Ethische en juridische kwesties – Jeugd en recht
1. Ter oriëntering
1.2 Begripsaanduiding
Het jeugdrecht omvat alle wettelijke bepalingen met betrekking tot minderjarigen, hun juridische
relatie met hun ouders en hun positie in de maatschappij. Justitiële jeugdbescherming is die vorm
van hulpverlening aan minderjarigen die berust op een rechterlijke uitspraak. De kinderwetten die
hierop betrekking hebben heten ook wel het jeugdbeschermingsrecht. Jeugdhulpverlening is alle
activiteiten gericht op het voorkomen, verminderen of opheffen van problemen of stoornissen bij
kinderen en jongeren die hun ontwikkeling ongunstig kunnen beïnvloeden. Dit beslaat slechts een
gedeelte van de totale jeugdwelzijnszorg. Jeugdzorg betekent volgens de wet ‘ondersteuning van en
hulp aan jeugdigen, hun ouders, stiefouders of anderen, bij opgroei- en opvoedingsproblemen of
dreigende zodanige problemen’. (denk aan psychosociale hulpverlening, justitiële jeugdbescherming,
jeugd-ggz, hulp aan jongeren in een instelling).
1.3 Historisch overzicht
De jeugdzorg vindt zijn oorsprong in de armenzorg en bijzondere zorg voor jongeren. Eerst was er
vooral materiële hulpverlening en later ook opvang van verwaarloosde en verweesde kinderen. Na
een tijdje kreeg de overheid een grote taak in de zorg. De kinderzorg was eerst voornamelijk gericht
op bewaking, arbeid en afzondering, maar in de 19e eeuw ging het van kinderzorg naar
hulpverlening. Er kwamenvernieuwingen in gestichtsopvoeding: verblijf in inrichtingen ging zich
richten op opvoeding, opleiding en maatschappelijke vorming. Eind 19e eeuw kreeg de hulpverlening
tot slot een wettelijk kader.
De kinderwetten van 1901 hielden ingrijpende wijzigingen in het Burgerlijk Wetboek in: in plaats van
vaderlijke macht werd het nu ouderlijke macht. Ook in het strafrecht vonden wijzigingen plaats:
vooral de rechtsgang en de sancties werden aangepast aan de jeugdige leeftijd.
In 1905 werden de kinderwetten van 1901 ingevoerd. In de loop der jaren zijn een aantal
wetswijzigingen gekomen: in 1921 (ondertoezichtstelling en de kinderrechter); in 1947 (meer
invloed van de overheid); in 1956 (voogdijraden gereorganiseerd en een nieuwe naam: Raden voor
de Kinderbescherming); in 1965 (nieuw kinderstrafrecht en kinderstrafprocesrecht). Het Europees
Verdrag van 1950 tot bescherming van de rechten van de mens had ook grote invloed. In 1989 werd
de Wet op de jeugdhulpverlening ingevoerd en in 1995 kwam er herziening van het jeugdstrafrecht.
Ook na 1995 zijn er steeds verdergaande vernieuwingen. Zo zijn er nieuwe regelingen van
ondertoezichtstelling, naamrecht, afstamming, ouderschap, voogdij, etc. Ook in het jeugdstrafrecht
zijn belangrijke veranderingen zoals taakstraffen; verplichte bijwoning terechtzitting, plaatsing in een
jeugdinrichting; vrijheidsbeperkende maatregel en het adolescentenrecht. De Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen in 2001 brengt een nieuwe regeling van de rechtspositie van jongeren in
inrichtingen en ook vindt dan een gewijzigde definitie van het huwelijk plaats: mensen van hetzelfde
geslacht mogen nu ook trouwen. Sinds 2005 neemt de Wet op jeugdzorg de plaats in van de wet op
jeugdhulpverlening, waarin de aanspraak, toegang en bekostiging van jeugdzorg is geregeld. Ook
komen er sinds 2008 steeds betere regelingen voor adoptie met in 2012 de inwerkingtreding
Europees Adoptieverdrag. Verder richt het kabinet al een aantal jaren aandacht op de aanpak van
jeugdcriminaliteit met een actieprogramma, wijziging van de Wet op jeugdzorg (2008), de
Kinderombudsman, de verbeterde positie van pleegouders en een voorziene totstandkoming van een
Jeugdwet (2015). Ook is in 2011 het Haags Kinderbeschermingsverdrag van kracht geworden.
1
,Ethische en juridische kwesties – Jeugd en recht
Al vanaf het begin is kinderzorg een particuliere aangelegenheid en nog steeds komt veelal eerst
particulier initiatief en daarna de overheid. In de jaren ’60 kwam er twijfel over de waarde van
kinderbeschermingsmaatregelen en ontstond alternatieve hulpverlening. Er was toen snelle afname
van het aantal jongeren onder een jeugdbeschermingsmaatregel. Vanaf toen was de organisatie van
de jeugdhulpverlening een uitgebreid punt van aandacht. In 1971 verscheen de nota Wiersma die de
justitiële jeugdbescherming als speciale vorm van bijzondere jeugdzorg formuleert. De overheid stelt
in 1974 de Gemengde interdepartementale werkgroep jeugdwelzijnsbeleid (GIWJ) in, onderverdeeld
in een werkgroep residentiële voorzieningen (IWRV) en een werkgroep ambulante en preventieve
voorzieningen (IWAPV). Hun voorstelen zijn het startpunt van de Wet op de jeugdhulpverlening
(decentralisatie van de bevoegdheden) en de Wet op de jeugdzorg (ondersteuning van en hulp aan
jeugdigen, (stief)ouders en anderen die een jeugdige opvoeden). Sinds 1984 zijn er ook verscheidene
regeringsnota’s verschenen voor het verbeteren van de maatschappelijke positie van jongeren.
Dankzij de Maatschappij tot Nut van het Algemeen kwamen er initiatieven tot samenwerking op het
terrein van de kinderbescherming in 1899. Door de verzuiling bleef de beleidsbepalende functie
beperkt. In 1982 kwamen voorstellen voor herstructurering van landelijke organisaties en werd het
Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (NIZW) opgericht. Met de Wet op de jeugdzorg kwam er
meer decentralisatie, maar ook meer inhoudelijke samenwerking tussen de Bureaus Jeugdzorg. De
regionale Bureaus Vertrouwensartsen werden omgevormd tot Advies- en Meldpunt
Kindermishandeling (AMK’s) met een landelijk dekkend netwerk.
2. Plaats van de jongere in het Nederlandse recht
2.1 Inleiding
De plaats van de jongere in het Nederlandse recht wordt vooral bepaald door regels, opgenomen in
de kinderrechten die Nederland in 1995 heeft geratificeerd.
2.2 Afstamming
Afstamming is de betrekking tussen ouders en kinderen ontstaan door de bloedbanden. De
biologische ouders zijn niet altijd de juridische ouders. Wensouders kunnen alleen via adoptie
juridische ouders worden. Ook als het kind niet door de vader verwerkt is krijgt het familierechtelijke
betrekkingen tot beide partners uit het huwelijk. Als ‘de vader’ de vader niet is kunnen beide (ex-
)echtgenoten en het kind een verzoek van ontkenning van het vaderschap indienen. Een erkenning is
de verklaring van een man dat hij het kind als het zijne erkent. Erkenning moet echter altijd door de
moeder en het kind indien 12 jaar of ouder goedgekeurd worden en het geeft de vader geen gezag
over het kind. Onder speciale omstandigheden kan de rechtbank de erkenning vernietigen. Als
iemand zijn of haar kind niet wil erkennen kan de rechter ouderschap opleggen. Er ontstaan dan een
wederzijdse onderhoudsplicht en erfrechtelijke aanspraken. De moeder kan ook een
vaderschapsactie starten om onderhoudsbijdrage te eisen van de verwekker zonder
familierechtelijke betrekkingen. Een laatste afstammingsvorm is adoptie (het aannemen van
kinderen): een juridische bevestiging van een bestaande relatie tussen pleegouders en kind.
2.3 Minderjarigheid
De Nederlandse wet maakt onderscheid tussen meerderjarigheid en minderjarigheid.
Minderjarigheid begint bij de geboorte en geldt voor de meeste gevallen onder de achttien. Ouders
of voogd zijn dan verantwoordelijk en kinderen zijn niet volledig zelfstandig voor het recht. Verder
zijn ouders aansprakelijk voor onrechtmatige daden van kinderen onder de 14 en mijn minderjarigen
alleen handelingsbekwaam indien zij handelen met toestemming van hun ouders of voogd.
Uitzondering op de handelingsonbekwaamheid is de handlichting: de jongere wordt dan alleen
2
, Ethische en juridische kwesties – Jeugd en recht
‘meerderjarig’ voor zaken waarvoor de handlichting is verleend, in alle andere opzichten is hij
minderjarig. Vanaf 16 kunnen minderjarigen een testament maken en werken. Ongehuwde moeders
van 16 en 17 kunnen een verzoek tot meerderjarigheid indienen.
2.4 Gezag
Het gezag over minderjarigen wordt vrijwel altijd uitgeoefend door de ouders. Met betrekking tot
hoe opvoeding moet gebeuren zegt de wet weinig, behalve dat het plicht en recht is van ouders om
hun minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Het slaan van kinderen is niet toegestaan. Naast
ouderlijk gezag is ook voogdij een vorm van gezag over minderjarigen.
Ouderlijk gezag kan onder meer uitgeoefend worden vanuit huwelijk of geregistreerd
partnerschap. Als ouders het niet met elkaar eens zijn kan dit aan de kinderrechter
voorgelegd worden. Gehuwde ouders oefenen gezamenlijk ouderlijk gezag uit, ongehuwde
ouders moeten hier samen om vragen bij de rechtbank. Als het gezag bij één ouder ligt kan
de rechter dit op verzoek omzetten in gezamenlijk gezag met iemand anders dan de ouder.
Als iemand anders dan ouders het gezag krijgt verandert ouderlijk gezag in voogdij. Als 1
ouder het gezag heeft noemen we dit eenoudergezag. Zowel de moeder als de vader kan de
rechter om het gezag vragen. Dit wordt alleen toegewezen als het in het belang van het kind
is. Als beide ouders het gezag hebben en één overlijdt krijgt de ander alleen het gezag. Als de
moeder minderjarig is, kan zijn een verzoek van minderjarig naar meerderjarig indienen.
Indien nodig kan de rechter gezagsvoorzieningen treffen. Verder moeten de ouders naar
draagkracht voorzien in de kosten van de verzorging en opvoeding. Zij moeten zich houden
aan hun rechten en plichten. Zo is er de leerplicht en het blokkaderecht als kinderen meer
dan een jaar in een pleeggezin zitte.
Voogdij is het gezag over een minderjarige door meerderjarigen die geen ouder van het kind
zijn. Er zijn dan geen familierechtelijke betrekkingen. Er zijn twee soorten voogdij: door de
rechter opgelegd of testamentair. Niet iedereen kan voogd worden: men moet meerderjarig
zijn, niet onder curatele staan en geen psychiatrische stoornis hebben. Bij testamentaire
voogdij benoemt niet de rechter maar de ouder de voord. Dit is de macht van het
testament. Datieve voogdij is wel door de rechter opgelegde voogdij. De voogd hoeft het
kind niet zelf te verzorgen. De plicht van de voogd is om te zorgen dat de minderjarige in
overeenstemming met diens vermogen wordt verzorgd en opgevoed. Ook vertegenwoordigt
hij de minderjarige in burgerlijke handelingen. Een bijzondere vorm van voogdij is tijdelijke
voogdij. De uitoefening van de gewone voogdij is dan geschorst. Er is een rechterlijke
beslissing nodig om tijdelijke voogdij stop te zetten.
2.5 Woonplaats
De woonplaats is de plaats waar iemand voor de uitoefening van zijn rechten en plichten altijd
aanwezig moet zijn (ook juridisch). Die is afhankelijk van de woonplaats van de ouders. Het recht van
ouders betekent ook dat zij weglopers door de politie terug kunnen laten brengen. Hulpverlening
aan minderjarigen is strafbaar, tenzij je ouders en kinderbescherming zsm op de hoogte stelt.
2.6 Alimentatie
Alimentatie is het bijdragen in de kosten van levensonderhoud. Die onderhoudsverplichting is
wederzijds. In de huidige ‘welvaartsstaat’ heeft de overheid een groot deel van die taken al
overgenomen. Kinderen en jongeren moeten onderhouden worden, vooral in financieel opzicht.
3
1. Ter oriëntering
1.2 Begripsaanduiding
Het jeugdrecht omvat alle wettelijke bepalingen met betrekking tot minderjarigen, hun juridische
relatie met hun ouders en hun positie in de maatschappij. Justitiële jeugdbescherming is die vorm
van hulpverlening aan minderjarigen die berust op een rechterlijke uitspraak. De kinderwetten die
hierop betrekking hebben heten ook wel het jeugdbeschermingsrecht. Jeugdhulpverlening is alle
activiteiten gericht op het voorkomen, verminderen of opheffen van problemen of stoornissen bij
kinderen en jongeren die hun ontwikkeling ongunstig kunnen beïnvloeden. Dit beslaat slechts een
gedeelte van de totale jeugdwelzijnszorg. Jeugdzorg betekent volgens de wet ‘ondersteuning van en
hulp aan jeugdigen, hun ouders, stiefouders of anderen, bij opgroei- en opvoedingsproblemen of
dreigende zodanige problemen’. (denk aan psychosociale hulpverlening, justitiële jeugdbescherming,
jeugd-ggz, hulp aan jongeren in een instelling).
1.3 Historisch overzicht
De jeugdzorg vindt zijn oorsprong in de armenzorg en bijzondere zorg voor jongeren. Eerst was er
vooral materiële hulpverlening en later ook opvang van verwaarloosde en verweesde kinderen. Na
een tijdje kreeg de overheid een grote taak in de zorg. De kinderzorg was eerst voornamelijk gericht
op bewaking, arbeid en afzondering, maar in de 19e eeuw ging het van kinderzorg naar
hulpverlening. Er kwamenvernieuwingen in gestichtsopvoeding: verblijf in inrichtingen ging zich
richten op opvoeding, opleiding en maatschappelijke vorming. Eind 19e eeuw kreeg de hulpverlening
tot slot een wettelijk kader.
De kinderwetten van 1901 hielden ingrijpende wijzigingen in het Burgerlijk Wetboek in: in plaats van
vaderlijke macht werd het nu ouderlijke macht. Ook in het strafrecht vonden wijzigingen plaats:
vooral de rechtsgang en de sancties werden aangepast aan de jeugdige leeftijd.
In 1905 werden de kinderwetten van 1901 ingevoerd. In de loop der jaren zijn een aantal
wetswijzigingen gekomen: in 1921 (ondertoezichtstelling en de kinderrechter); in 1947 (meer
invloed van de overheid); in 1956 (voogdijraden gereorganiseerd en een nieuwe naam: Raden voor
de Kinderbescherming); in 1965 (nieuw kinderstrafrecht en kinderstrafprocesrecht). Het Europees
Verdrag van 1950 tot bescherming van de rechten van de mens had ook grote invloed. In 1989 werd
de Wet op de jeugdhulpverlening ingevoerd en in 1995 kwam er herziening van het jeugdstrafrecht.
Ook na 1995 zijn er steeds verdergaande vernieuwingen. Zo zijn er nieuwe regelingen van
ondertoezichtstelling, naamrecht, afstamming, ouderschap, voogdij, etc. Ook in het jeugdstrafrecht
zijn belangrijke veranderingen zoals taakstraffen; verplichte bijwoning terechtzitting, plaatsing in een
jeugdinrichting; vrijheidsbeperkende maatregel en het adolescentenrecht. De Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen in 2001 brengt een nieuwe regeling van de rechtspositie van jongeren in
inrichtingen en ook vindt dan een gewijzigde definitie van het huwelijk plaats: mensen van hetzelfde
geslacht mogen nu ook trouwen. Sinds 2005 neemt de Wet op jeugdzorg de plaats in van de wet op
jeugdhulpverlening, waarin de aanspraak, toegang en bekostiging van jeugdzorg is geregeld. Ook
komen er sinds 2008 steeds betere regelingen voor adoptie met in 2012 de inwerkingtreding
Europees Adoptieverdrag. Verder richt het kabinet al een aantal jaren aandacht op de aanpak van
jeugdcriminaliteit met een actieprogramma, wijziging van de Wet op jeugdzorg (2008), de
Kinderombudsman, de verbeterde positie van pleegouders en een voorziene totstandkoming van een
Jeugdwet (2015). Ook is in 2011 het Haags Kinderbeschermingsverdrag van kracht geworden.
1
,Ethische en juridische kwesties – Jeugd en recht
Al vanaf het begin is kinderzorg een particuliere aangelegenheid en nog steeds komt veelal eerst
particulier initiatief en daarna de overheid. In de jaren ’60 kwam er twijfel over de waarde van
kinderbeschermingsmaatregelen en ontstond alternatieve hulpverlening. Er was toen snelle afname
van het aantal jongeren onder een jeugdbeschermingsmaatregel. Vanaf toen was de organisatie van
de jeugdhulpverlening een uitgebreid punt van aandacht. In 1971 verscheen de nota Wiersma die de
justitiële jeugdbescherming als speciale vorm van bijzondere jeugdzorg formuleert. De overheid stelt
in 1974 de Gemengde interdepartementale werkgroep jeugdwelzijnsbeleid (GIWJ) in, onderverdeeld
in een werkgroep residentiële voorzieningen (IWRV) en een werkgroep ambulante en preventieve
voorzieningen (IWAPV). Hun voorstelen zijn het startpunt van de Wet op de jeugdhulpverlening
(decentralisatie van de bevoegdheden) en de Wet op de jeugdzorg (ondersteuning van en hulp aan
jeugdigen, (stief)ouders en anderen die een jeugdige opvoeden). Sinds 1984 zijn er ook verscheidene
regeringsnota’s verschenen voor het verbeteren van de maatschappelijke positie van jongeren.
Dankzij de Maatschappij tot Nut van het Algemeen kwamen er initiatieven tot samenwerking op het
terrein van de kinderbescherming in 1899. Door de verzuiling bleef de beleidsbepalende functie
beperkt. In 1982 kwamen voorstellen voor herstructurering van landelijke organisaties en werd het
Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (NIZW) opgericht. Met de Wet op de jeugdzorg kwam er
meer decentralisatie, maar ook meer inhoudelijke samenwerking tussen de Bureaus Jeugdzorg. De
regionale Bureaus Vertrouwensartsen werden omgevormd tot Advies- en Meldpunt
Kindermishandeling (AMK’s) met een landelijk dekkend netwerk.
2. Plaats van de jongere in het Nederlandse recht
2.1 Inleiding
De plaats van de jongere in het Nederlandse recht wordt vooral bepaald door regels, opgenomen in
de kinderrechten die Nederland in 1995 heeft geratificeerd.
2.2 Afstamming
Afstamming is de betrekking tussen ouders en kinderen ontstaan door de bloedbanden. De
biologische ouders zijn niet altijd de juridische ouders. Wensouders kunnen alleen via adoptie
juridische ouders worden. Ook als het kind niet door de vader verwerkt is krijgt het familierechtelijke
betrekkingen tot beide partners uit het huwelijk. Als ‘de vader’ de vader niet is kunnen beide (ex-
)echtgenoten en het kind een verzoek van ontkenning van het vaderschap indienen. Een erkenning is
de verklaring van een man dat hij het kind als het zijne erkent. Erkenning moet echter altijd door de
moeder en het kind indien 12 jaar of ouder goedgekeurd worden en het geeft de vader geen gezag
over het kind. Onder speciale omstandigheden kan de rechtbank de erkenning vernietigen. Als
iemand zijn of haar kind niet wil erkennen kan de rechter ouderschap opleggen. Er ontstaan dan een
wederzijdse onderhoudsplicht en erfrechtelijke aanspraken. De moeder kan ook een
vaderschapsactie starten om onderhoudsbijdrage te eisen van de verwekker zonder
familierechtelijke betrekkingen. Een laatste afstammingsvorm is adoptie (het aannemen van
kinderen): een juridische bevestiging van een bestaande relatie tussen pleegouders en kind.
2.3 Minderjarigheid
De Nederlandse wet maakt onderscheid tussen meerderjarigheid en minderjarigheid.
Minderjarigheid begint bij de geboorte en geldt voor de meeste gevallen onder de achttien. Ouders
of voogd zijn dan verantwoordelijk en kinderen zijn niet volledig zelfstandig voor het recht. Verder
zijn ouders aansprakelijk voor onrechtmatige daden van kinderen onder de 14 en mijn minderjarigen
alleen handelingsbekwaam indien zij handelen met toestemming van hun ouders of voogd.
Uitzondering op de handelingsonbekwaamheid is de handlichting: de jongere wordt dan alleen
2
, Ethische en juridische kwesties – Jeugd en recht
‘meerderjarig’ voor zaken waarvoor de handlichting is verleend, in alle andere opzichten is hij
minderjarig. Vanaf 16 kunnen minderjarigen een testament maken en werken. Ongehuwde moeders
van 16 en 17 kunnen een verzoek tot meerderjarigheid indienen.
2.4 Gezag
Het gezag over minderjarigen wordt vrijwel altijd uitgeoefend door de ouders. Met betrekking tot
hoe opvoeding moet gebeuren zegt de wet weinig, behalve dat het plicht en recht is van ouders om
hun minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Het slaan van kinderen is niet toegestaan. Naast
ouderlijk gezag is ook voogdij een vorm van gezag over minderjarigen.
Ouderlijk gezag kan onder meer uitgeoefend worden vanuit huwelijk of geregistreerd
partnerschap. Als ouders het niet met elkaar eens zijn kan dit aan de kinderrechter
voorgelegd worden. Gehuwde ouders oefenen gezamenlijk ouderlijk gezag uit, ongehuwde
ouders moeten hier samen om vragen bij de rechtbank. Als het gezag bij één ouder ligt kan
de rechter dit op verzoek omzetten in gezamenlijk gezag met iemand anders dan de ouder.
Als iemand anders dan ouders het gezag krijgt verandert ouderlijk gezag in voogdij. Als 1
ouder het gezag heeft noemen we dit eenoudergezag. Zowel de moeder als de vader kan de
rechter om het gezag vragen. Dit wordt alleen toegewezen als het in het belang van het kind
is. Als beide ouders het gezag hebben en één overlijdt krijgt de ander alleen het gezag. Als de
moeder minderjarig is, kan zijn een verzoek van minderjarig naar meerderjarig indienen.
Indien nodig kan de rechter gezagsvoorzieningen treffen. Verder moeten de ouders naar
draagkracht voorzien in de kosten van de verzorging en opvoeding. Zij moeten zich houden
aan hun rechten en plichten. Zo is er de leerplicht en het blokkaderecht als kinderen meer
dan een jaar in een pleeggezin zitte.
Voogdij is het gezag over een minderjarige door meerderjarigen die geen ouder van het kind
zijn. Er zijn dan geen familierechtelijke betrekkingen. Er zijn twee soorten voogdij: door de
rechter opgelegd of testamentair. Niet iedereen kan voogd worden: men moet meerderjarig
zijn, niet onder curatele staan en geen psychiatrische stoornis hebben. Bij testamentaire
voogdij benoemt niet de rechter maar de ouder de voord. Dit is de macht van het
testament. Datieve voogdij is wel door de rechter opgelegde voogdij. De voogd hoeft het
kind niet zelf te verzorgen. De plicht van de voogd is om te zorgen dat de minderjarige in
overeenstemming met diens vermogen wordt verzorgd en opgevoed. Ook vertegenwoordigt
hij de minderjarige in burgerlijke handelingen. Een bijzondere vorm van voogdij is tijdelijke
voogdij. De uitoefening van de gewone voogdij is dan geschorst. Er is een rechterlijke
beslissing nodig om tijdelijke voogdij stop te zetten.
2.5 Woonplaats
De woonplaats is de plaats waar iemand voor de uitoefening van zijn rechten en plichten altijd
aanwezig moet zijn (ook juridisch). Die is afhankelijk van de woonplaats van de ouders. Het recht van
ouders betekent ook dat zij weglopers door de politie terug kunnen laten brengen. Hulpverlening
aan minderjarigen is strafbaar, tenzij je ouders en kinderbescherming zsm op de hoogte stelt.
2.6 Alimentatie
Alimentatie is het bijdragen in de kosten van levensonderhoud. Die onderhoudsverplichting is
wederzijds. In de huidige ‘welvaartsstaat’ heeft de overheid een groot deel van die taken al
overgenomen. Kinderen en jongeren moeten onderhouden worden, vooral in financieel opzicht.
3