Volgorde van de colleges aangehouden
Hoofdstuk 4 blz. 123 t/m 126 (college 1)
Psychologen definiëren leren ruim: een blijvende verandering in gedrag of mentale processen als
gevolg van een bepaalde ervaring.
Het probleem met het observeren van mentale processen heeft geleid tot een langlopende
controverse tussen behavioristisch en cognitief psychologen. Behavioristen: psychologie kan alleen
een echte wetenschap zijn als ze zich beperkt tot objectieve, waarneembare stimuli en responsen.
Mentale processen vallen daar dus buiten.
Cognitief psychologen: die menen dat leren alleen begrepen kan worden als we een bepaalde
logische gevolgrekkingen kunnen maken over verborgen mentale processen.
Bijna alles wat wij doen heeft met leren te maken. Zonder leren zouden we volledig afhankelijk zijn
van onze reflexen en aangeboren gedragingen die meestal instincten worden genoemd. In het
algemeen wordt menselijk gedrag veel sterker door leren beïnvloed en in veel mindere mate door
instincten dan het gedrag van andere dieren. Leren geeft ons de flexibiliteit om ons snel aan
veranderen situaties en nieuwe omgevingen aan te passen. In deze zin geeft leren een evolutionair
voordeel ten opzichte van instinct.
Habituatie: leren niet te reageren op de herhaalde aanbieding van een stimulus (bv geluid). Alle
dieren met een zenuwstelsel beschikken over deze vaardigheid. Een ander relatief eenvoudige vorm
van leren vinden we vooral bij mensen: de voorkeur voor stimuli waaraan we al eerder zijn
blootgesteld. Dit mere exposure-effect is waarschijnlijk de reden waarom veel adverteren zo
effectief is. = aangeleerde voorkeur voor stimuli waaraan we al eerder zijn blootgesteld. Dit
‘blootstellingseffect’ verklaart ook waarom we worden aangetrokken door mensen die we vaak zien.
Stimulus-responsleren: vormen van leren die we kunnen beschrijven in termen van stimuli en
responsen, zoals klassieke en operante conditionering.
Hoofdstuk 5 blz. 158-179 (college 2)
Geheugen: elk systeem (van een mens, een dier of een apparaat) dat informatie codeert, opslaat en
terughaalt. Dat van de mens is een cognitief geheugensysteem dat informatie krijgt van de zintuigen
en een gedeelte daarvan omzit in betekenisvolle patronen die opgeslagen kunnen worden voor
eventueel later gebruik. Deze geheugenpatronen vormen vervolgens de grondstof voor gedachten en
gedrag. (kunt gezichten herkennen, uitstapje herinneren, fietsen etc.)
Cognitief psychologen zien het geheugen van de mens als een interpretatief systeem dat informatie
opneemt, en, als een kunstenaar, bepaalde details verwijdert en de rest in betekenisvolle patronen
reorganiseert.
Ons geheugen werkt over het algemeen het nauwkeurigst bij het vastleggen van
* informatie waaraan we aandacht hebben besteed
* informatie die ons interesseert
* informatie die ons emotioneel raakt
* informatie die aansluit bij eerdere ervaringen
* informatie die we repeteren
,Informatieverwerkingsmodel: een cognitieve benadering van het geheugen, die de nadruk legt op
de wijze waarop informatie systematische verandering ondergaat bij het coderen, opslaan en
terughalen ervan.
De drie essentiële functies van het geheugen
1 Om informatie te kunnen coderen (de eerste elementaire functie van het geheugen. Heeft te
maken met het omzetten van informatie in een vorm die het beste in het geheugensysteem past)
moet je eerst een stimulus selecteren uit de prikkels die via je zintuigen binnenkomt, en een eerste
classificatie maken.(geluid, beeld, geur, smaak, pijn?) Daarna moet je de kenmerken van die stimulus
identificeren (geluid; hard, zacht, schel?) daarna plak je er in gedachten een label of etiket op de
ervaring om hem betekenisvol te maken.
2 Opslaan (de tweede elementaire functie van het geheugen. Heeft te maken met het langdurige
bewaren van gecodeerd materiaal)
3 Terughalen (de derde elementaire functie van het geheugen. Heeft te maken met het lokaliseren
en weer in het bewustzijn terugbrengen van informatie uit het geheugen). De beloning voor je
eerdere inspanningen bij coderen en opslaan.
Als informatie uit een college onderdeel moet worden van je permanente geheugen, moet ze drie
stadia doorlopen: eerst het stadium van het sensorisch geheugen, vervolgens het werkgeheugen en
ten slotte dat van het langetermijngeheugen. De informatiestroom:
Sensorisch geheugen: het eerste van de drie geheugenstadia, waarin de sensorische indrukken van
stimuli korte tijd worden bewaard of geregistreerd; ook wel sensorisch register genoemd. Slechts
enkele seconden
Werkgeheugen: het tweede geheugenstadia, met een zeer beperkte capaciteit. Zonder repeteren
worden indrukken van pas waargenomen gebeurtenissen of ervaringen op z’n hoogst een minuut
bewaard. Het selecteert informatie uit het sensorisch geheugen en verbindt die met items die al in
het langetermijngeheugen zijn opgeslagen. (bv een telefoon nr. onthouden die je net hebt
opgezocht)
Langetermijngeheugen (LTG): geheugenstadia met de grootste capaciteit en waar informatie het
langst wordt vastgehouden. In welk deel van het LTG de informatie wordt opgeslagen, is afhankelijk
van haar betekenis. Het LTG ontvangt informatie uit het werkgeheugen en kan die voor langere tijd
bewaren, zodat ze op een later moment weer kan worden teruggehaald.
Elk van de drie geheugenstadia codeert en legt herinneringen op een andere manier vast, maar
samen zorgen ze ervoor dat een sensorische ervaring wordt omgezet in een blijvend geheugenspoor
met een bepaald patroon of een bepaalde betekenis.
De opslagcapaciteit, de duur, de structuur en de functie van de geheugenstadia:
Eerste stadium: Sensorische geheugen. Belangrijkste taak is stroom van sensaties net zo lang vast te
houden dat je het je hersenen in staat stelt te beslissen welke informatie jou aandacht verdient.
Houdt korte tijd informatie vast voordat deze in het werkgeheugen komt. Met voortdurende nieuwe
informatie die binnenkomt, moet oude informatie snel verdwijnen, anders raakt het systeem te vol.
Sensorische herinneringen produceren een nabeeld in het sensorische geheugen en blijven net lang
genoeg hangen om in elkaar over te lopen en onze ervaring een gevoel van continuïteit te geven. De
structuur: een apart sensorisch register voor elk zintuig.
, Tweede stadium: werkgeheugen. Het werkgeheugen is de verwerker van bewuste ervaringen,
inclusief informatie uit het sensorisch geheugen en informatie die wordt opgehaald uit het LTG. Is de
tijdelijke buffer waarin je de naam vasthoudt van iemand met wie je zojuist kennis hebt gemaakt. Het
is een soort psychische werkplaats waar we informatie sorteren en coderen voordat we die aan het
LTG toevoegen. Informatie blijft gemiddeld 20 tot 30 seconden hangen, en nog veel langer als je
extra moeite doet om de informatie door repeteren actief te houden. Het is ook de mentale
werkplaats waar we spelen met ideeën en beelden die we uit het LTG hebben opgehaald, een proces
dat we ‘denken’ noemen. Het fungeert als centrum van het verstandelijk handelen en is ook het
tussenstation voor de andere onderdelen van het geheugen.
Capaciteit en duur van het werkgeheugen
Het werkgeheugen kan ook ongeveer zeven items bevatten. Als het werkgeheugen overladen is
maken meestal de oudere items plaats voor de recentere informatie. Als het werkgeheugen geheel
gevuld is kan het voorkomen dat nieuwe informatie die via onze zintuigen naar binnenkomt niet een
opmerken. (daarom niet verantwoord te telefoneren en rijden tegelijk) Werkgeheugen heeft de
geringste capaciteit van de drie geheugensystemen. Deze beperking en de beperkte tijd dat
informatie beschikbaar blijft, maakt dit deel van het geheugen de bottleneck van het totale
geheugensysteem. ( Doordat het het middelste deel van het geheugenproces is en minder capaciteit
heeft dan sensorisch geheugen en LTG, is het gevolg dat veel informatie uit het sensorisch geheugen
verloren gaat)
Je kunt de beperkingen die door geringe opslagcapaciteit van het werkgeheugen ontstaan omzeilen
door middel van chunking en door middel van repeteren.
Chunking: proces waarbij stukjes informatie georganiseerd worden tot een kleiner aantal
betekenisvolle eenheden (chunks). Op dezer manier creëer je ruimte in het werkgeheugen. Zo’n
chunk kan een enkele letter of een enkel getal, maar ook een groep letters of zelfs een hele zin. De
reeks P-H-I-L-I-P bestaat bv uit 6 letters die 6 chunks kunnen vormen. Maar als je deze reeks herkent
als een naam (auteur van een boek) vormen de 6 letters in je werkgeheugen maar één chunk. Of
bijvoorbeeld een tel nummer 0112900994 deelt in 2 reeksen 01129-00994 heb je tien afzonderlijke
items omgezet in twee chunks.
Het nut van herhaling
Herhaling of repeteren (maintenance rehearsal): proces waarbij informatie steeds herhaald wordt
om te voorkomen dat de informatie vervaagt in de tijd dat het in het werkgeheugen zit. Repeteren
vereist geen actieve elaboratie. Het is echter geen efficiënte manier om informatie over te brengen
naar het LTG. Een betere manier om informatie naar het LTG te transformeren is door middel van
actief herhalen door verbanden te leggen of elaboratie: een proces van het werkgeheugen waarin
informatie actief wordt herzien en verbonden met kennis die al in het langetermijngeheugen is
opgeslagen. Je kunt dat onder meer doen door een nieuw idee te associëren met iets wat
logischerwijs in je opkomt. Een andere manier is het bedenken van persoonlijke voorbeeld bij
concepten.
Structuur en functie van het werkgeheugen
actieve karakter in het geheugenproces. Het bestaat uit:
- De centrale bestuurder. Kan worden gezien als het distributiecentrum voor informatie. Het richt je
aandacht op belangrijke input en coördineert welke informatie bewust verwerkt dient te worden.