Hoofdstuk 1.1..................................................................................................................... 0
Hoofdstuk 2.0..................................................................................................................... 0
Hoofdstuk 2.1..................................................................................................................... 1
Hoofdstuk 2.2..................................................................................................................... 1
Hoofdstuk 2.3..................................................................................................................... 1
Hoofdstuk 2.5..................................................................................................................... 1
Hoofdstuk 3.0..................................................................................................................... 1
Hoofdstuk 3.1..................................................................................................................... 2
Hoofdstuk 3.2..................................................................................................................... 2
Hoofdstuk 3.3..................................................................................................................... 3
Hoofdstuk 4.0..................................................................................................................... 3
Hoofdstuk 4.2..................................................................................................................... 4
Hoofdstuk 4.3..................................................................................................................... 4
Hoofdstuk 4.4..................................................................................................................... 4
Hoofdstuk 5.1..................................................................................................................... 4
Hoofdstuk 5.2..................................................................................................................... 4
Hoofdstuk 5.3..................................................................................................................... 5
Hoofdstuk 6.0..................................................................................................................... 5
Hoofdstuk 6.1..................................................................................................................... 5
Hoofdstuk 8.2..................................................................................................................... 5
Hoofdstuk 8.2..................................................................................................................... 6
Hoofdstuk 9........................................................................................................................ 6
Hoofdstuk 9.2..................................................................................................................... 6
Hoofdstuk 9.3..................................................................................................................... 7
Hoofdstuk 1.1
Zorgtaken: Alle taken die te maken hebben met de zorg voor anderen en met huishoudelijk
werk.
Persoonlijke tijd: Bestaat uit slapen, eten, drinken, douchen, aankleden en verwante
bezigheden.
Residuele definitie: Alle tijd die je overhoudt naast werk, studie, zorgtaken en persoonlijke
tijd. Het is dus de tijd die overblijft.
Hoofdstuk 2.0
Sociaal fenomeen: Een verschijnsel in de socialiteit.
0
Gemaakt door: Georgina van Dijk
, Hoofdstuk 2.1
Standenmaatschappij: Maatschappelijke groepen met al hun eigen rechten en plichten.
Hoofdstuk 2.2
Industriële revolutie: Een periode in de 18e eeuw waarin de stoommachine is uitgevonden
en de boeren naar de steden vertrokken om in de fabrieken te werken.
Klassenmaatschappij: De standenmaatschappij die zich ontwikkelde tot een
klassenmaatschappij waarin de hiërarchische verschillen tussen boeren en burgers aan de
ene kant en de adel en geestelijken aan de andere kant kleiner werden.
Hoofdstuk 2.3
Verzuilde samenleving: Een samenleving verdeeld in 4 groepen: katholieken, protestanten,
socialisten en liberalen.
Arbeidstijdverkorting: Door het ingaan van de 8u werkdag in 1919 verkortte dat de
werkdag en nam de vrije tijd toe.
Vrije zaterdag: Het ingaan van de vrije zaterdag in 1960.
Verzorgingsstaat: De overheid die voor de burgers in de samenleving hun welzijn en
welvaart zorgt. (Dit gebeurde van 1920-1990, omdat de rijken vonden dat de arbeiders hun
tijd niet goed in deelden)
Neoliberalisme: De overheid houdt zich steeds minder bezig met taken die ook door
commerciële bedrijven uitgevoerd kunnen worden. (Bijv openbaar vervoer en de zorgsector)
Vrijetijdsindustrie: Een industrie met aan de vraagzijde de consument die een grote
keuzevrijheid heeft en veel geld te besteden heeft.
Residueel: De tijd die/ hetgeen dat overblijft.
Hoofdstuk 2.5
Leisure class: Een groep mensen die hun geld uitgeeft aan vrije tijd. (Vroeger was deze
klasse er om aan de arbeiders te laten zien hoe goed de ‘hogere’ klassen het had)
Vrijetijdsmanagement en Leisure Management: De naam van de opleidingen die de
vrijetijdssector onderzoeken.
Betekenisvolle belevenissen: Een ervaring die op een positieve manier bijblijft.
Hoofdstuk 3.0
Gedragsbenadering: Waarneembaar gedrag.
1