Opdracht werkgroep week 1 - De levenslange gevangenisstraf
Opdracht
Formuleer op basis van de studiestof een probleemstelling voor een paperopdracht over de
levenslange gevangenisstraf.
Probleemstelling: "Is de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf in Nederland, met
betrekking tot de mogelijkheid tot invrijheidstelling, in overeenstemming met art. 3 van het EVRM?"
Vragen
1. Op grond waarvan komt de Vierde Kamer van het EHRM in haar beslissing van 17 januari
2012 tot het oordeel dat er geen sprake is van een schending van artikel 3 EVRM?
De levenslange gevangenisstraf is niet onverkortbaar, er bestaat een mogelijkheid tot gratie.
Vanaf paragraaf 83. Vanaf paragraaf 87, stelt de kamer 2 eisen. Aangetoond dat voortzetting
van detentie niet langer gerechtvaardigd is met een doel. Art. 2 onder b gratiewet. Het moet
ook verkortbaar zijn > wettelijk en in de praktijk. Geen strijd met art. 3 EVRM.
Minimum aantal jaren dat iemand moet uitgezeten moet hebben > tarrive. Vergeldende
deel. Als die tarrive op 20 jaar is gesteld, kan na die periode worden gekeken of iemand
langer moet worden vastgehouden. Op grond van beveiliging.
2. Op welk punt verschillen de drie dissenting judges van de Vierde Kamer van het EHRM van de
meerderheid?
3. Welke eisen stelt het EHRM aan de levenslange gevangenisstraf in het licht van artikel 3
EVRM?
De levenslange gevangenisstraf heeft twee vereisten:
Eerste eis: de straf moet verkortbaar zijn.
Tweede eis: prospect of release moet aanwezig zijn. Er moet een vooruitzicht zijn of je gratie
krijgt of niet. Dat staat in ro. 109 arrest Vinter. Ro. 110: er zijn een aantal reden waarom bij
een levenslange straf ook possibility of review moet zijn. Dat is in ro. 110 uitgewerkt. De
vraag is, is gratie voldoende of moet er een rechtelijke toetsing komen? Het is niet aan het
Europese hof om voor te schrijven hoe een staat zijn herzieningsprocedure moet vormgeven.
4. Op welk moment moet volgens het EHRM de mogelijkheid van een review van de
levenslange gevangenisstraf bestaan?
Vanaf het moment dat de straf wordt opgelegd. R.o. 122 met name. Waarom moet dat op
dat moment al bestaan? Dan heeft de veroordeelde meteen een perspectief, je voldoet
meteen aan art. 3 EVRM. R.o. 122 arrest.
5. Hoe beoordeelt u de argumenten die het Hof aandraagt waarom er perspectief op
invrijheidstelling en een mogelijkheid van review aan levenslang gestraften moeten worden
geboden?
Er moet een legitiem strafdoel zijn, en die kunnen met de tijd veranderen.
1
Opdracht
Formuleer op basis van de studiestof een probleemstelling voor een paperopdracht over de
levenslange gevangenisstraf.
Probleemstelling: "Is de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf in Nederland, met
betrekking tot de mogelijkheid tot invrijheidstelling, in overeenstemming met art. 3 van het EVRM?"
Vragen
1. Op grond waarvan komt de Vierde Kamer van het EHRM in haar beslissing van 17 januari
2012 tot het oordeel dat er geen sprake is van een schending van artikel 3 EVRM?
De levenslange gevangenisstraf is niet onverkortbaar, er bestaat een mogelijkheid tot gratie.
Vanaf paragraaf 83. Vanaf paragraaf 87, stelt de kamer 2 eisen. Aangetoond dat voortzetting
van detentie niet langer gerechtvaardigd is met een doel. Art. 2 onder b gratiewet. Het moet
ook verkortbaar zijn > wettelijk en in de praktijk. Geen strijd met art. 3 EVRM.
Minimum aantal jaren dat iemand moet uitgezeten moet hebben > tarrive. Vergeldende
deel. Als die tarrive op 20 jaar is gesteld, kan na die periode worden gekeken of iemand
langer moet worden vastgehouden. Op grond van beveiliging.
2. Op welk punt verschillen de drie dissenting judges van de Vierde Kamer van het EHRM van de
meerderheid?
3. Welke eisen stelt het EHRM aan de levenslange gevangenisstraf in het licht van artikel 3
EVRM?
De levenslange gevangenisstraf heeft twee vereisten:
Eerste eis: de straf moet verkortbaar zijn.
Tweede eis: prospect of release moet aanwezig zijn. Er moet een vooruitzicht zijn of je gratie
krijgt of niet. Dat staat in ro. 109 arrest Vinter. Ro. 110: er zijn een aantal reden waarom bij
een levenslange straf ook possibility of review moet zijn. Dat is in ro. 110 uitgewerkt. De
vraag is, is gratie voldoende of moet er een rechtelijke toetsing komen? Het is niet aan het
Europese hof om voor te schrijven hoe een staat zijn herzieningsprocedure moet vormgeven.
4. Op welk moment moet volgens het EHRM de mogelijkheid van een review van de
levenslange gevangenisstraf bestaan?
Vanaf het moment dat de straf wordt opgelegd. R.o. 122 met name. Waarom moet dat op
dat moment al bestaan? Dan heeft de veroordeelde meteen een perspectief, je voldoet
meteen aan art. 3 EVRM. R.o. 122 arrest.
5. Hoe beoordeelt u de argumenten die het Hof aandraagt waarom er perspectief op
invrijheidstelling en een mogelijkheid van review aan levenslang gestraften moeten worden
geboden?
Er moet een legitiem strafdoel zijn, en die kunnen met de tijd veranderen.
1