Wat is onderzoek?
Hoofdstuk 4 Onderzoekstypen
4§1 Kwantitatief onderzoek
Kwantitatief onderzoek: onderzoeker verzamelt numerieke gegevens. Deze
gegevens worden ingevoerd in een gegevensbestand om m.b.v. statistische
technieken deze te analyseren. Deze analysemethode komt veel voor bij:
- Surveyonderzoek: (ook wel enquête- of vragenlijstonderzoek) Wordt veel
toegepast in markt-, beleids-, communicatie- en algemeen opinieonderzoek.
Is een gestructureerde dataverzamelingsmethode (d.w.z. vraagstelling staat van
tevoren vast en er zijn een klein aantal antwoordmogelijkheden waar uit gekozen
kan worden). Deze ‘gesloten’ vragen kunnen verwerkt worden in de kwantitatieve
analyse. Open vragen worden kwalitatief geanalyseerd. Er wordt gebruik
gemaakt van antwoordschalen (niet mee eens 1 2 3 4 5 helemaal mee eens).
Soorten surveyonderzoek zijn: schriftelijke enquête, internetenquête, face-to-face
enquête,
telefonische enquête en palenenquête.
- Secundaire analyse: Onderzoek m.b.v. bestaande datasets met kwantitatieve
gegevens die al door andere onderzoekers zijn verzamelt (ook wel: kwantitatief
bureauonderzoek). Redenen voor deze vorm: tijdwinst, financiële voordelen,
bruikbaarheid en beschikbaarheid van de data.
Nadelen van deze vorm: geen invloed op de samenstelling van de data, oplossing
vinden voor de eventuele fouten die al eerder gemaakt zijn is lastig en bestaande
data moet vaak intensief bewerkt worden voor het bruikbaar is.
Als je op basis van een heranalyse van een groot aantal bestanden tot een
samenvattende conclusie wil komen, spreek je van een meta-analyse. Deze is
vaak diepgaand en uitgebreid maar niet altijd praktijkgericht.
- Experimenteel onderzoek: je meet het effect van x op y. Dit heet een causaal
verband. De onderzoekssituatie wordt speciaal gemaakt voor het experiment.
De omstandigheden moeten voor elk proefpersoon hetzelfde zijn, om zo de
zuiverheid te bepalen (hoe zuiverder het experiment, des te groter de kans dat
het gevonden effect door experimentele variabele wordt veroorzaakt). De interne
validiteit is hoog als het experiment heel zuiver is.
De samenstelling van de proefpersonen moeten een aantal gemeenschappelijk
kenmerken hebben. Bij een zuiver experiment is er een experimentele groep en
controlegroep. (Dit is echter niet altijd mogelijk) De proefpersonen worden hier bij
toeval ingedeeld. Dit heet randomisatie.
Onderzoeker moet altijd rekening houden met het placebo-effect.
Een quasi experiment is een experiment waarbij gebruik wordt gemaakt van een
klassenindeling die er al is.
2 valkuilen bij een experiment:
* Proefpersonen kunnen anders reageren omdat ze weten dat ze onderdeel zijn
van een experiment. Dit heet het testeffect.
* Door een voormeting worden de proefpersonen attent gemaakt op zaken waar
het onderzoek over gaat.
Om bovenstaande valkuilen te vermijden, is er een ander type experiment
bedacht. Solomon four group design. Dit is een duur maar effectieve manier.
Hierbij zijn er 3 controlegroepen.
- Monitor: worden gegevens verzamelt om de ontwikkelingen op een bepaald
terrein te kunnen volgen. Er moet aan 2 voorwaarden worden voldaan: 1) Tijd
, Wat is onderzoek?
speelt een cruciale rol, gegevens van de onderzoeken moeten op verschillende
tijdstippen worden vergeleken (longitudiaal onderzoek). 2) Op elk meetmoment
worden dezelfde meetinstrumenten ingezet.
Deze methode kan worden gezien als een dataverzamelingsstrategie, omdat er
veel gebruik wordt gemaakt van de dataverzamelingsmethodes. Het opstarten
van een monitoronderzoek vergt veel van je onderhandelingskwaliteiten.
4§2 Kwalitatief onderzoek
Kwalitatief onderzoek: de beleving van de onderzochte staat centraal. De
onderzoekseenheden worden in de omgeving als geheel onderzocht. Dit heet
holisme. Hier zijn ook vormen van:
- Observatieonderzoek: is de systematische waarneming van bepaalde
gedragingen van personen. Observatie wordt vaak uitgevoerd op kleine groepen.
Je kunt observeren in het veld (= alledaagse situaties) en in een geselecteerde
ruimte met geselecteerde mensen. Deze laatste variant lijkt veel op een
experiment, verschil is dat er geen experimentele variabele wordt gebruikt.
Er zijn ook verschillen in structuur. Je kunt een lijst opstellen met gedragingen
waarop je gaat letten, of niet.
Je kunt ook direct of indirect observeren. Direct observeren: men ziet dat je
observeert. Indirect observeren: d.m.v. videobeelden of spiegels. Hierbij kun je
ook kiezen of je de geobserveerden wel of niet bekend maakt (verhulde of
onverhulde observatie).
Er is sprake van observatie als wetenschappelijk onderzoek als er aan de
volgende voorwaarden wordt voldaan: 1) probleemstelling moet zich ertoe lenen.
2) er wordt gedrag bestudeert. 3) observatie wordt goed voorbereid. 4) Uit de
observatie zijn betrouwbare conclusies te trekken.
Observatie wordt vaak gebruikt in combinatie met andere onderzoekstechnieken.
Dit heet triangulatie.
Bij observatie moet je conclusies trekken, hierbij is het erg lastig om niet je eigen
mening naar voren te laten komen. Deze subjectiviteit kan zo klein mogelijk
gemaakt worden door een meetprocedure te ontwikkelen. De begrippen uit de
probleemomschrijving en de afbakening worden omgezet in meetbare
gedragscategorieën. Dit proces heet coderen. Er is sprake van intersubjectiviteit
als iedereen het eens is over de interpretatie van gedrag. Door de codering
vervolgens openbaar te maken, kan iedereen er kritisch naar kijken en kunnen er
adviezen worden gegeven. Dit heet peer consulation.
Er zijn 2 systematische manieren om observaties te noteren:
1) time sampling: wordt gedurende een korte periode geobserveerd (bv. 10 min).
Iedere 15 seconden gaat er een signaal, die aangeeft dat je het gedrag op dat
moment moet waarnemen.
2) event sampling: ook voor een bepaald aantal minuten. Nu tel je hoe vaak
bepaalt gedrag wordt waargenomen. De score hiervan heet de frequentie.
- Interview: is een vraaggesprek waarin de beleving van de geïnterviewde
centraal staat. Doel is om info te verzamelen over een bepaald onderwerp.
De criteria voor het gebruik van een open interview zijn: kleine groep personen,
complexe onderwerpen, nieuwe info verzamelen, praktische omstandigheden en
beleving en motieven waarnemen.
Daarnaast zijn er nog 3 vormen van een interview:
1) ongestructureerde interview: ook wel diepte-interview. Onderzoeker werkt met
één hoofdvraag en of onderwerpen.
, Wat is onderzoek?
2) half gestructureerde interview: er is wel een vragenlijst. De onderzoeker stelt
zich flexibel op.
3) gestructureerde interview: afnemen van een vragenlijst met open en gesloten
vragen.
- Literatuuronderzoek: er zijn verschillende niveaus van literatuur namelijk;
primaire literatuur (is nieuwe informatie), secundaire literatuur (er wordt opnieuw
gerapporteerd over bestaande onderwerpen) en grijze literatuur (boeken,
rapporten en verslagen die niet in gangbare boekcollecties zijn opgenomen).
Een korte samenvatting van een wetenschappelijk onderzoek noemen we
abstract. Een recensie wordt ook wel een review genoemd. En een opsomming
van verschenen nummers en korte inhoud daarvan staat vermeld in het current
content. Deze voorgaande 3 begrippen worden ook wel tertiaire literatuur
genoemd.
- Bureauresearch en inhoudsanalyse: Inhoudsanalyse is een vorm van kwalitatief
bureauonderzoek waarin documenten intensief worden geanalyseerd op de
betekenis van en relatie tussen de gebruikte woorden.
Van tevoren bepaal je de kenmerken (=variabelen) die je onderzoekt en welke
categorieën (=aspecten) je van deze kenmerken gebruikt.
Voor autobiografisch onderzoek is er een aparte methode, namelijk de
tekstsociologie.
- Gevalsstudie: Heet ook wel casestudy. Wanneer een onderzoek zich in één
organisatie/groep afspeelt. Er worden meerdere dataverzamelingsmethoden
gebruikt.
Dit is een vorm van intensief onderzoek: er worde binnen de case de relaties
onderzoekt (d.m.v. diepte-interviews of participerende observatie). Het
tegenovergestelde hiervan is extensief onderzoek, waarbij meer van ‘buitenaf’
wordt doorgelicht.
4§3 Communicatieonderzoek, een aparte methode?
Communicatieonderzoek: Communicatie kan verbaal, non-verbaal of via een
medium plaatsvinden.
Tot het communicatieonderzoek wordt het volgende berekend:
- Formele informatie: alle overdracht van informatie volgens bepaalde afspraken
en systemen.
- Informele informatie: de communicatie van iedereen en van alledag bedoeld.
Hierdoor is communicatieonderzoek een dataverzamelingsstrategie. Het wordt
heel breed toegepast.
Er zijn 3 toepassingsgebieden op het gebied van communicatie:
1) Communicatiegegevens verzamelen. Dit betekent dat communicatie het
onderwerp van je probleem- en doelstelling is. Bij deze variant wordt het vrij
‘smal’ toegepast.
2) Je onderzoek kan resulteren in aanbevelingen t.a.v. de communicatie bij een
bedrijf, maar in het onderzoek zelf komen geen onderdelen van communicatie
aan bod. Bij deze variant wordt het veel breder toegepast.
3) Je hebt een algemene probleemstelling die niet direct over communicatie gat,
maar je verzamelt o.a. wel communicatiegegevens om deze vraag te
beantwoorden.
Hoofdstuk 4 Onderzoekstypen
4§1 Kwantitatief onderzoek
Kwantitatief onderzoek: onderzoeker verzamelt numerieke gegevens. Deze
gegevens worden ingevoerd in een gegevensbestand om m.b.v. statistische
technieken deze te analyseren. Deze analysemethode komt veel voor bij:
- Surveyonderzoek: (ook wel enquête- of vragenlijstonderzoek) Wordt veel
toegepast in markt-, beleids-, communicatie- en algemeen opinieonderzoek.
Is een gestructureerde dataverzamelingsmethode (d.w.z. vraagstelling staat van
tevoren vast en er zijn een klein aantal antwoordmogelijkheden waar uit gekozen
kan worden). Deze ‘gesloten’ vragen kunnen verwerkt worden in de kwantitatieve
analyse. Open vragen worden kwalitatief geanalyseerd. Er wordt gebruik
gemaakt van antwoordschalen (niet mee eens 1 2 3 4 5 helemaal mee eens).
Soorten surveyonderzoek zijn: schriftelijke enquête, internetenquête, face-to-face
enquête,
telefonische enquête en palenenquête.
- Secundaire analyse: Onderzoek m.b.v. bestaande datasets met kwantitatieve
gegevens die al door andere onderzoekers zijn verzamelt (ook wel: kwantitatief
bureauonderzoek). Redenen voor deze vorm: tijdwinst, financiële voordelen,
bruikbaarheid en beschikbaarheid van de data.
Nadelen van deze vorm: geen invloed op de samenstelling van de data, oplossing
vinden voor de eventuele fouten die al eerder gemaakt zijn is lastig en bestaande
data moet vaak intensief bewerkt worden voor het bruikbaar is.
Als je op basis van een heranalyse van een groot aantal bestanden tot een
samenvattende conclusie wil komen, spreek je van een meta-analyse. Deze is
vaak diepgaand en uitgebreid maar niet altijd praktijkgericht.
- Experimenteel onderzoek: je meet het effect van x op y. Dit heet een causaal
verband. De onderzoekssituatie wordt speciaal gemaakt voor het experiment.
De omstandigheden moeten voor elk proefpersoon hetzelfde zijn, om zo de
zuiverheid te bepalen (hoe zuiverder het experiment, des te groter de kans dat
het gevonden effect door experimentele variabele wordt veroorzaakt). De interne
validiteit is hoog als het experiment heel zuiver is.
De samenstelling van de proefpersonen moeten een aantal gemeenschappelijk
kenmerken hebben. Bij een zuiver experiment is er een experimentele groep en
controlegroep. (Dit is echter niet altijd mogelijk) De proefpersonen worden hier bij
toeval ingedeeld. Dit heet randomisatie.
Onderzoeker moet altijd rekening houden met het placebo-effect.
Een quasi experiment is een experiment waarbij gebruik wordt gemaakt van een
klassenindeling die er al is.
2 valkuilen bij een experiment:
* Proefpersonen kunnen anders reageren omdat ze weten dat ze onderdeel zijn
van een experiment. Dit heet het testeffect.
* Door een voormeting worden de proefpersonen attent gemaakt op zaken waar
het onderzoek over gaat.
Om bovenstaande valkuilen te vermijden, is er een ander type experiment
bedacht. Solomon four group design. Dit is een duur maar effectieve manier.
Hierbij zijn er 3 controlegroepen.
- Monitor: worden gegevens verzamelt om de ontwikkelingen op een bepaald
terrein te kunnen volgen. Er moet aan 2 voorwaarden worden voldaan: 1) Tijd
, Wat is onderzoek?
speelt een cruciale rol, gegevens van de onderzoeken moeten op verschillende
tijdstippen worden vergeleken (longitudiaal onderzoek). 2) Op elk meetmoment
worden dezelfde meetinstrumenten ingezet.
Deze methode kan worden gezien als een dataverzamelingsstrategie, omdat er
veel gebruik wordt gemaakt van de dataverzamelingsmethodes. Het opstarten
van een monitoronderzoek vergt veel van je onderhandelingskwaliteiten.
4§2 Kwalitatief onderzoek
Kwalitatief onderzoek: de beleving van de onderzochte staat centraal. De
onderzoekseenheden worden in de omgeving als geheel onderzocht. Dit heet
holisme. Hier zijn ook vormen van:
- Observatieonderzoek: is de systematische waarneming van bepaalde
gedragingen van personen. Observatie wordt vaak uitgevoerd op kleine groepen.
Je kunt observeren in het veld (= alledaagse situaties) en in een geselecteerde
ruimte met geselecteerde mensen. Deze laatste variant lijkt veel op een
experiment, verschil is dat er geen experimentele variabele wordt gebruikt.
Er zijn ook verschillen in structuur. Je kunt een lijst opstellen met gedragingen
waarop je gaat letten, of niet.
Je kunt ook direct of indirect observeren. Direct observeren: men ziet dat je
observeert. Indirect observeren: d.m.v. videobeelden of spiegels. Hierbij kun je
ook kiezen of je de geobserveerden wel of niet bekend maakt (verhulde of
onverhulde observatie).
Er is sprake van observatie als wetenschappelijk onderzoek als er aan de
volgende voorwaarden wordt voldaan: 1) probleemstelling moet zich ertoe lenen.
2) er wordt gedrag bestudeert. 3) observatie wordt goed voorbereid. 4) Uit de
observatie zijn betrouwbare conclusies te trekken.
Observatie wordt vaak gebruikt in combinatie met andere onderzoekstechnieken.
Dit heet triangulatie.
Bij observatie moet je conclusies trekken, hierbij is het erg lastig om niet je eigen
mening naar voren te laten komen. Deze subjectiviteit kan zo klein mogelijk
gemaakt worden door een meetprocedure te ontwikkelen. De begrippen uit de
probleemomschrijving en de afbakening worden omgezet in meetbare
gedragscategorieën. Dit proces heet coderen. Er is sprake van intersubjectiviteit
als iedereen het eens is over de interpretatie van gedrag. Door de codering
vervolgens openbaar te maken, kan iedereen er kritisch naar kijken en kunnen er
adviezen worden gegeven. Dit heet peer consulation.
Er zijn 2 systematische manieren om observaties te noteren:
1) time sampling: wordt gedurende een korte periode geobserveerd (bv. 10 min).
Iedere 15 seconden gaat er een signaal, die aangeeft dat je het gedrag op dat
moment moet waarnemen.
2) event sampling: ook voor een bepaald aantal minuten. Nu tel je hoe vaak
bepaalt gedrag wordt waargenomen. De score hiervan heet de frequentie.
- Interview: is een vraaggesprek waarin de beleving van de geïnterviewde
centraal staat. Doel is om info te verzamelen over een bepaald onderwerp.
De criteria voor het gebruik van een open interview zijn: kleine groep personen,
complexe onderwerpen, nieuwe info verzamelen, praktische omstandigheden en
beleving en motieven waarnemen.
Daarnaast zijn er nog 3 vormen van een interview:
1) ongestructureerde interview: ook wel diepte-interview. Onderzoeker werkt met
één hoofdvraag en of onderwerpen.
, Wat is onderzoek?
2) half gestructureerde interview: er is wel een vragenlijst. De onderzoeker stelt
zich flexibel op.
3) gestructureerde interview: afnemen van een vragenlijst met open en gesloten
vragen.
- Literatuuronderzoek: er zijn verschillende niveaus van literatuur namelijk;
primaire literatuur (is nieuwe informatie), secundaire literatuur (er wordt opnieuw
gerapporteerd over bestaande onderwerpen) en grijze literatuur (boeken,
rapporten en verslagen die niet in gangbare boekcollecties zijn opgenomen).
Een korte samenvatting van een wetenschappelijk onderzoek noemen we
abstract. Een recensie wordt ook wel een review genoemd. En een opsomming
van verschenen nummers en korte inhoud daarvan staat vermeld in het current
content. Deze voorgaande 3 begrippen worden ook wel tertiaire literatuur
genoemd.
- Bureauresearch en inhoudsanalyse: Inhoudsanalyse is een vorm van kwalitatief
bureauonderzoek waarin documenten intensief worden geanalyseerd op de
betekenis van en relatie tussen de gebruikte woorden.
Van tevoren bepaal je de kenmerken (=variabelen) die je onderzoekt en welke
categorieën (=aspecten) je van deze kenmerken gebruikt.
Voor autobiografisch onderzoek is er een aparte methode, namelijk de
tekstsociologie.
- Gevalsstudie: Heet ook wel casestudy. Wanneer een onderzoek zich in één
organisatie/groep afspeelt. Er worden meerdere dataverzamelingsmethoden
gebruikt.
Dit is een vorm van intensief onderzoek: er worde binnen de case de relaties
onderzoekt (d.m.v. diepte-interviews of participerende observatie). Het
tegenovergestelde hiervan is extensief onderzoek, waarbij meer van ‘buitenaf’
wordt doorgelicht.
4§3 Communicatieonderzoek, een aparte methode?
Communicatieonderzoek: Communicatie kan verbaal, non-verbaal of via een
medium plaatsvinden.
Tot het communicatieonderzoek wordt het volgende berekend:
- Formele informatie: alle overdracht van informatie volgens bepaalde afspraken
en systemen.
- Informele informatie: de communicatie van iedereen en van alledag bedoeld.
Hierdoor is communicatieonderzoek een dataverzamelingsstrategie. Het wordt
heel breed toegepast.
Er zijn 3 toepassingsgebieden op het gebied van communicatie:
1) Communicatiegegevens verzamelen. Dit betekent dat communicatie het
onderwerp van je probleem- en doelstelling is. Bij deze variant wordt het vrij
‘smal’ toegepast.
2) Je onderzoek kan resulteren in aanbevelingen t.a.v. de communicatie bij een
bedrijf, maar in het onderzoek zelf komen geen onderdelen van communicatie
aan bod. Bij deze variant wordt het veel breder toegepast.
3) Je hebt een algemene probleemstelling die niet direct over communicatie gat,
maar je verzamelt o.a. wel communicatiegegevens om deze vraag te
beantwoorden.