2.1 Ontwikkeling
De ontwikkelingspsychologie bestudeert hoe de ontwikkeling van een mens verloopt en
welke factoren hier invloed op hebben.
Ontwikkelingstheorieën leggen verbanden tussen onderzoeksgegevens en proberen e
verklaren hoe en onder welke voorwaarden ontwikkeling tot stand komt, dit levert nuttige
informatie op voor de begeleiding en ondersteuning van kinderen.
Een complete theorie die alle aspecten van de ontwikkeling verklaart, bestaat niet. Elke
theorie legt de nadruk op een onderdeel van de ontwikkeling. Theorieën vullen elkaar aan
en leiden weer tot nieuwe theorieën.
“Ontwikkeling is een proces waarbij zowel aanleg als omgeving een rol spelen.”
2.1.1 Ontwikkeling als proces
Ontwikkeling komt tot stand door:
Biologische factoren groei, rijping
Psychologische factoren aanleg, persoonlijkheid
Omgeving
Ontwikkeling vindt plaats in interactie met de fysieke en sociale omgeving.
Rijping (Filosoof Jean-Jacques Rousseau 1712-1778)
Rijping is de motor van de ontwikkeling. Als een kind ergens rijp voor is, is hij/zij in staat
en gemotiveerd nieuwe dingen te leren en zich eigen te maken. Het rijpingsproces kan
niet worden versneld. Het is een innerlijke, biologische tijdklok. Het kind kan het pas leren
als het eraan toe is. Dit is het uitgangspunt van het Montessori-onderwijs. Deze scholen
creeeren een rijke, voorbereide, stimulerende leeromgeving waarin kinderen vrijheid
hebben in hun eigen leerproces. Kinderen hebben een enorm potentieel aan
ontwikkelingsmogelijkheden in zich.
Behaviorisme
Filosoof John Locke (1632-1704), fysioloog Ivan Pavlov (1849-1936), Psycholoog John
Watson (1878-1958), Psycholoog Burrhus Skinner (1904-1990)
Een mens komt als onbeschreven blad ter wereld. Het leert door middel van gedrag.
Heeft het gedrag een positieve uitkomst, zal het versterken. Heeft het gedrag een
negatieve uitkomst, zal het verzwakken. Nieuw gewenst gedrag wordt aangeleerd door te
bekrachtigen (belonen/bevestigen). Ongewenst gedrag wordt afgeleerd door te negeren.
Albert Bandurra (1925)
Mensen leren gedrag door naar het voorbeeld van een ander te kijken: model-leren. In
onderzoeken toonde hij aan dat kinderen die naar agressie in een film kijken, zelf ook
agressiever worden. Dit effect is sterker als de agressie in de film positieve gevolgen
heeft.
Verschillen tussen kinderen worden verklaard door de omgeving waarin kinderen
opgroeien. Kinderen moeten worden gestimuleerd om uitdagende activiteiten te
ondernemen. Kinderen leren van de feedback die ze krijgen, in de vorm van
complimenten/cijfers. Kinderen hebben stimulans van buitenaf nodig om zich te
ontwikkelen.
Interactionisme
Zowel aanleg als omgeving bepalen uiteindelijk hoe een kind zich ontwikkelt. Kinderen
lokken door hun gedrag bepaald gedrag uit bij anderen en hebben zo invloed op hun
eigen omgeving.
Filosoof Lev Vygotski (1896-1934)
Ziet ontwikkeling als een wisselwerking tussen rijping en leren. De actuele ontwikkeling
laat zien bij welke functies het rijpingsproces is afgerond. Dus handelingen die een kind
kan verrichten zonder hulp van anderen. De potentiele ontwikkeling (naaste ontwikkeling)
zijn functies die nog aan het rijpen zijn, een kind kan deze handeling met hulp van
anderen. De leerkracht grijpt daar actief in om zo het ontwikkelingsproces te stimuleren
en bevorderen.
,2.1.2 Invloed op ontwikkeling
- factoren die in het kind zelf liggen
- factoren in de fysieke en sociale omgeving waarin het kind opgroeit
- de interactie tussen al deze factoren
Net als uiterlijke kenmerken, krijgen kinderen talenten en aanleg mee van de ouders. Een
kind met weinig aanleg voor taal zal alleen met veel inzet en begeleiding een redelijk
resultaat behalen. Dat Mozart een wonderkind was op muzikaal gebied lag niet alleen aan
zijn talent, maar ook aan de omgeving waarin dat talent tot bloei kon komen. Zijn vader
was muzikaal en leerde zijn zoon al op driejarige leeftijd pianospelen. Ook zijn
persoonlijkheid en karakter droegen daaraan bij (doorzettingsvermogen, taakgerichtheid,
temperament, extravertheid, creativiteit, emotionele stabiliteit). Ook maken kinderen
vanaf ongeveer 12 jaar hun eigen keuzes die meetellen.
“Je leert kinderen zelf richting te geven aan hun ontwikkeling. Je geeft ze de ruimte om
keuzes te maken en je begeleidt ze hierbij.”
2.1.3 Ontwikkelingsfasen
- 0-6 jaar
o Baby, peuter, kleuter
o stormachtig
- 6-12 jaar
o 6-9 jaar, 9-12 jaar
o Rustig
- 12-18 jaar
o Pubers
o Stormachtig
2.1.4 Ontwikkelingsaspecten
Lichamelijke ontwikkeling
Grove motoriek: lopen, rennen, zwemmen, skaten
Fijne motoriek: reiken, grijpen, hanteren
Distale motoriek: schrijfactiviteiten
Handvinger-motoriek verder van de romp
Proximale motoriek: schrijfactiviteiten
Schoudermotoriek dichter bij de romp
Cognitieve ontwikkeling (Jean Piaget 1896-1980, Jerome Bruner 1915, Lev Vygotski)
Ontwikkeling van het denken. Dankzij de taal krijgt een kind greep op zijn omgeving. In
de eerste levensjaren sturen jonge kinderen hun activiteiten door hardop te denken.
Probleemoplossing d.m.v. zien, handelen en taal egocentrische taal. Hardop denken
gaat in een later stadium over in innerlijke taal.
Creatieve ontwikkeling
Creatieve ontwikkeling gaat over de vaardigheid om nieuwe dingen tot stand te brengen.
Creativiteit heeft niet alleen te maken met knutselen en kunst, maar ook met het
bedenken van nieuwe dingen en het oplossen van problemen. We leggen hier de nadruk
op creatieve expressie (het op een oorspronkelijke manier uiten van innerlijke gevoelens)
en op spelontwikkeling.
Sociaal-emotionele ontwikkeling
De ontwikkeling in de omgang met zichzelf en andere mensen. In de omgang met
anderen vormen we een zelfbeeld, een eigen identiteit, een eigen wil en opvattingen over
waarden en normen. De emotionele ontwikkeling hangt nauw samen met de sociale
ontwikkeling en de persoonlijkheidsontwikkeling. In de omgang met anderen ontwikkelen
we gevoelens van (basis)vertrouwen en veiligheid.
2.1.5 Voorwaarden voor ontwikkeling
Veiligheid (Erik Erikson 1902-1994, John Bowlby 1907-1990)
Een kind dat zich niet veilig voelt, zal geen grote drang tot ontdekken hebben en heeft
minder zelfvertrouwen. De ervaringen in het eerste levensjaar zijn bepalend of een kind
de wereld met vertrouwen of wantrouwen tegemoet treedt. Een kind met zelfvertrouwen
kan in de volgende fase zijn autonomie en het nemen van initiatief ontwikkelen. Er ligt
, een verband tussen vertrouwen en het actief ontdekken van de omgeving door spel.
Behoefte aan veiligheid behoort tot de vijf basisbehoeften van de mens. Daarna kan een
mens over gaan op het ontplooien van zijn/haar talenten. Kinderen die zich niet veilig
voelen op school, zullen dus ook minder goed leren.
Sociale interactie
Taal is een belangrijk middel p, je gedachten en gevoelens te ordenen en uit te drukken
en om contact te maken. Taal speelt ook een belangrijke rol bij de denkontwikkeling. Je
kunt een kind alleen goed begeleiden als je een relatie met het kind hebt.
Stimulerende omgeving
Door positieve feedback ontwikkelt een kind zelfvertrouwen. In een stimulerende
omgeving leert een kind het meest. Het kind leert motorisch in bijvoorbeeld de
gymlessen, cognitieve vaardigheden d.m.v. het bezig zijn met verschillende vormen,
kleuren, begrippen. Het kind leert fantasie en ideeën op creatieve wijze te uiten d.m.v.
het werken met creatieve middelen. Sociale vaardigheden worden aangeleerd door het
contact met andere kinderen. Rekening houden met anderen, eigen normen en waarden
ontdekken. Praten over ervaringen en situaties stimuleert de ontwikkeling van emotie.
Ruimte voor ontdekkend spelen en leren
Jonge kinderen doen kennis op d.m.v. kijken, luisteren, proeven, voelen en spelen (passief
leren). Vanaf groep 3 gaan kinderen actief leren. Ontdekkend leren, samenwerken en
uitdagende leeractiviteiten prikkelen de natuurlijke drang tot ontwikkelen. Daarom ligt in
groep 1 en 2 het accent op spelend leren. In het ontwikkelingsgericht onderwijs zijn
verschillende hoeken ingericht die elk een bepaald aspect van de ontwikkeling
stimuleren. De leraar let erop dat de materialen uitdagen tot ontdekking en de fantasie
prikkelen.
Vanaf groep 3 wordt er begonnen met leermethoden. Moderne leermethoden maken
gebruik van spelletjes, digitale leermiddelen en opdrachten waarbij kinderen zelf op
onderzoek uit gaan. Geef een voedingsbodem aan de onderzoekende houding die
kinderen van nature hebben.
2.3 Ontwikkeling 4-12 jaar
Kinderen beginnen aan de kleuterfase van hun leven als ze 4 jaar zijn. Het onderwijs in de
eerste twee groepen van de basisschool lijkt op de kleuterschool van vroeger.
Een schoolkind ben je vanaf je 6-7e levensjaar. Kinderen leren lezen, schrijven en rekenen.
Kinderen ontdekken waar ze goed in zijn, werken aan zelfvertrouwen. Rond het elfde jaar
begint de puberteit. Hormonen nemen over. Dit merk je aan lichamelijke en
gedragsveranderingen. Ze krijgen een eigen mening.
2.3.1 Lichamelijke ontwikkeling
Tussen 4 en 12 jaar veranderen de lichaamsverhoudingen, er ontstaat een grotere
beheersing van de grove en fijne motoriek en tegen hun twaalfde jaar komen kinderen in
de puberteit.
Groei
Bij kleuters neemt de hersenmassa in hoog tempo toe. Tussen de hersencellen komen
meer verbindingen. Ze leren makkelijker. De meeste kinderen zijn rechts, de
linkerhersenhelft is sterker ontwikkeld voor praten, lezen en schrijven. Ruimtelijk inzicht,
muzikale vaardigheden en emoties liggen in de rechter hersenhelft. Bij een deel van de
linkshandigen is dit omgekeerd, maar de helften werken wel samen. Tussen 6 en 7 jaar
veranderen de ronde vormen van de kleuter naar de vormen van een volwassene. Ook
worden botten en spieren sterker. Tussen 6 en 11 jaar ligt de lichamelijke verandering zo
goed als stil. Bij de puberteit krijgen kinderen een groeispurt. Deze komt eerder bij
meisjes.
Spelenderwijs beweging beheersen
De grove motoriek van vierjarigen is voor een belangrijk deel ontwikkeld. De coördinatie
is nu zo ver ontwikkeld dat kinderen kunnen leren fietsen. Als ze vijf zijn, kunnen de
zijwieltjes er af. Jongens zijn sterker, meisjes hebben betere coördinatie. Tussen 6 en 12
jaar nemen met name de kracht en de coördinatie verder toe, net als de beheersing van
de verschillende bewegingen. Kinderen leren steeds beter om een spiergroep te
gebruiken zonder dat de andere spieren meedoen. Kinderen worden vaardiger in het