weten dat iemand gewenst is)
5. Zelfontplooiing (geen erkenning meer nodig, voldoening krijgen uit eigen leven door andere
mensen te helpen/ erkenning te geven)
, Schutz
1. Behoefte aan aandacht
2. Behoefte aan genegenheid
3. Behoefte aan invloed (doelstellingen behalen / iets willen bereiken) (communiceren door debat,
dialoog, discussies)
2. Twee personen - interpersoonlijke communicatie
(betrekkingsniveau, inhoudelijk niveau) (non-verbale communicatie = metacommunicatie)
3. Groep – groepsdynamica (invloedrijk persoon binnen een groep kan veel invloed hebben op
het gedrag van andere personen in de groep)
Remmerswaal onderscheidt 5 niveaus van communicatie in een groep
* Inhoud (resultaat / doel dat bereikt moet worden ) (dingen die besproken worden zijn bijvoorbeeld:
taken, zichtbare problemen, resultaten)
* Procedure (besluitvorming, kiezen vergaderstructuur, tijdbesteding, onzichtbare interventies =
bijvoorbeeld: de sfeer, hulpmiddelen, voorbereiding)
* Interactie (verdeeld in assen, aan de ene kant het ene uiterste aan de andere kant het andere
uiterste: veel invloed – weinig invloed, als er 1 iemand de baas speelt gaan andere mensen dan
mee?)
* Individu (zelfbeeld wordt ontwikkeld, door communicatie in een groep kan dit zelfbeeld bijgesteld
worden, indentiteit = werkelijke beeld van organisatie, imgao = beeld van buitenstaanders van
organisatie)
* Omgeving
4. Samenleving – maatschappelijk gesprek
5. Media – massacommunicatie
Cognities – kennis, overtuiging, normen en waarden
Cognitieve dissonantie – gedrag en cognities komen niet overeen.
Macht van de media:
One-step-flow theorie – in 1 stap heeft de media grote invloed op individuen. Mensen hebben
geen mening en laten zich beïnvloeden.
1. Injectienaaldtheorie
2. Magic bullettheorie
Komt niet overeen met de werkelijkheid.
Two-step-flow-theorie – informatie komt terecht bij opinieleiders (actieve mediagebruikers), zij
brengen de boodschap uit de media over aan mensen die dit medium niet actief gebruiken.
Opinieleiders hebben op deze manier invloed op mensen die niet actief met de media bezig zijn.
Multi-step-flow theorie – groep mensen komt in aanraking met informatie, deze wordt
overgebracht aan andere groepen mensenm.
Adoptiecyclus Rogers
Innovators (vernieuwers) – willen graag vernieuwen, zijn altijd op zoek naar nieuwe dingen.