Nutrition 1.1
Fysiologie:
Spijsverteringsstelsel:
Stukjes eten worden met speeksel vermengd. Het volume van het voedsel neemt
daardoor toe. Het enzym amylase in het speeksel breekt koolhydraten (zetmeel)
in het eten af tot suikers.
De tong duwt het voedsel via het strotklepje in de slokdarm. Door
knijpbewegingen vervoert de slokdarm de brij van eten en speeksel in kleine
porties naar de maag. In de maag komt het voedsel in aanraking met maagzuur.
Het is heel sterk zuur dat door klieren in de maagwand wordt gemaakt. De maag
beschermt zichzelf ertegen met een dikke slijmlaag (mucus). Het maagzuur
doodt ziekmakende micro-organismen. De klieren in de maagwand maken ook
enzymen die in de darmen eiwit afbreken. De maagportier laat de vloeibare
massa door naar de dunne darm. In dit gedeelte van de dunne darm, de
twaalfvingerige darm, wordt de voedselmassa gemengd met alvleessap uit de
alvleesklier. (pancreas). Alvleessap neutraliseert maagzuur en bevat ook
enzymen die zetmeel, vetten en eiwitten afbreken. Via de darmwand komen de
voedingsstoffen daarna in het bloed. In de twaalfvingerige darm wordt ook nog
gal uit de lever toegevoegd. De gal wordt tijdelijk opgeslagen in de galblaas.
Daarna wordt het door de voedselbrij gemengd. Gal lost vetten in het voedsel op
waardoor ze gemakkelijker afbreken. Hierdoor komt de voedselbrij als een dikke
vloeibare emulsie in de dunne darm. De dunne darm lig in kronkels in de
buikholte. Het afbreken van voedsel tot kleinere delen gaat hier door. Suikers,
vetzuren, aminozuren, vitamines en mineralen komen via de darmwand in het
bloed. Alle onverteerbare delen blijven achter en komen via beweging van de
darmwand (peristaltiek) in de dikke darm. De wand van de dunne darm bestaat
uit geplooid slijmvlies. Hier in zitten darmvlokken, kleine vinger vormige
uitsteeksels die bezet zijn met darmcellen. De darmcellen nemen de
voedingsstoffen op. Via het bloed worden ze getransporteerd naar de lever. De
vetdeeltjes komen via de lymfevaten in het bloed terecht. De dikke darm is veel
korter en wijder dan de dunne darm. Hierin zitten veel bacteriën, de zogenaamde
darmflora. De werking van de darmflora maakt alle nog bruikbare stoffen uit de
resterende voedselmassa geschikt voor opname in het bloed of voor ‘eigen’
gebruik van bacteriën. De dikke darm onttrekt veel water aan het voedsel.
Bacteriën in de dikke darm verteren de nog onverteerde delen van het voedsel.
Hierdoor kunnen alle nog bruikbare stoffen uit het voedselrestant opgenomen
worden. Bij dat verteringsproces komen gassen vrij die het lichaam via de
endeldarm verlaten. Dit zijn darmgassen ook wel winden genoemd. De ontlasting
wordt door de dikke darm voortgestuwd naar het laatste deel van de darm. Dit is
de endeldarm. Hier owrdt de ontlasting opgeslagen tot er aandrang ontstaat. Als
er gelegenheid is, kunnen de uitwerpselen via de anus afgevoerd worden.
Proteasen: eiwitsplitsende enzymen.
lipasen: vet splitsende enzymen.
amylasen: koolhydraat splitsende enzymen.
,Hormonen zijn signaalstoffen die door klieren via de bloedbaan aan doelcellen of
organen worden afgegeven.
Koolhydraatvertering:
monosachariden: direct opneembaar.
di- en Polysachariden moeten eerst worden omgezet in glucose.
Zetmeel is zonder voorbehandeling (verhitten, koken, bakken e.d.) niet
verteerbaar.
Begint in de mond: speeksel bevat amylase, knipt de lange ketens tot dextrinen
(10 tot 20 glucose moleculen) en vervolgens in maltose (disacharide) IN de maag
gebeurt niks, door zure milieu.
Dunne darm: sap van alvleesklier (pancreassap) bevat amylase, maltase en
sacharase. Via poortader getransporteerd naar de lever. Fructose en galactose
worden door de lever omgezet in glucose. Glucose word door de lever afgegeven
aan het bloed als energievoorziening. Of als bouwteen voor de opbouw van
vetzuren en niet-essentiële aminozuren.
Vezels:
- beter kauwen = meer speeksel(bevat amylase dat zetmeel knipt.)
- eerder gevoel van verzadiging
- dunne darm: vertraging opname voedingsstoffen.
-dikke darm: voedingsstof voor colibacteriën.
-laxerende werking, ontlasting blijft zachter.
-transport afvalstoffen
- cholesterol verlagend.
Nadeel: calcium, ijzer en zink hechten ook aan vezels.
Hoe regelt je lichaam de bloedsuikerspiegel?
Hormomen zijn van grote invloed op de stofwisseling in ons lichaam. Een van de
belangrijkste gehaltes die op pijl wordt gehouden dankzij hormonen, is het
glucosegehalte in het bloed. Hierbij zijn de hormonen glucagon en insuline
betrokken. Het glucose gehalte van bloed is hetzelfde als de bloedsuikerspiegel.
Beide is het een maat van de hoeveelheid glucose in het bloed. Het gehalte is
normaal tussen de 4 en 8 mmol glucose per liter. Het schommelt naarmate men
heeft gegeten of geruime tijd niet heeft gegeten. Het gehalte wordt echter wel
constant gehouden door de opslag van glucose in de lever en spieren in de vorm
van glycogeen. Dit opslaan en vrijgeven van glucose uit glycogeen wordt
geregeld door de twee hormonen insuline en glucagon.
Insuline: taak is verminderen van glucoseconcentratie in het bloed. En dat de
glucosereceptoren van de cellen werken, waardoor de celllen glucose op kunnen
nemen.
Glucagon: is een polypeptidehormoon, heeft de tegenovergestelde werking van
insuline. Glucagon wordt ook aangemaakt in de alvleesklier. Glucagon verhoogt
de bloedsuikerspiegel. Het stimuleert de afbraak van glycogeen tot glucose om
, zo de bloedsuikerspiegel te verhogen. Ook worden andere stoffen vrijgemaakt,
zoals aminozuren uit eiwitten en glycerol uit vet. Deze stoffen kunnen later
worden aangesproken in de gluconeogenese, waardoor glucose wordt gevormd.
Glycemische index:
De glycemische index (GL) is een maat om aan te geven hoe snel koolhydraten
in de darm worden verteerd en als glucose in het bloed worden opgenomen. Het
geeft in inschatting voor de snelheid waarmee de bloedsuikerspiegel stijgt als
iemand koolhydraten heeft gegeten. Snel afgebroken koolhydraten hebben een
hoge glycemische index. Langzaam is laag. Ook wel snelle en langzame
koolhydraten.
Lactase:De darm, maakt lactase aan.
Lactase is een enzym dat betrokken is bij de hydrolyse van lactose tot galactose
en glucose. Bij de geboorte hebben we lactase, alleen dat verdwijnt naar mate
we volwassen worden. Lactose-intolerantie. Wanneer de lactose niet of niet
volledig kan verteren, is er sprake van lactose intolerantie. Als in de darm te
weinig lactase wordt aangemaakt, kan het lichaam het onverteerde melksuiker
niet opnemen.
Coeliakie:
Glutenintolerantie, een glutenvrij dieet is de enige behandeling. Gluten is een
eiwit dat van nature voorkomt in bepaalde granen. Coeliakie is een aandoneing
van de dunne darm die het geval is van intolerantie voor gluten. Daarbij
beschadigen gluten in de voeding het slijmvlies van de dunne darm zodanig dat
deze niet meer optimaal werkt. Darmvlokken zorgen voor dat voedingsstoffen
worden opgenomen. Bij Coeliakie zijn ze beschadigd of verdwenen.
Katoblisme: afbraak van stoffen waarbij energie vrij komt, ook wel dissimilatie of
verbranding genoemd.
Anaolisme: opbouw van stoffen waarbij energie vastgelegd wordt, ook wel
assimilatie genoemd.
De energiebehoefte van het lichaam in rust wordt de ruststofwisseling of basaal
metabolisme genoemd. Afhankelijk van lichaamsgrootte, gewicht, leeftijd en
geslacht. Ook hormoonwerking, stress en ziekte beïnvloeden de basaal
metabolisme. (BMR)
citroencylus heeft te maken met aeroob glucose verbranden.
Vetmetbolisme en eiwitmetabolisme zijn met zuurstof.
Ouder worden: bmr wordt minder. Vrouwen is minder.
RMR: is hoger, door voeding, stress, lichaamssamenstelling.
Lichaamssamenstelling: water, vet, eiwit.
respiratior Quotiënt (RQ) : ademhalingsquotiënt. Verhouding O2 en CO2
RQ is 1 na een koolhydraat rijke maaltijd.
Fysiologie:
Spijsverteringsstelsel:
Stukjes eten worden met speeksel vermengd. Het volume van het voedsel neemt
daardoor toe. Het enzym amylase in het speeksel breekt koolhydraten (zetmeel)
in het eten af tot suikers.
De tong duwt het voedsel via het strotklepje in de slokdarm. Door
knijpbewegingen vervoert de slokdarm de brij van eten en speeksel in kleine
porties naar de maag. In de maag komt het voedsel in aanraking met maagzuur.
Het is heel sterk zuur dat door klieren in de maagwand wordt gemaakt. De maag
beschermt zichzelf ertegen met een dikke slijmlaag (mucus). Het maagzuur
doodt ziekmakende micro-organismen. De klieren in de maagwand maken ook
enzymen die in de darmen eiwit afbreken. De maagportier laat de vloeibare
massa door naar de dunne darm. In dit gedeelte van de dunne darm, de
twaalfvingerige darm, wordt de voedselmassa gemengd met alvleessap uit de
alvleesklier. (pancreas). Alvleessap neutraliseert maagzuur en bevat ook
enzymen die zetmeel, vetten en eiwitten afbreken. Via de darmwand komen de
voedingsstoffen daarna in het bloed. In de twaalfvingerige darm wordt ook nog
gal uit de lever toegevoegd. De gal wordt tijdelijk opgeslagen in de galblaas.
Daarna wordt het door de voedselbrij gemengd. Gal lost vetten in het voedsel op
waardoor ze gemakkelijker afbreken. Hierdoor komt de voedselbrij als een dikke
vloeibare emulsie in de dunne darm. De dunne darm lig in kronkels in de
buikholte. Het afbreken van voedsel tot kleinere delen gaat hier door. Suikers,
vetzuren, aminozuren, vitamines en mineralen komen via de darmwand in het
bloed. Alle onverteerbare delen blijven achter en komen via beweging van de
darmwand (peristaltiek) in de dikke darm. De wand van de dunne darm bestaat
uit geplooid slijmvlies. Hier in zitten darmvlokken, kleine vinger vormige
uitsteeksels die bezet zijn met darmcellen. De darmcellen nemen de
voedingsstoffen op. Via het bloed worden ze getransporteerd naar de lever. De
vetdeeltjes komen via de lymfevaten in het bloed terecht. De dikke darm is veel
korter en wijder dan de dunne darm. Hierin zitten veel bacteriën, de zogenaamde
darmflora. De werking van de darmflora maakt alle nog bruikbare stoffen uit de
resterende voedselmassa geschikt voor opname in het bloed of voor ‘eigen’
gebruik van bacteriën. De dikke darm onttrekt veel water aan het voedsel.
Bacteriën in de dikke darm verteren de nog onverteerde delen van het voedsel.
Hierdoor kunnen alle nog bruikbare stoffen uit het voedselrestant opgenomen
worden. Bij dat verteringsproces komen gassen vrij die het lichaam via de
endeldarm verlaten. Dit zijn darmgassen ook wel winden genoemd. De ontlasting
wordt door de dikke darm voortgestuwd naar het laatste deel van de darm. Dit is
de endeldarm. Hier owrdt de ontlasting opgeslagen tot er aandrang ontstaat. Als
er gelegenheid is, kunnen de uitwerpselen via de anus afgevoerd worden.
Proteasen: eiwitsplitsende enzymen.
lipasen: vet splitsende enzymen.
amylasen: koolhydraat splitsende enzymen.
,Hormonen zijn signaalstoffen die door klieren via de bloedbaan aan doelcellen of
organen worden afgegeven.
Koolhydraatvertering:
monosachariden: direct opneembaar.
di- en Polysachariden moeten eerst worden omgezet in glucose.
Zetmeel is zonder voorbehandeling (verhitten, koken, bakken e.d.) niet
verteerbaar.
Begint in de mond: speeksel bevat amylase, knipt de lange ketens tot dextrinen
(10 tot 20 glucose moleculen) en vervolgens in maltose (disacharide) IN de maag
gebeurt niks, door zure milieu.
Dunne darm: sap van alvleesklier (pancreassap) bevat amylase, maltase en
sacharase. Via poortader getransporteerd naar de lever. Fructose en galactose
worden door de lever omgezet in glucose. Glucose word door de lever afgegeven
aan het bloed als energievoorziening. Of als bouwteen voor de opbouw van
vetzuren en niet-essentiële aminozuren.
Vezels:
- beter kauwen = meer speeksel(bevat amylase dat zetmeel knipt.)
- eerder gevoel van verzadiging
- dunne darm: vertraging opname voedingsstoffen.
-dikke darm: voedingsstof voor colibacteriën.
-laxerende werking, ontlasting blijft zachter.
-transport afvalstoffen
- cholesterol verlagend.
Nadeel: calcium, ijzer en zink hechten ook aan vezels.
Hoe regelt je lichaam de bloedsuikerspiegel?
Hormomen zijn van grote invloed op de stofwisseling in ons lichaam. Een van de
belangrijkste gehaltes die op pijl wordt gehouden dankzij hormonen, is het
glucosegehalte in het bloed. Hierbij zijn de hormonen glucagon en insuline
betrokken. Het glucose gehalte van bloed is hetzelfde als de bloedsuikerspiegel.
Beide is het een maat van de hoeveelheid glucose in het bloed. Het gehalte is
normaal tussen de 4 en 8 mmol glucose per liter. Het schommelt naarmate men
heeft gegeten of geruime tijd niet heeft gegeten. Het gehalte wordt echter wel
constant gehouden door de opslag van glucose in de lever en spieren in de vorm
van glycogeen. Dit opslaan en vrijgeven van glucose uit glycogeen wordt
geregeld door de twee hormonen insuline en glucagon.
Insuline: taak is verminderen van glucoseconcentratie in het bloed. En dat de
glucosereceptoren van de cellen werken, waardoor de celllen glucose op kunnen
nemen.
Glucagon: is een polypeptidehormoon, heeft de tegenovergestelde werking van
insuline. Glucagon wordt ook aangemaakt in de alvleesklier. Glucagon verhoogt
de bloedsuikerspiegel. Het stimuleert de afbraak van glycogeen tot glucose om
, zo de bloedsuikerspiegel te verhogen. Ook worden andere stoffen vrijgemaakt,
zoals aminozuren uit eiwitten en glycerol uit vet. Deze stoffen kunnen later
worden aangesproken in de gluconeogenese, waardoor glucose wordt gevormd.
Glycemische index:
De glycemische index (GL) is een maat om aan te geven hoe snel koolhydraten
in de darm worden verteerd en als glucose in het bloed worden opgenomen. Het
geeft in inschatting voor de snelheid waarmee de bloedsuikerspiegel stijgt als
iemand koolhydraten heeft gegeten. Snel afgebroken koolhydraten hebben een
hoge glycemische index. Langzaam is laag. Ook wel snelle en langzame
koolhydraten.
Lactase:De darm, maakt lactase aan.
Lactase is een enzym dat betrokken is bij de hydrolyse van lactose tot galactose
en glucose. Bij de geboorte hebben we lactase, alleen dat verdwijnt naar mate
we volwassen worden. Lactose-intolerantie. Wanneer de lactose niet of niet
volledig kan verteren, is er sprake van lactose intolerantie. Als in de darm te
weinig lactase wordt aangemaakt, kan het lichaam het onverteerde melksuiker
niet opnemen.
Coeliakie:
Glutenintolerantie, een glutenvrij dieet is de enige behandeling. Gluten is een
eiwit dat van nature voorkomt in bepaalde granen. Coeliakie is een aandoneing
van de dunne darm die het geval is van intolerantie voor gluten. Daarbij
beschadigen gluten in de voeding het slijmvlies van de dunne darm zodanig dat
deze niet meer optimaal werkt. Darmvlokken zorgen voor dat voedingsstoffen
worden opgenomen. Bij Coeliakie zijn ze beschadigd of verdwenen.
Katoblisme: afbraak van stoffen waarbij energie vrij komt, ook wel dissimilatie of
verbranding genoemd.
Anaolisme: opbouw van stoffen waarbij energie vastgelegd wordt, ook wel
assimilatie genoemd.
De energiebehoefte van het lichaam in rust wordt de ruststofwisseling of basaal
metabolisme genoemd. Afhankelijk van lichaamsgrootte, gewicht, leeftijd en
geslacht. Ook hormoonwerking, stress en ziekte beïnvloeden de basaal
metabolisme. (BMR)
citroencylus heeft te maken met aeroob glucose verbranden.
Vetmetbolisme en eiwitmetabolisme zijn met zuurstof.
Ouder worden: bmr wordt minder. Vrouwen is minder.
RMR: is hoger, door voeding, stress, lichaamssamenstelling.
Lichaamssamenstelling: water, vet, eiwit.
respiratior Quotiënt (RQ) : ademhalingsquotiënt. Verhouding O2 en CO2
RQ is 1 na een koolhydraat rijke maaltijd.