OPM – Gedrag in organisaties
- Meerkeuze: Kennis en begrip
- 4 Open vragen waarvan 3 maken
Hoofdstuk 1 Individu en organisatie
Motivatie
Motivatie: Het totaal van beweegredenen / motieven binnen een individu.
Ontstaan van motivatie
1. Interne krachten (behoeften)
2. Externe krachten (situatie)
3. Betekenisgeving aan situatie en behoeften
Interne krachten (behoeften)
Ook wel ‘driften’ of ‘behoeften’ genoemd. Deze zijn aangeboren, hebben een lichamelijke oorsprong.
Het zijn drijfveren voor het handelen.
Theorieën:
Maslow
Gaat er van uit dat aan het gedrag van alle mensen een vijftal behoeften ten grondslag ligt.
1. Fysiologische behoeften: Zaken die nodig zijn om te overleven: water, slaap, voedsel etc.
2. Veiligheidsbehoeften: Behoeften aan veiligheid, zekerheid en bescherming
3. Sociale behoeften: Sociaal contact, vriendschap, liefde en ergens bij horen.
4. Erkenningsbehoeften: Behoeften aan waardering, respect door anderen en status.
5. Zelfactualiseringsbehoeften: Behoeften aan kennis, waarheid en wijsheid om tot zelfontplooiing of
persoonlijke groei te komen
Deprivatie: Wanneer er een tekort is -> deprivatie zal de mens in beweging komen -> activatie.
Kracht van de activatie hangt af van mate deprivatie. Eenmaal bevredigd, activiteitenniveau neemt af
Alleen voor de eerste 4, daarom ook deficiëntie behoeften genoemd (tekort)
Hiërarchisch geordend : Eerstvolgende behoeften komt aan de orde wanneer onderliggende
behoefte voldoende bevredigd is.
Alderfer ERG-theorie
Volgens hem te verdelen in 3 soorten behoeften
Existentiele behoeften: fysiologische en veiligheidsbehoeften.
Materiele zekerheid. Goede werkomstandigheden en vast salaris vallen hier ook onder.
Relationele behoeften: Sociale behoeften en erkenningsbehoeften.
Ergens bij willen horen. Erkenning, waardering en status.
Groeibehoeften: Erkenningsbehoeften.
Zelfrespect. Behoeften aan groei, mogelijkheden zelfontplooiing.
Frustratie regressie hypothese: Hoe hoger volgende behoeften des te belangrijker het lager niveau
,McLelland
Behoefteprofiel: ontwikkel je in de eerste levensjaren.
Prestatiebehoeften: Vooral gericht op goede prestaties. Uitdagende opzoeken, laten zien wat hij kan.
Machtsbehoeften: Streven naar invloed en controle over anderen.
Affiliatiebehoefte: Gericht op scheppen van goede relaties met anderen.
Externe krachten (de situatie)
Wet van het effect: Pakt de aanpak positief uit ? de aanpak wordt herhaald.
werkt het wel: positieve bekrachtiging. Werk het niet: negatieve bekrachtiging
Geconditioneerd: De aanpak word in dezelfde situatie automatisch vertoond.
Het gedrag dat uitgelokt wordt hangt samen met de bekrachtiging van de reactie.
Trekkende kracht: Het gedrag wordt vertoont doordat de situatie het uitlokt.
Duwende kracht: Aangezet gedrag door behoeften.
Overwegingen van de keuze van het gedrag:
Verwachtingstheorie / Billijkheidstheorie
1. Verband tussen inspanning en prestatie: Kans dat inspanning leid tot goede prestatie.
2. Verband tussen prestatie en opbrengsten: Goede prestatie leid tot voldoende opbrengsten.
3. Waarde van de opbrengsten: Kunnen positief en negatief zijn.
Voorbeeld: Hard studeren -> diploma -> meer kans op werk -> positieve toekomst
Het gaat niet zozeer om afweging van kansen op succesvolle inspanningen en waarde opbrengsten.
Maar om subjectieve overwegingen en inschattingen:
1. Billijkheid: Mate waarin een redelijke verhouding is tussen inspanning en opbrengsten
2. Zelfbeeld: Mate waarin men zich in staat acht tot goede prestaties te komen
Attributietheorie:
Attribueren: Men probeert te achterhalen wat de oorzaken zijn van hun eigen gedrag en het gedrag
van anderen.
1. Vast patroon: Vaak falen of slagen in dezelfde situatie.
2. Vergelijken: Maken anderen in dezelfde situatie ook fouten, anders zal ik er wel niet goed in zijn.
3. Of ze in veel situaties falen of slagen.
Interne attributie: Oorzaak falen / slagen bij zichzelf zoeken
Externe attributie: Oorzaak falen / slagen toeschrijven aan omstandigheden / anderen.
* zelfbeeld / zelfvertrouwen
Zelfdienende vertekening: Positieve zaken aan zichzelf / negatieve zaken aan omstandigheden.
Fundamentele attributiefout: Neiging om oorzaken aan eigenschappen van een persoon te binden en
niet aan de omstandigheden. Bijv. als er een opdracht niet voldaan is: hij is lui i.p.v. te hoge werkdruk
Conditioneringstheorie: Gedrag wordt alleen versterkt als de beloning direct volgt.
, Intrinsieke en extrinsieke motivatie
werk intrinsieke motivatie: Niet voor de beloning. Maar omdat het leuk is, zelfontplooiing.
werk extrinsieke motivatie: Salaris, goede werkomstandigheden, status, promotie.
1.2 Capaciteiten en competenties
Hoe mensen functioneren heeft ook met capaciteiten, competenties, persoonlijkheid en hun
attitudes en waarden te maken.
Competentie: Het gaat niet alleen om specifieke kennis en vaardigheden maar ook spelen
capaciteiten, persoonlijkheidseigenschappen en motieven een belangrijke rol.
Persoonlijkheid
de ‘Big Five’ (5 basisdimensies van persoonlijkheid. Baankeuze.)
1. Extravert --- introvert (Expressieve stijl)
- Introverte mensen: laten zich leiden door hun innerlijke gedachtes/emoties zijn op zichzelf gericht.
- Extraverte mensen: Vooral gericht op hun omgeving waarop zij indruk willen maken.
2 Vriendelijk --- Onvriendelijkheid (Interpersoonlijke stijl)
Vriendelijk: goedhartig, vertrouwt anderen, vergevingsgezind
Onvriendelijkheid: ontoegefelijk, kopig (lomperik)
3 Zorgvuldig --- Chaotisch (Werkstijl)
Nauwgezet: Precies, ordelijk, groot doorzettingsvermogen, nuchter
Chaotisch: Staat niet stil bij wat hij doet, niet doelgericht, (extravert)
4. Stabiel --- Instabiel (Emotionele stijl)
Stabiel: Groot zelfvertrouwen, koelbloedig, stressbestendig
Instabiel: Laat zich voortdurend leiden door negatieve emoties, bang, paniekerig
5. Open --- Gesloten (Intellectuele stijl)
Open: Creatief, veel voorstellingsvermogen, onafhankelijk, artistiek, tegendraads
Gesloten: Behoudend, niet nieuwsgierig, willen veel zekerheid en weinig avontuur
1.3 Attitudes
Stabiele houding die iemand heeft ten opzichte van andere mensen, ideeën, objecten, gedragingen.
Cognitieve overwegingen: Voor en nadelen op een rijtje zetten van de overweging.
Affectieve- Emotionele overwegingen: Gevoel mee laten spelen bij de overweging.
Gedragsintentie: Een attitude levert een neiging op om bepaald gedrag te vertonen.
Cognitieve dissonantie: Onrust ervaren als hun attitudes of gedragingen tegenstrijdig zijn
Attitude -
Sociale invloed Intentie -> Gedrag
Eigen effectiviteit -
- Meerkeuze: Kennis en begrip
- 4 Open vragen waarvan 3 maken
Hoofdstuk 1 Individu en organisatie
Motivatie
Motivatie: Het totaal van beweegredenen / motieven binnen een individu.
Ontstaan van motivatie
1. Interne krachten (behoeften)
2. Externe krachten (situatie)
3. Betekenisgeving aan situatie en behoeften
Interne krachten (behoeften)
Ook wel ‘driften’ of ‘behoeften’ genoemd. Deze zijn aangeboren, hebben een lichamelijke oorsprong.
Het zijn drijfveren voor het handelen.
Theorieën:
Maslow
Gaat er van uit dat aan het gedrag van alle mensen een vijftal behoeften ten grondslag ligt.
1. Fysiologische behoeften: Zaken die nodig zijn om te overleven: water, slaap, voedsel etc.
2. Veiligheidsbehoeften: Behoeften aan veiligheid, zekerheid en bescherming
3. Sociale behoeften: Sociaal contact, vriendschap, liefde en ergens bij horen.
4. Erkenningsbehoeften: Behoeften aan waardering, respect door anderen en status.
5. Zelfactualiseringsbehoeften: Behoeften aan kennis, waarheid en wijsheid om tot zelfontplooiing of
persoonlijke groei te komen
Deprivatie: Wanneer er een tekort is -> deprivatie zal de mens in beweging komen -> activatie.
Kracht van de activatie hangt af van mate deprivatie. Eenmaal bevredigd, activiteitenniveau neemt af
Alleen voor de eerste 4, daarom ook deficiëntie behoeften genoemd (tekort)
Hiërarchisch geordend : Eerstvolgende behoeften komt aan de orde wanneer onderliggende
behoefte voldoende bevredigd is.
Alderfer ERG-theorie
Volgens hem te verdelen in 3 soorten behoeften
Existentiele behoeften: fysiologische en veiligheidsbehoeften.
Materiele zekerheid. Goede werkomstandigheden en vast salaris vallen hier ook onder.
Relationele behoeften: Sociale behoeften en erkenningsbehoeften.
Ergens bij willen horen. Erkenning, waardering en status.
Groeibehoeften: Erkenningsbehoeften.
Zelfrespect. Behoeften aan groei, mogelijkheden zelfontplooiing.
Frustratie regressie hypothese: Hoe hoger volgende behoeften des te belangrijker het lager niveau
,McLelland
Behoefteprofiel: ontwikkel je in de eerste levensjaren.
Prestatiebehoeften: Vooral gericht op goede prestaties. Uitdagende opzoeken, laten zien wat hij kan.
Machtsbehoeften: Streven naar invloed en controle over anderen.
Affiliatiebehoefte: Gericht op scheppen van goede relaties met anderen.
Externe krachten (de situatie)
Wet van het effect: Pakt de aanpak positief uit ? de aanpak wordt herhaald.
werkt het wel: positieve bekrachtiging. Werk het niet: negatieve bekrachtiging
Geconditioneerd: De aanpak word in dezelfde situatie automatisch vertoond.
Het gedrag dat uitgelokt wordt hangt samen met de bekrachtiging van de reactie.
Trekkende kracht: Het gedrag wordt vertoont doordat de situatie het uitlokt.
Duwende kracht: Aangezet gedrag door behoeften.
Overwegingen van de keuze van het gedrag:
Verwachtingstheorie / Billijkheidstheorie
1. Verband tussen inspanning en prestatie: Kans dat inspanning leid tot goede prestatie.
2. Verband tussen prestatie en opbrengsten: Goede prestatie leid tot voldoende opbrengsten.
3. Waarde van de opbrengsten: Kunnen positief en negatief zijn.
Voorbeeld: Hard studeren -> diploma -> meer kans op werk -> positieve toekomst
Het gaat niet zozeer om afweging van kansen op succesvolle inspanningen en waarde opbrengsten.
Maar om subjectieve overwegingen en inschattingen:
1. Billijkheid: Mate waarin een redelijke verhouding is tussen inspanning en opbrengsten
2. Zelfbeeld: Mate waarin men zich in staat acht tot goede prestaties te komen
Attributietheorie:
Attribueren: Men probeert te achterhalen wat de oorzaken zijn van hun eigen gedrag en het gedrag
van anderen.
1. Vast patroon: Vaak falen of slagen in dezelfde situatie.
2. Vergelijken: Maken anderen in dezelfde situatie ook fouten, anders zal ik er wel niet goed in zijn.
3. Of ze in veel situaties falen of slagen.
Interne attributie: Oorzaak falen / slagen bij zichzelf zoeken
Externe attributie: Oorzaak falen / slagen toeschrijven aan omstandigheden / anderen.
* zelfbeeld / zelfvertrouwen
Zelfdienende vertekening: Positieve zaken aan zichzelf / negatieve zaken aan omstandigheden.
Fundamentele attributiefout: Neiging om oorzaken aan eigenschappen van een persoon te binden en
niet aan de omstandigheden. Bijv. als er een opdracht niet voldaan is: hij is lui i.p.v. te hoge werkdruk
Conditioneringstheorie: Gedrag wordt alleen versterkt als de beloning direct volgt.
, Intrinsieke en extrinsieke motivatie
werk intrinsieke motivatie: Niet voor de beloning. Maar omdat het leuk is, zelfontplooiing.
werk extrinsieke motivatie: Salaris, goede werkomstandigheden, status, promotie.
1.2 Capaciteiten en competenties
Hoe mensen functioneren heeft ook met capaciteiten, competenties, persoonlijkheid en hun
attitudes en waarden te maken.
Competentie: Het gaat niet alleen om specifieke kennis en vaardigheden maar ook spelen
capaciteiten, persoonlijkheidseigenschappen en motieven een belangrijke rol.
Persoonlijkheid
de ‘Big Five’ (5 basisdimensies van persoonlijkheid. Baankeuze.)
1. Extravert --- introvert (Expressieve stijl)
- Introverte mensen: laten zich leiden door hun innerlijke gedachtes/emoties zijn op zichzelf gericht.
- Extraverte mensen: Vooral gericht op hun omgeving waarop zij indruk willen maken.
2 Vriendelijk --- Onvriendelijkheid (Interpersoonlijke stijl)
Vriendelijk: goedhartig, vertrouwt anderen, vergevingsgezind
Onvriendelijkheid: ontoegefelijk, kopig (lomperik)
3 Zorgvuldig --- Chaotisch (Werkstijl)
Nauwgezet: Precies, ordelijk, groot doorzettingsvermogen, nuchter
Chaotisch: Staat niet stil bij wat hij doet, niet doelgericht, (extravert)
4. Stabiel --- Instabiel (Emotionele stijl)
Stabiel: Groot zelfvertrouwen, koelbloedig, stressbestendig
Instabiel: Laat zich voortdurend leiden door negatieve emoties, bang, paniekerig
5. Open --- Gesloten (Intellectuele stijl)
Open: Creatief, veel voorstellingsvermogen, onafhankelijk, artistiek, tegendraads
Gesloten: Behoudend, niet nieuwsgierig, willen veel zekerheid en weinig avontuur
1.3 Attitudes
Stabiele houding die iemand heeft ten opzichte van andere mensen, ideeën, objecten, gedragingen.
Cognitieve overwegingen: Voor en nadelen op een rijtje zetten van de overweging.
Affectieve- Emotionele overwegingen: Gevoel mee laten spelen bij de overweging.
Gedragsintentie: Een attitude levert een neiging op om bepaald gedrag te vertonen.
Cognitieve dissonantie: Onrust ervaren als hun attitudes of gedragingen tegenstrijdig zijn
Attitude -
Sociale invloed Intentie -> Gedrag
Eigen effectiviteit -