Leren samenvatting H1
Leren = betekenisgeving, het tot stand komen van
betekenis of verandering in betekenis.
1.1 Spontane en andere leerprocessen
Praktische intelligentie = onderscheid tussen intelligentie die op school wordt
ontwikkeld en een intelligentie waarmee mensen in de
praktijk zich blijken te redden.
Meervoudige intelligentie = intelligentie bestaat uit veel meer dan de vermogens die
door IQ-tests worden gemeten.
Emotionele intelligentie = accent op intra- en interpersoonlijke vermogens. het
kennen, herkennen en constructief omgaan met eigen
emoties en emoties van anderen.
Referentiekader = de eerder verworven kennis, houdingen en
vaardigheden, de betekenissen die je hebt leren geven
aan verschijnselen in de wereld en aan jezelf.
- Informeel leren (niet georganiseerd) Formeel leren (georganiseerd)
- Incidenteel leren (toevallig) Intentioneel leren (doelbewust)
- Impliciet leren (niet bewust) Expliciet leren (bewust)
1.1.2 Leeractiviteiten
1. Leren door sociale interactie
2. Leren door directe ervaring
3. Leren door het verwerken van theorie
4. Leren door nadenken (reflectie)
Sociale interactie
Alledaagse conversatie = gesprek waarin mensen meningen geven, ervaringen
delen, ideeën en opvattingen delen en ze reageren op
verschillende manieren op elkaar; afkeuring,
belangstelling etc.
Discussie = het type gesprek waarbij ieder eigen meningen
verdedigt en uitlegt, vergelijken opvattingen van
anderen met eigen opvattingen en pas in laatste
instantie kan de mening worden bijgesteld.
Dialoog = deelnemers verkennen samen vraagstukken. Zoeken
samen naar goede aanpak of oplossing.
Brainstorm = iedereen oppert ideeën voor oplossing van een
probleem.
Participeren in sociaal gedrag = leren door deel uit te maken van een sociale omgeving;
omgaan met elkaar, op elkaar reageren. (Zien hoe een
ander iets doet).
Observatie- of model-leren = observeren van anderen, dit kan als model dienen voor
het eigen handelen. Positief/negatief.
Omgaan met en/of oplossen van
conflicten = de manier waarop de omgeving met conflicten
omgaat. Belangrijk om goed om te gaan met conflicten.
Directe ervaring
,Leren door handelen = zelf dingen doen en merken wat er gebeurt: zien,
voelen, ruiken.
Trial and error = leren door vallen en opstaan.
Leren door onderdompeling = meer moeite doen om je aan te passen en te leren hoe
je overleeft wanneer je in een vreemde onbekende
omgeving zit.
Verwerken van theorie
Problemen bij het leren door het verwerken van theorie:
- Geen verband met werkelijkheid
- Theorie wordt verkeerd begrepen (abstractie).
- Teveel informatie, kan leiden tot blokkering bij de lerende.
- Motivatieproblemen (door bovenste drie)
- Statisch kennis concept = ‘zo is het en niet anders’.
Nadenken (reflectie)
Reflection-in-action = ‘houd je verstand erbij’. Opletten wat je doet, in de
hand houden van acties, zorgen dat het goed gaat en
bijtijds bijsturen.
Reflection-on-action = Nadenken achteraf, leidt tot ideeën voor de volgende
keer.
Kritisch denken/kritische
reflectie = het kunnen onderscheiden van kloppende en valse
beweringen, logisch kunnen redeneren, geen
denkfouten maken, argumentatie vormen hanteren,
valkuilen in argumentatie (drogredenen?) en
waarneming (her)kennen. Zinnig leren denken.
Individuele reflectie = reflectie voor/vanuit jezelf.
Reflectie met anderen = reflectie in de vorm van sociale interactie.
1.2 Verschillen tussen leerprocessen
1. Mate van bewustzijn van leren en leerresultaten
2. De interactie tussen individu en omgeving. initiatief nemen, uitlokken, steunen.
3. De aansluiting tussen referentiekader en nieuwe informatie.
4. De mate waarin er in de omgeving consensus is over de betekenisgeving. De status
van het onderwerp.
Interactie tussen individu en omgeving:
6 manieren onderscheiden waarop de sociaal-culturele omgeving van functioneren bij het
leren:
1. Alomvattende betekenisgeving door de omgeving (socialisatieprocessen)
2. Uitnodigende omgeving
3. Dwingende omgeving
4. Conflicterende omgeving
5. Ondersteunende omgeving
6. Hulpeloze omgeving
Leerprocessen
1. Alledaags leren
2. Leren uit eigen beweging
3. Transformatief leren
4. Noodgedwongen leren
5. Leren in botsing van culturen
Alledaags leren
Cognitieve dissonantie = twijfel wanneer iets niet aansluit bij jouw eigen beeld.
, Leren uit eigen beweging
Learning iceberg = 20% leren die vanuit instellingen gebeurt, noemde Tough
het zichtbare leren, ‘het topje van de ijsberg’.
Community of practice = groep mensen die zich met elkaar verbonden voelt door
een gemeenschappelijke praktijk en kennisdomein.
Transformatief leren
Vals bewustzijn = de onderdrukkende partij heeft evengoed verkeerde
dingen geleerd, misleid door hun maatschappelijk
positie van overmacht.
Desoriënterend dilemma = een ernstig verwarrende situatie, die kan ontstaan door
levensgebeurtenissen die het verwachtingspatroon
doorbreken.
Perspectief-transformatie = je moet als het ware een nieuw perspectief innemen om
uit het dilemma te komen.
Noodgedwongen leren
Het water der herinnering = is een onderzoek naar de wijze waarop mensen zich de
ramp herinneren. (watersnoodramp 1953)
Botsing van culturen
Leerreacties:
- Afwenden en afweren
- Gedeeltelijk, strategisch aanpassen
- Integratieve verandering
Leren = betekenisgeving, het tot stand komen van
betekenis of verandering in betekenis.
1.1 Spontane en andere leerprocessen
Praktische intelligentie = onderscheid tussen intelligentie die op school wordt
ontwikkeld en een intelligentie waarmee mensen in de
praktijk zich blijken te redden.
Meervoudige intelligentie = intelligentie bestaat uit veel meer dan de vermogens die
door IQ-tests worden gemeten.
Emotionele intelligentie = accent op intra- en interpersoonlijke vermogens. het
kennen, herkennen en constructief omgaan met eigen
emoties en emoties van anderen.
Referentiekader = de eerder verworven kennis, houdingen en
vaardigheden, de betekenissen die je hebt leren geven
aan verschijnselen in de wereld en aan jezelf.
- Informeel leren (niet georganiseerd) Formeel leren (georganiseerd)
- Incidenteel leren (toevallig) Intentioneel leren (doelbewust)
- Impliciet leren (niet bewust) Expliciet leren (bewust)
1.1.2 Leeractiviteiten
1. Leren door sociale interactie
2. Leren door directe ervaring
3. Leren door het verwerken van theorie
4. Leren door nadenken (reflectie)
Sociale interactie
Alledaagse conversatie = gesprek waarin mensen meningen geven, ervaringen
delen, ideeën en opvattingen delen en ze reageren op
verschillende manieren op elkaar; afkeuring,
belangstelling etc.
Discussie = het type gesprek waarbij ieder eigen meningen
verdedigt en uitlegt, vergelijken opvattingen van
anderen met eigen opvattingen en pas in laatste
instantie kan de mening worden bijgesteld.
Dialoog = deelnemers verkennen samen vraagstukken. Zoeken
samen naar goede aanpak of oplossing.
Brainstorm = iedereen oppert ideeën voor oplossing van een
probleem.
Participeren in sociaal gedrag = leren door deel uit te maken van een sociale omgeving;
omgaan met elkaar, op elkaar reageren. (Zien hoe een
ander iets doet).
Observatie- of model-leren = observeren van anderen, dit kan als model dienen voor
het eigen handelen. Positief/negatief.
Omgaan met en/of oplossen van
conflicten = de manier waarop de omgeving met conflicten
omgaat. Belangrijk om goed om te gaan met conflicten.
Directe ervaring
,Leren door handelen = zelf dingen doen en merken wat er gebeurt: zien,
voelen, ruiken.
Trial and error = leren door vallen en opstaan.
Leren door onderdompeling = meer moeite doen om je aan te passen en te leren hoe
je overleeft wanneer je in een vreemde onbekende
omgeving zit.
Verwerken van theorie
Problemen bij het leren door het verwerken van theorie:
- Geen verband met werkelijkheid
- Theorie wordt verkeerd begrepen (abstractie).
- Teveel informatie, kan leiden tot blokkering bij de lerende.
- Motivatieproblemen (door bovenste drie)
- Statisch kennis concept = ‘zo is het en niet anders’.
Nadenken (reflectie)
Reflection-in-action = ‘houd je verstand erbij’. Opletten wat je doet, in de
hand houden van acties, zorgen dat het goed gaat en
bijtijds bijsturen.
Reflection-on-action = Nadenken achteraf, leidt tot ideeën voor de volgende
keer.
Kritisch denken/kritische
reflectie = het kunnen onderscheiden van kloppende en valse
beweringen, logisch kunnen redeneren, geen
denkfouten maken, argumentatie vormen hanteren,
valkuilen in argumentatie (drogredenen?) en
waarneming (her)kennen. Zinnig leren denken.
Individuele reflectie = reflectie voor/vanuit jezelf.
Reflectie met anderen = reflectie in de vorm van sociale interactie.
1.2 Verschillen tussen leerprocessen
1. Mate van bewustzijn van leren en leerresultaten
2. De interactie tussen individu en omgeving. initiatief nemen, uitlokken, steunen.
3. De aansluiting tussen referentiekader en nieuwe informatie.
4. De mate waarin er in de omgeving consensus is over de betekenisgeving. De status
van het onderwerp.
Interactie tussen individu en omgeving:
6 manieren onderscheiden waarop de sociaal-culturele omgeving van functioneren bij het
leren:
1. Alomvattende betekenisgeving door de omgeving (socialisatieprocessen)
2. Uitnodigende omgeving
3. Dwingende omgeving
4. Conflicterende omgeving
5. Ondersteunende omgeving
6. Hulpeloze omgeving
Leerprocessen
1. Alledaags leren
2. Leren uit eigen beweging
3. Transformatief leren
4. Noodgedwongen leren
5. Leren in botsing van culturen
Alledaags leren
Cognitieve dissonantie = twijfel wanneer iets niet aansluit bij jouw eigen beeld.
, Leren uit eigen beweging
Learning iceberg = 20% leren die vanuit instellingen gebeurt, noemde Tough
het zichtbare leren, ‘het topje van de ijsberg’.
Community of practice = groep mensen die zich met elkaar verbonden voelt door
een gemeenschappelijke praktijk en kennisdomein.
Transformatief leren
Vals bewustzijn = de onderdrukkende partij heeft evengoed verkeerde
dingen geleerd, misleid door hun maatschappelijk
positie van overmacht.
Desoriënterend dilemma = een ernstig verwarrende situatie, die kan ontstaan door
levensgebeurtenissen die het verwachtingspatroon
doorbreken.
Perspectief-transformatie = je moet als het ware een nieuw perspectief innemen om
uit het dilemma te komen.
Noodgedwongen leren
Het water der herinnering = is een onderzoek naar de wijze waarop mensen zich de
ramp herinneren. (watersnoodramp 1953)
Botsing van culturen
Leerreacties:
- Afwenden en afweren
- Gedeeltelijk, strategisch aanpassen
- Integratieve verandering