Psychologie
Psychoanalyse
Basisuitgangspunten:
1. Subjectieve ervaringen.
Datgene waarin iemand zich onderscheidt van een ander dan in waarin
iemand overeenstemt met een ander.
2. Lang niet altijd het gedrag bewust wordt aangestuurd.
3. Mensen hebben een onbewuste
Wensen waarvan we soms nooit beseft hebben dat we ze hadden, het kunnen
ook wensen zijn waarvan we ons ooit bewust waren maar die we weggestopt
hebben.
4. Conflictmodel
Het waarneembare (manifeste) gedrag van mensen en hun bewuste
gedachten en dromen bepaald worden door zowel hun onbewuste wensen als
door het feit dat ze deze niet accepteren.
Al ons gedrag is te zien als het resultaat van dit conflict; een compromis
tussen een wens en een verbod.
5. Al ons gedrag heeft een betekenis
Toevallig gedrag, zoals verspreking, een vergissing of een ‘ongelukje’, bestaat
niet.
Elk gedrag heeft een (verborgen) betekenis (wens&verbod)
6. Ervaringen uit de eerste levensjaren bepalen in belangrijke mate de
persoonlijkheid van de volwassene.
Geschiedenis
Sigmund FREUD is de uitvinder van de Psychoanalyse. De feiten die men in de
Psychoanalyse gebruikt, zijn afkomstig uit de hulpverleningspraktijk. De theorie
kan hierdoor veranderen in de loop van de tijd.
Het werk van Freud werd door twee belangrijke wetenschapstheorieën beïnvloed.
Namelijk de natuurwetenschappelijke benadering & romantische benadering.
Freud determinisme = zoeken naar oorzaken van gedrag
- Mechanistische benadering: aangeboren driften
- Romantische benadering: onbewuste
- Personalistische benadering: hermeneutische methode = betekenis voor gedrag
en dromen
Mensbeeld
Pessimistisch: mensen geen baas is eigen huis zijn en dat driften ons leven
besturen
Optimistisch: mensen zich bewust kunnen worden van hun (onbewuste) wensen
en driften en zo hun leven (meer) in eigen had kunnen nemen.
Het bewuste, het voorbewuste en het onbewuste
Bewuste = het deel van het psychische dat alles omvat wat zich op een bepaald
moment onder de aandacht afspeelt.
Waarnemen, herinneren, emoties, gedachten.
Voorbewust = die kennis, emoties die niet op dat moment onder de aandacht
spelen, maar die wel op te roepen zijn.
Onbewuste = deel van het psychische waarvan men ‘niet weet’.
Bevat kinderlijke wensen en herinneringen die te veel angst opwekken om zich
bewust van te zijn.
Bevat twee aangeboren driften: levensdrift & doodsdrift.
,Cognitieve, emotionele en motivationele processen
Primair en secundair proces
Primair proces = onbewuste.
Kent alleen maar wensen (geen waarden en normen)
Streeft naar verwerkelijking van de wensen (lustprincipe)
Irrationeel, ongevoelig voor bewuste overwegingen en redenen.
Secundair proces = (voor)bewuste
Normen en waarden (rekening houden met de realiteit, de eisen van de
buitenwereld).
Rationaliteit, wat wel en wat niet bereikt kan worden (realiteitsprincipe)
Irrationeel = zonder je verstand te gebruiken
Rationeel = waar je je verstand bij gebruikt
Drifttheorie
Freud gaat ervan uit dat mensen twee aangeboren driften hebben die
tegengesteld aan elkaar zijn. Met deze theorie probeert hij de motivatie van
mensen te verklaren.
Levensdrift/seksuele drift (Eros)
Motor van gedrag dat als fijn wordt ervaren.
Lustprincipe.
Doodsdrift (Thanatos)
Agressieve en destructieve driften of driften vermijden van spanning.
Psychische structuur ID,EGO, SUPEREGO
ID (onbewuste)
Ego (bewuste)
Superego (voorbewuste)
Id
Onbewuste, bevat alleen nog maar driften. Een pasgeboren baby is enkel gericht
op het bevredigen van lichamelijke behoeften zoals warmte, honger en dorst.
Ego
Het IK staat voor rede, gezond verstand. Is actief als je bewust redeneert,
afweegt, beslissingen neemt. Het ego probeert de eisen van het Id en van de
realiteit op elkaar af te stemmen.
(De schipper (ego) die zijn boot op de woelige golven (Id) door de
klippen(omgeving) heen loodst).
Het ego heeft afweer- of verdedigingsmechanismen. Deze zijn verantwoordelijk
voor het verhinderen van het bewust worden van ‘verboden’ gedachten en
‘angstaanjagende’ herinneringen.
Superego
Opper-ik of geweten. Identificatie staat hier centraal. Tijdens het oedipusconflict
identificeert het kind zich met een van de ouders en lost het conflict op. Door
identificatie maakt het zich de normen en waarden van de ouder eigen. Leert
‘zich tot orde te roepen’.
Het super-ego bevat het Ik-ideaal; het ideale beeld waaraan iemand wil voldoen.
Als het super ego is gevormd, functioneert het als geweten (moraal)
ID (onbewuste)
, -> Driften (bevrediging van behoeften) -> Primair proces (pasgeboren baby)
Ego (bewuste)
-> Rationele structuur -> Secundair proces (1 e levensjaars)
Superego (voorbewuste)
-> Ik-ideaal -> geweten (4e / 5e levensjaar)
Er is altijd een conflict tussen Id en Superego, dat het Ego moet
oplossen. Het conflict blijft altijd en zal nooit worden opgelost!
Ontwikkelingsfasen van een polymorf pervers (pasgeboren baby)
1. Orale fase: Mond is erogene zone (lichamelijk gebied)
2. Anale fase: Anus is erogene zone/vorming Ego vanaf 9/12 maanden
3. Fallische fase: Geslachtsdeel is erogene zone
4. Oedipale fase: Identiteitsontwikkeling door oedipus vanaf 3e en 4e jaar
Oedipuscomplex Verdedigingsmechanisme
5. Latentiefase: Emotionele rust, sublimeren van seksuele interesses vanaf 6
jaar
6. Genitale fase: Volwassenheid, relaties puberteit
Freud onderscheidt twee verschillende mogelijkheden bij het niet goed verlopen
van de driftontwikkeling
Fixatie: Blijven steken in een fase.
Als een kind onvoldoende een conflict weet op te lossen.
Regressie: Terugvallen in een fase.
Kind heeft al één of meerdere fasen goed doorlopen, maar kan door allerlei
zaken terugvallen in een eerdere fase. Dit komt vaak door angst of spanning bij
het kind. Ruzie/echtscheidingen
Gaat weer duimzuigen, bedplassen.
Hechtingstheorie van Bowlby
Aan de hand van jeugdervaringen voorspellingen doen over volwassen gedrag
-> mechanistische methode (oorzakelijk, verklarend)
Benadrukt wat werkelijk in de jeugd is gebeurd (kinderen beleven
gebeurtenissen secundair)
Baseert op directe observaties van kinderen en niet op verhalen van een
volwassene.
Gebruikt kennis uit andere wetenschappen.
Uitganspunten hechtingstheorie
Hechting (attunement) wordt door Bowlby opgevat als soortspecifiek gedrag.
Bowlby veronderstelt dat bij mensen een normale moeder-kindrelatie van
essentieel belang is.
Verloop van hechtingsprocessen
Het kind heeft een aangeboren gedragsrepertoire waarmee het zorggedrag van
en interactie met een volwassene kan uitlokken: huilen, lachen en zich
vastklampen.
Een kind richt zich in eerste instantie op alle volwassenen. Pas rond de leeftijd
van 8 maanden ontstaat er een verinnerlijkt beeld van de primaire verzorgers
(meestal de ouders). Tussen de primaire verzorgers en het kind vindt een
afstemming van signalen plaats (matching). Als de matching geslaagd is, spreekt
men van attunement (hechting). Dit lukt alleen als de het kind en de ouders
emotioneel beschikbaar zijn.
Objectrelatietheorie
Object = persoon. Subject = iemand die iets beleeft.
Psychoanalyse
Basisuitgangspunten:
1. Subjectieve ervaringen.
Datgene waarin iemand zich onderscheidt van een ander dan in waarin
iemand overeenstemt met een ander.
2. Lang niet altijd het gedrag bewust wordt aangestuurd.
3. Mensen hebben een onbewuste
Wensen waarvan we soms nooit beseft hebben dat we ze hadden, het kunnen
ook wensen zijn waarvan we ons ooit bewust waren maar die we weggestopt
hebben.
4. Conflictmodel
Het waarneembare (manifeste) gedrag van mensen en hun bewuste
gedachten en dromen bepaald worden door zowel hun onbewuste wensen als
door het feit dat ze deze niet accepteren.
Al ons gedrag is te zien als het resultaat van dit conflict; een compromis
tussen een wens en een verbod.
5. Al ons gedrag heeft een betekenis
Toevallig gedrag, zoals verspreking, een vergissing of een ‘ongelukje’, bestaat
niet.
Elk gedrag heeft een (verborgen) betekenis (wens&verbod)
6. Ervaringen uit de eerste levensjaren bepalen in belangrijke mate de
persoonlijkheid van de volwassene.
Geschiedenis
Sigmund FREUD is de uitvinder van de Psychoanalyse. De feiten die men in de
Psychoanalyse gebruikt, zijn afkomstig uit de hulpverleningspraktijk. De theorie
kan hierdoor veranderen in de loop van de tijd.
Het werk van Freud werd door twee belangrijke wetenschapstheorieën beïnvloed.
Namelijk de natuurwetenschappelijke benadering & romantische benadering.
Freud determinisme = zoeken naar oorzaken van gedrag
- Mechanistische benadering: aangeboren driften
- Romantische benadering: onbewuste
- Personalistische benadering: hermeneutische methode = betekenis voor gedrag
en dromen
Mensbeeld
Pessimistisch: mensen geen baas is eigen huis zijn en dat driften ons leven
besturen
Optimistisch: mensen zich bewust kunnen worden van hun (onbewuste) wensen
en driften en zo hun leven (meer) in eigen had kunnen nemen.
Het bewuste, het voorbewuste en het onbewuste
Bewuste = het deel van het psychische dat alles omvat wat zich op een bepaald
moment onder de aandacht afspeelt.
Waarnemen, herinneren, emoties, gedachten.
Voorbewust = die kennis, emoties die niet op dat moment onder de aandacht
spelen, maar die wel op te roepen zijn.
Onbewuste = deel van het psychische waarvan men ‘niet weet’.
Bevat kinderlijke wensen en herinneringen die te veel angst opwekken om zich
bewust van te zijn.
Bevat twee aangeboren driften: levensdrift & doodsdrift.
,Cognitieve, emotionele en motivationele processen
Primair en secundair proces
Primair proces = onbewuste.
Kent alleen maar wensen (geen waarden en normen)
Streeft naar verwerkelijking van de wensen (lustprincipe)
Irrationeel, ongevoelig voor bewuste overwegingen en redenen.
Secundair proces = (voor)bewuste
Normen en waarden (rekening houden met de realiteit, de eisen van de
buitenwereld).
Rationaliteit, wat wel en wat niet bereikt kan worden (realiteitsprincipe)
Irrationeel = zonder je verstand te gebruiken
Rationeel = waar je je verstand bij gebruikt
Drifttheorie
Freud gaat ervan uit dat mensen twee aangeboren driften hebben die
tegengesteld aan elkaar zijn. Met deze theorie probeert hij de motivatie van
mensen te verklaren.
Levensdrift/seksuele drift (Eros)
Motor van gedrag dat als fijn wordt ervaren.
Lustprincipe.
Doodsdrift (Thanatos)
Agressieve en destructieve driften of driften vermijden van spanning.
Psychische structuur ID,EGO, SUPEREGO
ID (onbewuste)
Ego (bewuste)
Superego (voorbewuste)
Id
Onbewuste, bevat alleen nog maar driften. Een pasgeboren baby is enkel gericht
op het bevredigen van lichamelijke behoeften zoals warmte, honger en dorst.
Ego
Het IK staat voor rede, gezond verstand. Is actief als je bewust redeneert,
afweegt, beslissingen neemt. Het ego probeert de eisen van het Id en van de
realiteit op elkaar af te stemmen.
(De schipper (ego) die zijn boot op de woelige golven (Id) door de
klippen(omgeving) heen loodst).
Het ego heeft afweer- of verdedigingsmechanismen. Deze zijn verantwoordelijk
voor het verhinderen van het bewust worden van ‘verboden’ gedachten en
‘angstaanjagende’ herinneringen.
Superego
Opper-ik of geweten. Identificatie staat hier centraal. Tijdens het oedipusconflict
identificeert het kind zich met een van de ouders en lost het conflict op. Door
identificatie maakt het zich de normen en waarden van de ouder eigen. Leert
‘zich tot orde te roepen’.
Het super-ego bevat het Ik-ideaal; het ideale beeld waaraan iemand wil voldoen.
Als het super ego is gevormd, functioneert het als geweten (moraal)
ID (onbewuste)
, -> Driften (bevrediging van behoeften) -> Primair proces (pasgeboren baby)
Ego (bewuste)
-> Rationele structuur -> Secundair proces (1 e levensjaars)
Superego (voorbewuste)
-> Ik-ideaal -> geweten (4e / 5e levensjaar)
Er is altijd een conflict tussen Id en Superego, dat het Ego moet
oplossen. Het conflict blijft altijd en zal nooit worden opgelost!
Ontwikkelingsfasen van een polymorf pervers (pasgeboren baby)
1. Orale fase: Mond is erogene zone (lichamelijk gebied)
2. Anale fase: Anus is erogene zone/vorming Ego vanaf 9/12 maanden
3. Fallische fase: Geslachtsdeel is erogene zone
4. Oedipale fase: Identiteitsontwikkeling door oedipus vanaf 3e en 4e jaar
Oedipuscomplex Verdedigingsmechanisme
5. Latentiefase: Emotionele rust, sublimeren van seksuele interesses vanaf 6
jaar
6. Genitale fase: Volwassenheid, relaties puberteit
Freud onderscheidt twee verschillende mogelijkheden bij het niet goed verlopen
van de driftontwikkeling
Fixatie: Blijven steken in een fase.
Als een kind onvoldoende een conflict weet op te lossen.
Regressie: Terugvallen in een fase.
Kind heeft al één of meerdere fasen goed doorlopen, maar kan door allerlei
zaken terugvallen in een eerdere fase. Dit komt vaak door angst of spanning bij
het kind. Ruzie/echtscheidingen
Gaat weer duimzuigen, bedplassen.
Hechtingstheorie van Bowlby
Aan de hand van jeugdervaringen voorspellingen doen over volwassen gedrag
-> mechanistische methode (oorzakelijk, verklarend)
Benadrukt wat werkelijk in de jeugd is gebeurd (kinderen beleven
gebeurtenissen secundair)
Baseert op directe observaties van kinderen en niet op verhalen van een
volwassene.
Gebruikt kennis uit andere wetenschappen.
Uitganspunten hechtingstheorie
Hechting (attunement) wordt door Bowlby opgevat als soortspecifiek gedrag.
Bowlby veronderstelt dat bij mensen een normale moeder-kindrelatie van
essentieel belang is.
Verloop van hechtingsprocessen
Het kind heeft een aangeboren gedragsrepertoire waarmee het zorggedrag van
en interactie met een volwassene kan uitlokken: huilen, lachen en zich
vastklampen.
Een kind richt zich in eerste instantie op alle volwassenen. Pas rond de leeftijd
van 8 maanden ontstaat er een verinnerlijkt beeld van de primaire verzorgers
(meestal de ouders). Tussen de primaire verzorgers en het kind vindt een
afstemming van signalen plaats (matching). Als de matching geslaagd is, spreekt
men van attunement (hechting). Dit lukt alleen als de het kind en de ouders
emotioneel beschikbaar zijn.
Objectrelatietheorie
Object = persoon. Subject = iemand die iets beleeft.