veranderen van gedrag
Jacco Appeldoorn
INHOUD
Hoofdstuk 1: Denken in termen van nurture..........................................................2
Hoofdstuk 2: Leren................................................................................................. 2
Hoofdstuk 3: Behoeften, doelen en de theorie van het geplande gedrag.............4
Hoofdstuk 4: Zelfregulatie: wat is dat?...................................................................5
Hoofdstuk 5: Zelfregulatie: het proces...................................................................6
Hoofdstuk 7 De beïnvloeder................................................................................... 7
Hoofdstuk 8 Het beïnvloeden van gedrag............................................................10
, Deel 1: Waarom doe je wat je doet
Hoofdstuk 1: Denken in termen van nurture
1.1 Mensbeelden
Genetisch gedetermineerd: Genen zijn bepalend bij het tot uiting komen van
eigenschappen.
Predispositie: Aanleg voor iets, maar de mate van uiting wordt door de omgeving
bepaald
Jouw overtuiging van of het gedrag door genen of omgeving wordt bepaald,
bepaald je eigen gedrag, het geloof in de beinvloedbaarheid van het gedrag van
anderen en de manier waarop je het gedrag van anderen interpreteerd en
beoordeeld.
1.2 Impliciete theorieën: Incremental versus Entity theories
Incremental theory: Iets is te ontwikkelen
Entity theorie: Iets staat vast en is niet te ontwikkelen
Mensen die geloven dat intelligentie veranderbaar is laten meer groei zien en
hebben betere copingvaardigheden( omgaan met moeilijke situaties).
1.3 In hoeverre zijn eigenschappen en gedrag
beinvloedbaar?
Lichaamskenmerken zijn grotendeels gedetermineerd. Wel hebben ziektes en
levenstijl invloed op hoe lang je wordt en hoe zwaar je wordt. 40 procent van de
BMI verschillen is genetische bepaald.
Persoonlijkheid: 40 procent van temperament (emotionaliteit, enegie, aandacht
en volharding, reactiviteit en vriendelijkheid) is genetisch.
Je kunt iemands persoonlijkheid niet veranderen maar wel zijn gedrag in
bepaalde situaties.
3 groepen persoonlijkheidsstoornissen: hyperemotioneel, angstig, excentrieke.
Een persoonlijkheidsstoornis: a) wijkt af van de populatienorn, b) inflexibel, c)
leiden tot sociale en functionele beperkingen. Kenmerk in extreme mate.
Een mens heeft 10.000 uur bewuste oefening nodig om een expert te worden. De
deliberate practice theory.
Hoofdstuk 2: Leren
1.4 Een aanpassingsproces aan de omgeving
Leren kan worden beschouwd als een aanpassingsproces aan de omgeving. Een
ervaring leidt tot ander gedrag in de toekomst.
, 2.2 Klassieke conditionering
Klassieke conditionering: Pavlov: Als een neutrale stimulus tegelijkertijd met een
ongeconditioneerde stimulus wordt aangeboden, hierdoor wordt de reactie van
de neutrale stimulus hetzelfde als die op de ongeconditioneerde. De neutrale
stimulus wordt de geconditioneerde stimulus.
Deze geconditioneerde stimulus kan worden afgeleerd, door deze stimulus aan
te bieden zonder de ongeconditioneerde stimulus.
Generalisatie: Als er op een nieuwe stimulus die lijkt op de originele
geconditioneerde stimulus, net zo wordt gereageerd als op de originele stimulus.
2.3 Operante conditionering
Actieve vorm van leren. Als een persoon merkt dat operant (spontaan) gedrag
bekrachtigd wordt zal hij het gedrag meer of minder gaan vertonen, afhankelijk
de toon van de bekrachtiging. Hierbij is belonen effectiever dan straffen.
Positief straffen of beloning: het geven van iets leuks of minder leuks
Negatief straffen of belonen: het wegnemen van iets leuks of minder leuks.
Prijzen van gedrag wat in de buurt komt van het gewenste gedrag: shaping
Als positief gedrag niet voortduren maar af en toe wordt beloond blijft het langer
hangen (minder extinctie). Dit heet partiele bekrachtiging.
2.4 Sociaal leren
Sociaal of observationeel leren: Na-apen van gedrag. Dit komt door
spiegelneuronen in onze hersenen, die dezelfde activiteit laten zien bij het
vertonen van gedrag als dat iemand anders het gedrag vertoont.
Dit gebeurt ook met emotie, en heet emotiebesmetting.
Dit systeem stelt je in staat om snel nieuw gedrag aan te leren, en werkt voor het
interpreteren van andermans emoties en gedrag.
Of iemand gaat imiteren hangt af van de opbrengsten van het gedrag, de
haalbaarheid (zelfeffectiviteit), de herkenbaarheid(zelfrelevantie) van het
rolmodel(vergelijkingsander) en de status van het rolmodel.
2.5 Cognitief leren
Leren door te denken, luisteren, lezen heet cognitief leren.
Met concepten geef je de wereld om je heen betekenis. Het is een mentale
representatie van een verzameling objecten die bij elkaar horen. Het is een soort
kennisstructuur. Functies: Sturen, classificeren, interpreteren, leren,
communiceren, voorspellen.
Dmv leren verander je de inhoud, relatie tussen en het aantal concepten.
Saillantie: belang van informatie.