Hoofdstuk 17 Verplegen van patiënten met persoonlijkheidsstoornissen
17.1 typen persoonlijkheidsstoornissen.
Persoonlijkheidsstoornissen: Excessief rigide gedragspatronen of een manier van omgaan met
anderen die uiteindelijk negatieve consequenties heeft.
De verstoorde persoonlijkheidstrekken of kenmerken komen tegen de adolescentie of vroege
volwassenheid aan het licht en blijven gedurende het grootste deel van het volwassen leven
bestaan.
De waarschuwingssignalen van persoonlijkheidsstoornissen kunnen tijdens de jeugd of bij kleuters
al worden ontdekt. De eigenschappen worden door de persoon zelf als natuurlijk deel van zichzelf
beschouwd. Ze hebben er dus geen last van. egosyntoon.
Egodystoon hieronder worden gedragingen of gevoelens verstaan die als vreemd ten opzichte
van de eigen identiteit wordt beschouwd; de patiënt heeft er zelf wel last van.
As I: klinische syndromen (stemmingsstoornissen en angststoornissen)
As II: persoonlijkheidsstoornissen
Persoonlijkheidsstoornissen ingedeeld in 3 clusters (DSM-IV)
o Cluster A: mensen die als vreemd of excentriek worden beschouwd.
Paranoïde, schizoïde, schizotypische persoonlijkheidsstoornis.
o Cluster B: mensen met een overmatig dramatisch, emotioneel of labiel gedrag.
Antisociale , borderline, theatrale en narcistische persoonlijkheidsstoornissen.
o Cluster C: mensen die vaak nerveus of angstig lijken.
Ontwijkende, afhankelijke en obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornissen.
17.1.1 Persoonlijkheidsstoornissen gekenmerkt door vreemd of excentriek gedrag:
cluster A
Cluster A: persoonlijkheidsstoornissen gekenmerkt door vreemd of excentriek gedrag.
Hebben vaak problemen met relaties met anderen of vertonen weinig of geen belangstelling voor
het ontwikkelen van sociale relaties.
Paranoïde persoonlijkheidsstoornis.
Definitie: gekenmerkt door diepgaande achterdocht (gedrag interpreteren als opzettelijk
bedreigend of vernederend). Meestal overgevoelig voor kritiek, worden snel boos en koesteren wrok
als ze denken dat ze verkeerd worden behandeld. Ze ontkennen schuld voor wandaden. Worden
gezien als: koud, afstandelijk, sluw, onoprecht en humorloos.
In de diagnose moet rekening worden gehouden met culturele en sociaal-politieke factoren.
Zoeken zelden behandeling: ze zien andere als de oorzaak voor hun problemen. Komt meer voor bij
mannen.
Schizoïde persoonlijkheidsstoornis.
Definitie: kenmerk is sociale isolatie. Geen belangstelling voor sociale relaties. Ervaren zelden of
nooit sterke worde, vreugde of droefheid. Lijken vlak, afstandelijk en koel. Hebben beter contact
met werkelijkheid dan mensen met schizofrenie.
Schizotypische persoonlijkheidsstoornis.
Definitie: problemen hebben met het vormen van nauwe relaties en van wie het gedrag niet zo
gestoord is dat ze voor de diagnose schizofrenie in aanmerking komen. In sociale situaties kunnen
ze bijzonder nerveus zijn. De angst voor afwijzing of voor een negatief oordeel van anderen.
Mensen met deze stoornis kunnen ongewone waarnemingen of illusies hebben. Ze kunnen
betrekkingswanen ontwikkelen en magisch denken. Hun eigen spraak kan vaag zijn of ongewoon
abstract. Ze kunnen er onverzorgd uitzien, ongewone maniërismen tentoonspreiden en ongewoon
gedrag vertonen.
Grote genetische basis gemeen met schizofrenie.
17.1.2
Cluster B: persoonlijkheidsstoornissen gekenmerkt door dramatisch, emotioneel of labiel gedrag.
Vertonen gedragspatronen die buitensporig, onvoorspelbaar of egoïstisch zijn. Hebben problemen
met het vormen en onderhouden van relaties.
Antisociale persoonlijkheidsstoornis.
,Definitie: zijn antisociaal, schenden rechten van anderen, storen zich niet aan sociale normen en
overtreden soms de wet. Zijn vaak impulsief en komen hun verplichtingen aan anderen niet na.
Vertonen nauwelijks angst als ze met een bedreigende situatie worden geconfronteerd. Geen
schuldgevoel of spijt na een misdrijf. Toch vaak een opp. charme en een gemiddelde intelligentie.
Vaker bij mannen. Voor de diagnose moet de persoon >18 jaar zijn.
Achterliggende persoonlijkheidsstoornis die met de stoornis gepaard gaan, kenmerken als egoïsme,
manipulatiedrang, gebrek aan empathie, schuldgevoel of spijt, en ongevoeligheid tegenover
anderen blijven constant gelijk.
Komt vaker voor lagere sociaaleconomische groepen.
Psychopaat: terug op het idee dat er iets mis is met het psychologisch functioneren vd betrokkene.
Sociopaat: nadruk op de sociale afwijking vd betrokkene.
Persoonlijkheidsdimensie: oppervlakkige charme, egoïsme, gebrek aan empathie, gevoelloosheid,
meedogenloosheid, profiteren van anderen en onverschilligheid tegenover de gevoelens en het
welzijn van anderen. Komt voor bij mensen die psychopathische kenmerken bezitten maar binnen
de wet blijven.
Gedragsdimensie: aannemen van een algeheel instabiele en antisociale manier van leven,
waaronder regelmatige problemen met de autoriteiten, een slecht arbeidsverleden en instabiele
relaties.
Kenmerken met 4 basisfactoren
1) Interpersoonlijke factor gekenmerkt door: oppervlakkigheid, pompeusheid,
onbetrouwbaarheid
2) Affectieve factor door gebrek aan spijt en empathisch vermogen.
3) Factor mbt leefstijl door impulsiviteit en gebrek aan doelen
4) Antisociale factor door beperkte gedragsbeheersing en antisociaal gedrag.
Borderline persoonlijkheidsstoornis.
Definitie: gekenmerkt dor een reeks gedragsmatige, emotionele en persoonlijkheidskenmerken.
Instabiliteit in de relaties, het zelfbeeld en de stemming en een gebrek aan controle over impulsen.
Emotionele instabiliteit en impulsiviteit. Onzeker over persoonlijke identiteit, waarden, doelen,
carrière en seksuele geaardheid. Ze willen niet alleen zijn. Gevoelens tegen anderen: intens en
wisselend.
Stemmingswisselingen die kunnen variëren van woede en prikkelbaarheid tot depressie en angst.
Andere kenmerken: chronische woede, eenzaamheid, verveling, diep gevoel van leegte en
impulsiviteit. Ook moeilijk om emoties te reguleren. Vaak moeite om woede te beheersen.
Een motivatie voor zelfmoordpogingen en niet-suïcidale automutilatie komt mogelijk voort uit het
verlangen aan ongewenste emoties te ontsnappen.
Vaak sprake van traumatische ervaringen in de jeugd.
Afsplitsing: het onvermogen om de positieve en negatieve aspecten van het zelf en van anderen
met elkaar te verenigen, het geen leidt tot plotselinge wisselingen tussen positieve en negatieve
gevoelens.
Theatrale persoonlijkheidsstoornis.
Definitie: overdreven emotionaliteit en overweldigende behoefte om in het centrum van aandacht
te staan. Meestal dramatisch en emotioneel, maar hun emoties lijken oppervlakkig, overdreven en
vluchtig.
Mensen kunnen ongewoon van streek raken door nieuws over een droevige gebeurtenis. Meestal
egoïstisch en verdragen geen uitstel van beloningen.
Narcistische persoonlijkheidsstoornis.
Definitie: opgeblazen of groots gevoel van zichzelf en een extreme behoefte aan bewondering. Zijn
beter in staat dan borderline persoonlijkheidsstoornis hun gedachten en handelingen te
organiseren. Zijn extreem gevoelig voor alles wat lijkt op afwijzing en kritiek.
Ze hebben geen empathie met anderen.
Sterk opgeblazen eigendunk en minder melodramatisch dan mensen met een theatrale
persoonlijkheidsstoornis.
Hebben een onverzadigbare ambitie.
Belangstelling voor mensen eenzijdig.
, 17.1.3
Cluster C: persoonlijkheidsstoornissen gekenmerkt door nerveus of angstig gedrag.
Hoewel de kenmerken van deze stoornissen verschillen, hebben ze een gezamenlijke component:
angst of nervositeit.
Ontwijkende persoonlijkheidsstoornis.
Definitie: vermijden van sociale relatie als gevolg van angst voor afwijzing. Vermijden van groeps-,
werk- of recreationele activiteiten uit angst voor afwijzing. Een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis
is mogelijk een ernstiger vorm van sociale fobie.
Warme gevoelens voor andere mensen.
Meestal aan routines vasthouden.
Overlap tussen ontwijkende persoonlijkheidsstoornis en sociale fobie.
Afhankelijke persoonlijkheidsstoornis.
Definitie: buitensporige behoefte om door anderen te worden verzorgd. Vinden het moeilijk om iets
alleen te doen. Komt vaker voor bij vrouwen.
Afhankelijke persoonlijkheidsstoornis is gekoppeld aan andere psychologische stoornissen (ernstige
depressie, bipolaire stoornis en sociale fobie) en lichamelijke problemen (hoge RR, kanker,
spijsverteringsstoornissen zoals maagzweer en colitis).
Obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis.
Definitie: kenmerken zijn overmatige ordelijkheid, perfectionisme, rigiditeit, moeilijk kunnen
omgaan met ambiguïteit, moeilijk gevoelens kunnen uiten en uiterste nauwgezetheid in het werk.
Het is egosyntoon. In tegenstelling tot obsessieve-compulsieve angststoornis nu niet
regelrechte dwang of obsessie.
In geval van stress kan het wel die van angst zijn , van hierboven. (as1)
Behoefte aan perfectie.
Rigiditeit belemmert sociale relaties.
Moeilijk ontspannen.
Bijzaak:
Persoonlijkheidsstoornissen kunnen worden voorgesteld als extreme variaties van de vijf
persoonlijkheidsdimensies die het 5 factoren model vormen. 1) neurotisme of emotionele
instabiliteit. 2) extraversie 3)openheid voor ervaringen 4)meegaandheid of vriendelijkheid. 5)
zorgvuldigheid.
17.2 theoretische perspectieven.
Psychodynamische perspectieven.
Modernere psychodynamische theorieën: richt zich op leeftijdsfase 18mnd - 3jaar. Kinderen
ontwikkelen een identiteit die onafhankelijk is van die van de ouders.
Theorie volgens Hans Kohut
Een van de belangrijkste grondleggers. Theorie wordt: zelfpsychologie genoemd.
Legt nadruk op processen in de ontwikkeling van een samenhangend zelfgevoel.
Kinderen ontwikkelen een groot beeld van eigenwaarde. Dit is niet het geval als het kind geen
steun van de ouders krijgt. Het zelfbeeld wordt beschadigd.
Gebrek aan empathie en steun van ouders basis voor pathologisch narcisme. omvat
constructie van grandioze, wankele façade van zelfperfectie. Hierdoor blijft de betrokkene
kwetsbaar.
Therapie geeft gelegenheid om narcistische patiënten hun grandioze zelfbeeld te uiten en de
therapeut te idealiseren.
Theorie volgens Otto Kernberg.
Borderline persoonlijkheidsstoornis ontstaat wanneer de ontwikkeling van een gevoel van stabiliteit
en eenheid ten aanzien van het zelf en anderen tijdens de vroege jeugd uitblijft.
Ouders doen per definitie nooit aan alle behoeften van hun kinderen. Daarom moeten kinderen
tijdens de vroege ontwikkelingen het beeld van de ondersteunende troostende goede moeder
verzoenen met het beeld van de ongewillige, frustrerende slechte moeder. Dit wordt op therapie
geleerd.
Theorie volgens Margaret Mahler.
17.1 typen persoonlijkheidsstoornissen.
Persoonlijkheidsstoornissen: Excessief rigide gedragspatronen of een manier van omgaan met
anderen die uiteindelijk negatieve consequenties heeft.
De verstoorde persoonlijkheidstrekken of kenmerken komen tegen de adolescentie of vroege
volwassenheid aan het licht en blijven gedurende het grootste deel van het volwassen leven
bestaan.
De waarschuwingssignalen van persoonlijkheidsstoornissen kunnen tijdens de jeugd of bij kleuters
al worden ontdekt. De eigenschappen worden door de persoon zelf als natuurlijk deel van zichzelf
beschouwd. Ze hebben er dus geen last van. egosyntoon.
Egodystoon hieronder worden gedragingen of gevoelens verstaan die als vreemd ten opzichte
van de eigen identiteit wordt beschouwd; de patiënt heeft er zelf wel last van.
As I: klinische syndromen (stemmingsstoornissen en angststoornissen)
As II: persoonlijkheidsstoornissen
Persoonlijkheidsstoornissen ingedeeld in 3 clusters (DSM-IV)
o Cluster A: mensen die als vreemd of excentriek worden beschouwd.
Paranoïde, schizoïde, schizotypische persoonlijkheidsstoornis.
o Cluster B: mensen met een overmatig dramatisch, emotioneel of labiel gedrag.
Antisociale , borderline, theatrale en narcistische persoonlijkheidsstoornissen.
o Cluster C: mensen die vaak nerveus of angstig lijken.
Ontwijkende, afhankelijke en obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornissen.
17.1.1 Persoonlijkheidsstoornissen gekenmerkt door vreemd of excentriek gedrag:
cluster A
Cluster A: persoonlijkheidsstoornissen gekenmerkt door vreemd of excentriek gedrag.
Hebben vaak problemen met relaties met anderen of vertonen weinig of geen belangstelling voor
het ontwikkelen van sociale relaties.
Paranoïde persoonlijkheidsstoornis.
Definitie: gekenmerkt door diepgaande achterdocht (gedrag interpreteren als opzettelijk
bedreigend of vernederend). Meestal overgevoelig voor kritiek, worden snel boos en koesteren wrok
als ze denken dat ze verkeerd worden behandeld. Ze ontkennen schuld voor wandaden. Worden
gezien als: koud, afstandelijk, sluw, onoprecht en humorloos.
In de diagnose moet rekening worden gehouden met culturele en sociaal-politieke factoren.
Zoeken zelden behandeling: ze zien andere als de oorzaak voor hun problemen. Komt meer voor bij
mannen.
Schizoïde persoonlijkheidsstoornis.
Definitie: kenmerk is sociale isolatie. Geen belangstelling voor sociale relaties. Ervaren zelden of
nooit sterke worde, vreugde of droefheid. Lijken vlak, afstandelijk en koel. Hebben beter contact
met werkelijkheid dan mensen met schizofrenie.
Schizotypische persoonlijkheidsstoornis.
Definitie: problemen hebben met het vormen van nauwe relaties en van wie het gedrag niet zo
gestoord is dat ze voor de diagnose schizofrenie in aanmerking komen. In sociale situaties kunnen
ze bijzonder nerveus zijn. De angst voor afwijzing of voor een negatief oordeel van anderen.
Mensen met deze stoornis kunnen ongewone waarnemingen of illusies hebben. Ze kunnen
betrekkingswanen ontwikkelen en magisch denken. Hun eigen spraak kan vaag zijn of ongewoon
abstract. Ze kunnen er onverzorgd uitzien, ongewone maniërismen tentoonspreiden en ongewoon
gedrag vertonen.
Grote genetische basis gemeen met schizofrenie.
17.1.2
Cluster B: persoonlijkheidsstoornissen gekenmerkt door dramatisch, emotioneel of labiel gedrag.
Vertonen gedragspatronen die buitensporig, onvoorspelbaar of egoïstisch zijn. Hebben problemen
met het vormen en onderhouden van relaties.
Antisociale persoonlijkheidsstoornis.
,Definitie: zijn antisociaal, schenden rechten van anderen, storen zich niet aan sociale normen en
overtreden soms de wet. Zijn vaak impulsief en komen hun verplichtingen aan anderen niet na.
Vertonen nauwelijks angst als ze met een bedreigende situatie worden geconfronteerd. Geen
schuldgevoel of spijt na een misdrijf. Toch vaak een opp. charme en een gemiddelde intelligentie.
Vaker bij mannen. Voor de diagnose moet de persoon >18 jaar zijn.
Achterliggende persoonlijkheidsstoornis die met de stoornis gepaard gaan, kenmerken als egoïsme,
manipulatiedrang, gebrek aan empathie, schuldgevoel of spijt, en ongevoeligheid tegenover
anderen blijven constant gelijk.
Komt vaker voor lagere sociaaleconomische groepen.
Psychopaat: terug op het idee dat er iets mis is met het psychologisch functioneren vd betrokkene.
Sociopaat: nadruk op de sociale afwijking vd betrokkene.
Persoonlijkheidsdimensie: oppervlakkige charme, egoïsme, gebrek aan empathie, gevoelloosheid,
meedogenloosheid, profiteren van anderen en onverschilligheid tegenover de gevoelens en het
welzijn van anderen. Komt voor bij mensen die psychopathische kenmerken bezitten maar binnen
de wet blijven.
Gedragsdimensie: aannemen van een algeheel instabiele en antisociale manier van leven,
waaronder regelmatige problemen met de autoriteiten, een slecht arbeidsverleden en instabiele
relaties.
Kenmerken met 4 basisfactoren
1) Interpersoonlijke factor gekenmerkt door: oppervlakkigheid, pompeusheid,
onbetrouwbaarheid
2) Affectieve factor door gebrek aan spijt en empathisch vermogen.
3) Factor mbt leefstijl door impulsiviteit en gebrek aan doelen
4) Antisociale factor door beperkte gedragsbeheersing en antisociaal gedrag.
Borderline persoonlijkheidsstoornis.
Definitie: gekenmerkt dor een reeks gedragsmatige, emotionele en persoonlijkheidskenmerken.
Instabiliteit in de relaties, het zelfbeeld en de stemming en een gebrek aan controle over impulsen.
Emotionele instabiliteit en impulsiviteit. Onzeker over persoonlijke identiteit, waarden, doelen,
carrière en seksuele geaardheid. Ze willen niet alleen zijn. Gevoelens tegen anderen: intens en
wisselend.
Stemmingswisselingen die kunnen variëren van woede en prikkelbaarheid tot depressie en angst.
Andere kenmerken: chronische woede, eenzaamheid, verveling, diep gevoel van leegte en
impulsiviteit. Ook moeilijk om emoties te reguleren. Vaak moeite om woede te beheersen.
Een motivatie voor zelfmoordpogingen en niet-suïcidale automutilatie komt mogelijk voort uit het
verlangen aan ongewenste emoties te ontsnappen.
Vaak sprake van traumatische ervaringen in de jeugd.
Afsplitsing: het onvermogen om de positieve en negatieve aspecten van het zelf en van anderen
met elkaar te verenigen, het geen leidt tot plotselinge wisselingen tussen positieve en negatieve
gevoelens.
Theatrale persoonlijkheidsstoornis.
Definitie: overdreven emotionaliteit en overweldigende behoefte om in het centrum van aandacht
te staan. Meestal dramatisch en emotioneel, maar hun emoties lijken oppervlakkig, overdreven en
vluchtig.
Mensen kunnen ongewoon van streek raken door nieuws over een droevige gebeurtenis. Meestal
egoïstisch en verdragen geen uitstel van beloningen.
Narcistische persoonlijkheidsstoornis.
Definitie: opgeblazen of groots gevoel van zichzelf en een extreme behoefte aan bewondering. Zijn
beter in staat dan borderline persoonlijkheidsstoornis hun gedachten en handelingen te
organiseren. Zijn extreem gevoelig voor alles wat lijkt op afwijzing en kritiek.
Ze hebben geen empathie met anderen.
Sterk opgeblazen eigendunk en minder melodramatisch dan mensen met een theatrale
persoonlijkheidsstoornis.
Hebben een onverzadigbare ambitie.
Belangstelling voor mensen eenzijdig.
, 17.1.3
Cluster C: persoonlijkheidsstoornissen gekenmerkt door nerveus of angstig gedrag.
Hoewel de kenmerken van deze stoornissen verschillen, hebben ze een gezamenlijke component:
angst of nervositeit.
Ontwijkende persoonlijkheidsstoornis.
Definitie: vermijden van sociale relatie als gevolg van angst voor afwijzing. Vermijden van groeps-,
werk- of recreationele activiteiten uit angst voor afwijzing. Een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis
is mogelijk een ernstiger vorm van sociale fobie.
Warme gevoelens voor andere mensen.
Meestal aan routines vasthouden.
Overlap tussen ontwijkende persoonlijkheidsstoornis en sociale fobie.
Afhankelijke persoonlijkheidsstoornis.
Definitie: buitensporige behoefte om door anderen te worden verzorgd. Vinden het moeilijk om iets
alleen te doen. Komt vaker voor bij vrouwen.
Afhankelijke persoonlijkheidsstoornis is gekoppeld aan andere psychologische stoornissen (ernstige
depressie, bipolaire stoornis en sociale fobie) en lichamelijke problemen (hoge RR, kanker,
spijsverteringsstoornissen zoals maagzweer en colitis).
Obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis.
Definitie: kenmerken zijn overmatige ordelijkheid, perfectionisme, rigiditeit, moeilijk kunnen
omgaan met ambiguïteit, moeilijk gevoelens kunnen uiten en uiterste nauwgezetheid in het werk.
Het is egosyntoon. In tegenstelling tot obsessieve-compulsieve angststoornis nu niet
regelrechte dwang of obsessie.
In geval van stress kan het wel die van angst zijn , van hierboven. (as1)
Behoefte aan perfectie.
Rigiditeit belemmert sociale relaties.
Moeilijk ontspannen.
Bijzaak:
Persoonlijkheidsstoornissen kunnen worden voorgesteld als extreme variaties van de vijf
persoonlijkheidsdimensies die het 5 factoren model vormen. 1) neurotisme of emotionele
instabiliteit. 2) extraversie 3)openheid voor ervaringen 4)meegaandheid of vriendelijkheid. 5)
zorgvuldigheid.
17.2 theoretische perspectieven.
Psychodynamische perspectieven.
Modernere psychodynamische theorieën: richt zich op leeftijdsfase 18mnd - 3jaar. Kinderen
ontwikkelen een identiteit die onafhankelijk is van die van de ouders.
Theorie volgens Hans Kohut
Een van de belangrijkste grondleggers. Theorie wordt: zelfpsychologie genoemd.
Legt nadruk op processen in de ontwikkeling van een samenhangend zelfgevoel.
Kinderen ontwikkelen een groot beeld van eigenwaarde. Dit is niet het geval als het kind geen
steun van de ouders krijgt. Het zelfbeeld wordt beschadigd.
Gebrek aan empathie en steun van ouders basis voor pathologisch narcisme. omvat
constructie van grandioze, wankele façade van zelfperfectie. Hierdoor blijft de betrokkene
kwetsbaar.
Therapie geeft gelegenheid om narcistische patiënten hun grandioze zelfbeeld te uiten en de
therapeut te idealiseren.
Theorie volgens Otto Kernberg.
Borderline persoonlijkheidsstoornis ontstaat wanneer de ontwikkeling van een gevoel van stabiliteit
en eenheid ten aanzien van het zelf en anderen tijdens de vroege jeugd uitblijft.
Ouders doen per definitie nooit aan alle behoeften van hun kinderen. Daarom moeten kinderen
tijdens de vroege ontwikkelingen het beeld van de ondersteunende troostende goede moeder
verzoenen met het beeld van de ongewillige, frustrerende slechte moeder. Dit wordt op therapie
geleerd.
Theorie volgens Margaret Mahler.