Samenvatting H13 en H14: Basisboek Bedrijfseconomie
13.1 Gevaren van onjuiste kostentoerekening
Om kostprijs te bepalen > eerst moeten worden nagegaan > hoeveelheid kosten bepaalde periode
zullen worden gemaakt en wat de omvang van de productie daarbij is.
Slecht 1 soort product in standaarduitvoering (homogene productie) > berekening kostprijs
eenvoudig > deelcalculatie.
Verschillende productsoorten (heterogene productie) > probleem van kostenverbijzondering > vraag
hoe totale kosten aan diverse productsoorten moeten worden toegerekend. In dit verband > van
belang onderscheid directe en indirecte kosten.
Directe kosten = oorzakelijk en meetbaar verband houden met bepaalde producten, rechtstreeks aan
die producten toewijsbaar zijn. Voorbeeld: kosten van grondstof, materialen en onderdelen, en
directe arbeid. Voor kostprijscalculatie geven niet de directe kosten echt het probleem, wel de
indirecte kosten. Indirecte kosten = kosten die ten behoeve van alle producten worden gemaakt en
waarbij een duidelijke relatie tussen deze kosten en afzonderlijke productsoorten ontbreekt (vb.
loonkosten productiechef, onderhoudskosten, verwarming). Indirecte kosten (‘overhead’) > kosten
die niet rechtstreek aan producten toegerekend worden > missen van duidelijke relatie ertussen. Ook
tot indirecte kosten > directe kosten waarvan rechtstreekse toerekening te duur/te bewerkelijk is in
verhouding met het nu dat daarmee wordt verkregen.
Voor integrale kostprijs > toch ook indirecte kosten toerekenen. Verbijzonderingsmethoden:
- opslagmethode
- kostenplaatsenmethode
Omdat integrale kostprijs basis is voor de keus voor een verkoopprijs > men moet zich ervan bewust
zijn tot een goed beargumenteerde keuze te komen voor de verbijzondering. Indien de kostprijs te
hoog of te laag is > directe invloed op de winstgevendheid v.d. onderneming. Mogelijk maken van
lage prijzen voor producten in concurrerende markten via hoge prijzen in een niet-concurrerende
markt = kruissubsidiëring (crosssubsidisation). Onderneming subsidieert als het ware een/meer
producten uit hoge opbrengsten van andere producten.
Detailhandel, directe kosten inkoopprijzen evt vermeerderd met bijkomende kosten als transport en
invoerrechten. Indirecte kosten: personeelslasten, afschrijving/huur pand, verlichting, verwarming,
verzekering, enzovoort. Deze indirecte kosten > doorberekenen > inkoopprijzen verhogen met
(gemiddelde) brutowinstmarge, meestal gebaseerd op ervaringscijfers betreffende branche.
(Voorbeeld. Eigenaar meubelzaak brutomarge van 60%, ingekochte bank €750, verkoopprijs excl.
BTW €1.200 (160% x 750).
Resultatentekening
Inkopen 57,1
Brutowinst 42,9
Totale kosten 30,3
Bedrijfsresultaat 12,6
Brutomarge = (42,9/57,1) x 100% = 75,13% (afgerond 75%) v.d. inkoopprijs.
Bos bloemen, inkoopprijs €3, verkoopprijs = €3 + 75% (van 3) = €5,25.
13.1 Gevaren van onjuiste kostentoerekening
Om kostprijs te bepalen > eerst moeten worden nagegaan > hoeveelheid kosten bepaalde periode
zullen worden gemaakt en wat de omvang van de productie daarbij is.
Slecht 1 soort product in standaarduitvoering (homogene productie) > berekening kostprijs
eenvoudig > deelcalculatie.
Verschillende productsoorten (heterogene productie) > probleem van kostenverbijzondering > vraag
hoe totale kosten aan diverse productsoorten moeten worden toegerekend. In dit verband > van
belang onderscheid directe en indirecte kosten.
Directe kosten = oorzakelijk en meetbaar verband houden met bepaalde producten, rechtstreeks aan
die producten toewijsbaar zijn. Voorbeeld: kosten van grondstof, materialen en onderdelen, en
directe arbeid. Voor kostprijscalculatie geven niet de directe kosten echt het probleem, wel de
indirecte kosten. Indirecte kosten = kosten die ten behoeve van alle producten worden gemaakt en
waarbij een duidelijke relatie tussen deze kosten en afzonderlijke productsoorten ontbreekt (vb.
loonkosten productiechef, onderhoudskosten, verwarming). Indirecte kosten (‘overhead’) > kosten
die niet rechtstreek aan producten toegerekend worden > missen van duidelijke relatie ertussen. Ook
tot indirecte kosten > directe kosten waarvan rechtstreekse toerekening te duur/te bewerkelijk is in
verhouding met het nu dat daarmee wordt verkregen.
Voor integrale kostprijs > toch ook indirecte kosten toerekenen. Verbijzonderingsmethoden:
- opslagmethode
- kostenplaatsenmethode
Omdat integrale kostprijs basis is voor de keus voor een verkoopprijs > men moet zich ervan bewust
zijn tot een goed beargumenteerde keuze te komen voor de verbijzondering. Indien de kostprijs te
hoog of te laag is > directe invloed op de winstgevendheid v.d. onderneming. Mogelijk maken van
lage prijzen voor producten in concurrerende markten via hoge prijzen in een niet-concurrerende
markt = kruissubsidiëring (crosssubsidisation). Onderneming subsidieert als het ware een/meer
producten uit hoge opbrengsten van andere producten.
Detailhandel, directe kosten inkoopprijzen evt vermeerderd met bijkomende kosten als transport en
invoerrechten. Indirecte kosten: personeelslasten, afschrijving/huur pand, verlichting, verwarming,
verzekering, enzovoort. Deze indirecte kosten > doorberekenen > inkoopprijzen verhogen met
(gemiddelde) brutowinstmarge, meestal gebaseerd op ervaringscijfers betreffende branche.
(Voorbeeld. Eigenaar meubelzaak brutomarge van 60%, ingekochte bank €750, verkoopprijs excl.
BTW €1.200 (160% x 750).
Resultatentekening
Inkopen 57,1
Brutowinst 42,9
Totale kosten 30,3
Bedrijfsresultaat 12,6
Brutomarge = (42,9/57,1) x 100% = 75,13% (afgerond 75%) v.d. inkoopprijs.
Bos bloemen, inkoopprijs €3, verkoopprijs = €3 + 75% (van 3) = €5,25.