Hoorcollege 1
Invloed van toetsing (Poorthuis et al.)
- Effect van rapportcijfers op latere betrokkenheid
- Hogere cijfers = hogere emotionele betrokkenheid
- Gemedieerd door positieve reactie of negatieve reactie
- Gemodereerd door sekse en prestatienorm
Summatief = met cijfers
Formatief = met feedback
Black & William = tentamenstof!
,1. Doelbepaling: wat kan er zoal getoetst worden?
Hoe toetsten de meetinstrumenten bij de leerdoelen?
2. Ontwikkeling instrument: welk type en welk meetniveau
is geschikt voor het doel?
- Kennistoetsen kennis en beheersingsniveaus
- Vragenlijsten of interviews attitudes, opvattingen,
voorkeuren
- Performance assessments vaardigheden en
beheersingsniveaus
- Documentanalyses verantwoording beleid en gemaakte keuzes
3. Meting
4. Beslissing
- Absoluut (criterion) / relatief (norm)?
- Holistisch (algemeen beeld, geen uitgewerkte criteria) / analytisch (in detail, meet
aanwijzingen op waar je kunt verbeteren)?
- Compensatorisch / conjunctief (beide toetsen minimaal een 5,5)
Hoe groter het belang hoe meer meetmomenten of data bronnen er nodig zijn
,Kwaliteitseisen van toetsing
- Validiteit
- Transparantie
- Betrouwbaarheid
Inhoudsvaliditeit = bepaal je vooraf;
gebaseerd op de theorie of experts;
hoe de items de theoretische
constructen dekken; klopt de theorie?,
verantwoording
- Het operationaliseren van de begrippen en concepten
- Controleren of de items passend/dekkend zijn op de begrippen en concepten
Indruksvaliditeit = indruk van een ander over de inhoudsvaliditeit
Constructvaliditeit = achteraf; statistische analyses; bijv factoranalyse; meet het instrument wat
je beoogt te meten?
Begripsvaliditeit = achteraf; Wat gebeurt er nadat ik de test heb afgenomen analyses
Begripsvaliditeit is de manier waarop de theorie van het begrip wordt vergeleken met de
uitkomsten die met meetinstrumenten verkregen zijn. Daarbinnen onderscheiden zich
convergente en divergente validiteit waarin convergente validiteit kijkt of verschillende
instrumenten om het begrip te meten ook tot dezelfde uitkomsten komen en divergente validiteit
zich meer richt op de onderscheiding van andere begrippen. Dus waarom wordt door dit
instrument dit specifieke begrip getoetst en niet een ander begrip?
- Door test-her-test
Predictieve validiteit = verwachting dat de score op een vergelijkbare test samenhangt
Exploratief = verkennend
Conformatief toetsen = ?
Convergente validiteit = Meet je instrument het volledige construct dat je wil meten en correleert
het met een bestaand onderzoek? Het liefst een correlatiecoëfficiënt van -1 of 1
Divergente validiteit = Je wil twee verschillende constructen meten en het is dus van belang dat
ze niet sterk samenhangen, om de vraag te beantwoorden; meet ik wel specifiek genoeg?
correlatiecoëfficiënt dichtbij 0
,
Invloed van toetsing (Poorthuis et al.)
- Effect van rapportcijfers op latere betrokkenheid
- Hogere cijfers = hogere emotionele betrokkenheid
- Gemedieerd door positieve reactie of negatieve reactie
- Gemodereerd door sekse en prestatienorm
Summatief = met cijfers
Formatief = met feedback
Black & William = tentamenstof!
,1. Doelbepaling: wat kan er zoal getoetst worden?
Hoe toetsten de meetinstrumenten bij de leerdoelen?
2. Ontwikkeling instrument: welk type en welk meetniveau
is geschikt voor het doel?
- Kennistoetsen kennis en beheersingsniveaus
- Vragenlijsten of interviews attitudes, opvattingen,
voorkeuren
- Performance assessments vaardigheden en
beheersingsniveaus
- Documentanalyses verantwoording beleid en gemaakte keuzes
3. Meting
4. Beslissing
- Absoluut (criterion) / relatief (norm)?
- Holistisch (algemeen beeld, geen uitgewerkte criteria) / analytisch (in detail, meet
aanwijzingen op waar je kunt verbeteren)?
- Compensatorisch / conjunctief (beide toetsen minimaal een 5,5)
Hoe groter het belang hoe meer meetmomenten of data bronnen er nodig zijn
,Kwaliteitseisen van toetsing
- Validiteit
- Transparantie
- Betrouwbaarheid
Inhoudsvaliditeit = bepaal je vooraf;
gebaseerd op de theorie of experts;
hoe de items de theoretische
constructen dekken; klopt de theorie?,
verantwoording
- Het operationaliseren van de begrippen en concepten
- Controleren of de items passend/dekkend zijn op de begrippen en concepten
Indruksvaliditeit = indruk van een ander over de inhoudsvaliditeit
Constructvaliditeit = achteraf; statistische analyses; bijv factoranalyse; meet het instrument wat
je beoogt te meten?
Begripsvaliditeit = achteraf; Wat gebeurt er nadat ik de test heb afgenomen analyses
Begripsvaliditeit is de manier waarop de theorie van het begrip wordt vergeleken met de
uitkomsten die met meetinstrumenten verkregen zijn. Daarbinnen onderscheiden zich
convergente en divergente validiteit waarin convergente validiteit kijkt of verschillende
instrumenten om het begrip te meten ook tot dezelfde uitkomsten komen en divergente validiteit
zich meer richt op de onderscheiding van andere begrippen. Dus waarom wordt door dit
instrument dit specifieke begrip getoetst en niet een ander begrip?
- Door test-her-test
Predictieve validiteit = verwachting dat de score op een vergelijkbare test samenhangt
Exploratief = verkennend
Conformatief toetsen = ?
Convergente validiteit = Meet je instrument het volledige construct dat je wil meten en correleert
het met een bestaand onderzoek? Het liefst een correlatiecoëfficiënt van -1 of 1
Divergente validiteit = Je wil twee verschillende constructen meten en het is dus van belang dat
ze niet sterk samenhangen, om de vraag te beantwoorden; meet ik wel specifiek genoeg?
correlatiecoëfficiënt dichtbij 0
,