HBO Toegepaste Psychologie
Hogeschool NTI
972686529
Antwoordvel oefententamen Groepsdynamica
Hoofdstuk 1: Groepsdynamica tussen psychologie en sociologie
Vraag 1: Individu Groep Maatschappij
Maatschappij Groep Individu
Individu Groep Maatschappij
(zie ook Psychologie groepsydynamica Sociologie)
Vraag 2: Alleen individuen zijn ècht en reëel. Groepen zijn een verzameling van deze
individuen met reeksen waarden, opvattingen, ideeën, gedachten en gewoonten enz.
Vraag 3: Tijdens de renaissance (periode van verlichting)
Vraag 4: Ik-culturen zijn gericht op het individu en zijn ontwikkeling en ontplooiing
(individualisme). Wij-culturen zijn gericht op de groep met gedrag dat hoort bij sociale
situaties (collectivisme).
Vraag 5: Norbert Ellias typeert het mensbeeld als homo clausus, ofwel gesloten
persoonlijkheid. Het beeld van de autonome, onafhankelijk van anderen handelende
en ‘existerende’ mens.
Vraag 6: Een onderlinge vervlechting van interdepenties. Mensen zijn altijd
afhankelijk van elkaar en op anderen betrokken (zie theorievorming Lewin).
Vraag 7: Deze 2-deling bestaat uit primaire (sociaal-emotionele behoeften) en
secundaire groepen (belangen).
Vraag 8:
Elias: De groep is een complex interdentievlechtwerk
Lewin: De groep is een dynamisch gestalt die berust op wederzijdse betrokkenheid
en interdepenties.
Pagès: De groep is een geheel en bestaat uit samenstellende delen (groepsleden).
Zie ook H.5 theorie van groepsvorming.
Hoofdstuk 2: Grondslagen van de groepsdynamica
, Auteur: Stephan Tap
HBO Toegepaste Psychologie
Hogeschool NTI
972686529
Vraag 1: Een taak- en sociaal-emotioneel niveau. Het taakniveau betreft de inhoud
van groepsactiviteit en het sociaal-emotionele niveau betreft de manier van omgang
tussen groepsleden.
Vraag 2: Homans maakt de 2-deling tussen een intern en extern systeem
(vergelijkbaar met taak- en sociaal-emotioneel niveau). Het externe systeem omvat
alles wat er zich in een groep afspeelt aan activiteiten, interacties en gevoelens. Het
interne systeem omvat het interne groepsfunctioneren.
Vraag 3: De theorie van Homans heet de sociaal-contacthypothese. Deze theorie
stelt dat wanneer er frequente interacties zijn in het externe systeem er gevoelens
van genegenheid ontstaan en daarmee zal leiden tot verdere interacties die de basis
vormen van het interne systeem.
De theorie van Bales heet de interactieprocesanalyse. Hij onderscheidt 2
hoofdgebieden van groepsinteractie: een taakgebied en een sociaal-emotioneel
gebied.
Vraag 4: Het BOB-model. Deze bestaat uit de 3-deling: beeldvorming,
oordeelsvorming en besluitvorming. (zie ook oriëntatiefase, evaluatiefase en
controlefase)
Vraag 5: De systeemtheorie is van Miller & Stogdill. Deze theorie zoekt de
verbanden tussen verschillende soorten input en output van een systeem
(belangrijke begrippen: homeostase, feedback, systeemgrenzen en
regulatiemechanismen).
Vraag 6: De volgende benaderingen zijn er vanuit de algemene psychologie:
- Cognitieve dissonantie van Festinger
- Het komen tot een sociale werkelijkheid met behulp van conformiteit (iedereen
zegt/denkt het dus het moet wel waar zijn). Zie Asch.
Vraag 7: De veldtheorie is van Kurt Lewin. Deze theorie gaat uit van een
psychologisch krachtenveld bij de groep. De richting en sterkte van krachten bepalen
de richting en de snelheid van beweging in de groep en daarmee het gedrag van de
individuen.
Vraag 8: De psychoanalytische benadering spreekt over manifeste en latente
niveaus in groepen. (belangrijke begrippen: verdringing, identificatie, regressie,
afweermechanismen en projectie)
Hoofdstuk 3: Definitie van de groep en soorten groepen
, Auteur: Stephan Tap
HBO Toegepaste Psychologie
Hogeschool NTI
972686529
Vraag 1: De definitie van Sprott over groepen luidt: een verzameling individuen die
in een bepaalde context meer interactie vertonen met elkaar dan met anderen
daarbuiten. De 2 hoofdelementen hierbij zijn interactie en context.
Vraag 2: De volgende groepsaspecten worden beschreven in hoofdstuk 3:
- Motivatie
- Doelstelling
- Interdepentie (zie Lewin)
- Interactie (sleutelbegrip is wederkerige beïnvloeding)
- Wederzijdse betrokkenheid
- Normen
- Interpersoonlijke attracties
- Rollen
Vraag 3: We kunnen groepen met de volgende groepsdimensies beschrijven
(wederom 2-delingen):
- Primaire en secundaire groepen (socioloog Charles Horton Cooley)
- Psychegroup en sociogroup (Jennings)
- Informele en formele groepen (zie Homans, formeel kan ook informeel zijn)
- Lidmaatschapsgroepen en referentiegroepen (positief/negatief) (Newcomb)
- Ingroup en outgroup
Vraag 4: Deze 2 rode draden zijn rondom het thema lidmaatschap en rondom het
thema taak versus proces (zie 2.2).
Vraag 5: De HHH-formule bestaat uit hoofd, hart en handen. Hoofdgroepen zijn
cognitief georiënteerd (inhouds- en procedureniveau, zie H.4). Hartgroepen is gericht
op de ervaringen en belevingen van de groepsleden (procesgroepen). Handgroepen
zijn gericht op vaardigheden en competenties.
Hoofdstuk 4: Niveaus in groepen