Leefwereld: waar een kind opgroeit.
Leefwereld baby is vaak thuis of in het ziekenhuis. Leefwereld
groeit als je in een andere omgeving komt.
Ecologisch model Urie Bronfenbrenner = omgeving waarin
kinderen opgroeien heeft grote gevolgen op het gedrag van
het kind (thuis boeren, op school niet = veranderend gedrag).
Deze bestaat uit micro-, meso-, exo-, en macrosysteem.
Ecologisch: eco = alles heeft invloed op elkaar (het ene heeft
invloed op het andere). De leefwereld van kinderen heeft
invloed op leefwerelden van elkaar. Als je binnen ecologisch
model een verandering inbrengt, heeft het invloed op andere
dingen uit het model.
Samenhang houdt het ecologisch systeem in stand.
Denk aan perfect gezin, waarin moeder ineens overlijdt (dan wordt de rest ook beïnvloed, ander
inkomen, vader neemt moederrol over etc.).
Microsysteem: systeem dat het dichtst om het kind heen staat. Kind staat hier centraal en het
gezin staat er omheen.
Voor kind wennen om naar school te gaan, is een andere omgeving met andere structuur en
regels. Er wordt waarschijnlijk anders met hem omgegaan dan dat hij gewend is.
Ecologisch transitie: overstappen naar een ander systeem, waar andere regels, normen en
waarden heersen. Hoe groter de verschillen tussen de systemen, hoe moeilijker de overstap is
voor een mens.
Mesosysteem: staat net iets verder van het kind af.
Bij ouderraad / MR (medezeggenschapsraad) praat je in het mesosysteem over wat er in het
microsysteem gebeurt.
Als ouder in MR zit, zit het kind in een half-open/half-gesloten gezin.
Exosysteem: staat wat verder af van het kind, maar is wel van invloed op het kind (bijvoorbeeld
werk van de ouders, daar kan tijdens eten over gepraat worden).
Worden beïnvloed door wijdere fysische en maatschappelijke context. Microsysteem wordt niet
alleen beïnvloed door submicrosystemen (school, gezin) ook niet alleen door buurt en vrije tijd
(mesosystemen), maar ook door exosysteem.
Macrosysteem: cultuurhistorische context: factoren die in zijn geheel kunnen bijdragen aan de
opvoeding van het kind.
,Cultuurverschillen: ecologische transitie wordt groter als er sprake is van cultuurverschillen.
Binnen het microsysteem is er al veel vaker sprake van een ecologische transitie die stress kan
veroorzaken (hele andere normen en waarden op kinderopvang bijvoorbeeld). Kan binnen
systemen en tussen verschillende systemen transitie ontstaan.
Van buitenlands kindjes ziet het ecologisch systeem er anders uit. Behalve het macrosysteem
(m.u.v. religie).
Iemands cultuur is van grote invloed, het zegt namelijk iets over alle systemen (andere taak, aantal
keren naar kerk, welk geloof etc).
Belevingswereld: door alle informatie over de leefwereld kun je je verplaatsen in het kind dat in
die leefwereld opgroeit. Door alle systemen te bekijken kun je de belevingswereld interpreteren.
Bijvoorbeeld het Sinterklaasfeest.
Hoorcollege 2
Kinderopvang: vanaf 3 maanden - 12 jaar.
Macht bij ouders (ouders stellen de vraag) Marktwerken = vraag en aanbod.
Ouders hebben inspraak bij hoe de kinderopvang eruit ziet. Werkgevers betalen ook aan de
opvang van kinderen van werknemer.
Wet OKE is aanvullen op wet Kinderopvang. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor goed aanbod
van VVE.
Doelgroep Voorschoolse educatie (2,5 tot 6 jaar). Kinderen waarvan ouders laagopgeleid zijn of
niet de Nederlandse taal beheersen.
Er wordt samengewerkt met peuterspeelzalen en kinderdagverblijven.
Motie Aartsen-Bos (2007)
School moet zorgen voor opvang en samenwerken met kinderopvang. Er moet om 7:30 opvang
mogelijk zijn zodat kinderen vanuit daar naar school gaan.
Functies kinderopvang
Economische functie: kinderopvang maakt het mogelijk dat ouders werken, dit is weer goed voor
de economie. Dit is de eerste reden waarom kinderopvang tot stand kwam. Ouders wilden werken
en moesten hun kind ergens laten.
Sociaal-maatschappelijke functie: is belangrijk dat kinderen in de kinderopvang leren om met
elkaar met andere kinderen en volwassenen om te gaan. De maatschappij heeft er baat bij dat
kinderen op jonge leeftijd al leren.
Pedagogische functie: ontstond later dan economische functie. Kwaliteit moest gewaarborgd
blijven. Kinderen kunnen hier ook opgevoed worden.
Kwaliteit & toezicht (1)
Gezonde ontwikkeling: hoe warm koelkast staat, waar kinderen handen wassen.
, Veilig: niet te scherpen randjes waar kinderen zich pijn aan kunnen doen, deuren waar kinderen
tussen kunnen zitten.
(2)
Leidster-kind ratio: vastgesteld hoeveel opgeleide pedagogische medewerkers er per kind nodig
zijn (per 4 kinderen bijvoorbeeld 1 medewerker).
Schriftelijke overeenkomst: op welke dag kind naar opvang komt en op welke tijden.
Huisvestigingseisen: aparte toiletruimte, aantal vierkante meter per kind, brandveiligheid, privacy
(deur op slot naar wc).
4 Pedagogische basisdoelen (als dit nageleefd wordt is er pedagogische kwaliteit en wordt
pedagogische functie goed uitgevoerd)
- Bieden gevoel van veiligheid: zonder veiligheid kom je ook niet aan volgende zaken toe. In
hoeverre een kind zich op zijn gemak voelt, of er als individu aandacht is voor jou, als je gezien
wordt. Als je hieraan voldoet kun je jezelf pas ontwikkelen. Zonder veiligheid kun je geen initiatief
nemen. Niet alleen op het moment zelf veiligheid bieden, maar ook op een lange termijn kan een
kind zich door veiligheid beter ontwikkelen. Contact maken is een manier om veiligheid te bieden
(bijv. tijdens het verschonen).
- bevorderen persoonlijke competentie: veerkracht (ondanks tegenslagen toch hulp vragen of
zichzelf erbovenop helpen, ondanks narigheid talenten ontwikkelen), zelfvertrouwen,
zelfstandigheid (voor jezelf opkomen, maar je hoeft niet alles alleen te doen), flexibiliteit.
- bevorderen sociale competentie: is ook een persoonlijke competentie. Kinderen leren door met
leeftijdsgenoten om zich heen om te gaan met elkaar.
- socialisatie: aanbieden regels, normen en waarden cultuur. Moet afgestemd te worden op het
gezin (kan niet met alles, op buitenschoolse opvang heb je meer kinderen waardoor het moeilijk
wordt om elk kind individueel te begeleiden).
Indicatoren (aanwijzingen) pedagogische kwaliteit
- Maten die welzijn en betrokkenheid kinderen weergeven
- Proceskwaliteit: hierop hebben ouders invloed, contact met leidster (kind niet goed slapen, net
prikje gehad) kenmerken van het zorg- en opvoedingsproces zelf
- Structurele kwaliteit: hierop hebben ouders invloed (oudercommissie). kenmerken van de ……
Model niet uit je hoofd leren, maar snappen!
Proximale processen: proces vindt plaats in de interactie van een kind met iets anders. Kind leert
niet in zijn eentje rennen of knippen, maar door interactie met andere kinderen of met de omgeving
of met de pedagogisch medewerker.
Links structurele kwaliteit, rechts proceskwaliteit.
Proximale proces kind en materiële omgeving: welke materialen zijn er aanwezig, met wat voor
spel wordt kind uitgenodigd om te spelen (rondrennen of iets uit kast pakken?) Hoe ziet de
omgeving eruit. In hoeverre is er overzicht, is er duidelijk voor een kind waarmee hij of zij kan