en hun ouders’
Ince, D. & Kalthof. H. e. a. (2020). Opgroeien en opvoeden. Normale uitdagingen voor
kinderen, jongeren en hun ouders. Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut.
Hoofdstuk 1 ‘Theorieën over de ontwikkeling van kinderen’
Ontwikkeling: Veranderingen in het menselijk gedrag die behoren tot de leeftijd. Dit verloopt
in een vaste volgorde.
Theorieën Toelichting
Psychoanalyse - De ontwikkeling wordt gestuurd door:
1. Onbewuste strevingen/ driften i.c.m.
beperkingen uit de omgeving.
2. Voorstellingen die kinderen hebben van
belangrijke personen. In het bijzonder de
ouders.
- De nadruk ligt op de emoties.
- Uitgangspunt: Loskomen van ouders en de autonomie
ontwikkelen passend bij de leeftijd.
Cognitieve theorieën
Theorie van Piaget - Kinderen ontwikkelen zich middels schema’s en/of
mentale structuren.
- Kinderen krijgen kennis door assimilatie
(waarnemingen opnemen/ integreren in een bestaand
schema) en accommodatie (schema aanpassen
a.d.h.v. waarnemingen).
- 4 stadia van ontwikkeling:
1. Sensomotorisch
2. Preoperationeel
3. Concreet- operationeel
4. Formeel- operationeel
- Piaget heeft de kracht van taal onderschat die de
cognitieve ontwikkeling beïnvloed.
De informatieverwerkingstheorie - Menselijk brein is een systeem dat;
meer of minder informatie waarneemt (input), verwerkt
en organiseert (proces) en een gedragsreactie
genereert (output).
- Er is veel aandacht voor functies die plannen,
zelfregulatie en mentale flexibiliteit mogelijk maken.
Theorie van Vygotsky - De ontwikkeling kan alleen plaatsvinden, wanneer er
wederzijdse beïnvloeding is tussen het kind en de
mensen in zijn/ haar omgeving.
- Leren door interacties met anderen.
- ‘Zone van naaste ontwikkeling’: Zone waarin het kind
, zich kan ontwikkeling d.m.v. opdrachten met enige
hulp van anderen.
Contextuele theorieën Wat is de rol van de omgeving bij de ontwikkeling van het
kind?
De ecologische theorie van - 5 niveaus in de interactie tussen mensen en omgeving
Bronfenbrenner die direct of indirect invloed hebben op de
ontwikkeling van het kind.
- De eerste 4 niveaus zijn hiërarchisch geordend en
worden voorgesteld als concentrische cirkels.
1. Microsysteem: directe omgeving, zoals gezin,
leeftijdsgenoten,school, social media. (meeste
beïnvloeding)
2. Mesosysteem: processen tussen twee of meer
microsystemen, zoals ouders die contact
hebben met de school.
3. Exosysteem: Systemen waarmee het kind niet
zelf contact heeft, zoals het werk van de
ouders, marketing/ reclame of de
technologische ontwikkelingen, zoals
smartphones, speakers etc.
4. Macrosysteem: Cultuur waarin iemand leeft,
maatschappelijke instellingen, de regering en
wet en regelgevingen etc.
5. Chronosysteem: Overgangen in de tijd, maken
ook dat je veranderd. Dit worden ook wel
‘ecologische transities’ genoemd.
Culturele dimensie van opvoeding
Super & Harkness (1986) hebben een raamwerk ontwikkeld
dat meer rekening houdt met de culturele dimensie van
opvoeding, namelijk; ‘developmental niche’.
Deze bestaat uit 3 subsystemen:
1. Settingen: fysieke en sociale settingen waarin het kind
leeft.
2. Verzorgings- en opvoedingsgewoonten in de cultuur.
3. Psychologie van de opvoeders: opvattingen van
ouders over verzorging, opvoeding en ontwikkeling
van kinderen.
In deze 3 systemen groeit het kind op.
De levenslooptheorie - Gaat uit van verschillende ontwikkelingstaken per
leeftijd. Omdat niet iedereen alles hetzelfde aanpakt
vallen er onder ontwikkelingstaken
ontwikkelingstrajecten.
- Twee centrale kernwoorden:
1. Plasticiteit: de ‘oude’ kunnen worden, wanneer
je iets meemaakt wat niet prettig was.
2. Veerkracht: Eigen krachten en die van je
omgeving die je helpen om jezelf te
ontwikkelen.
- Bepalend voor ontwikkelingstrajecten: stress, sociale