4.3 wat doe je als leraar
De leraar organiseert, geeft muzikale leiding en de leraar evalueert de prestaties met
de kinderen.
Organiseren.
De handigste vorm hierbij is klassikaal. Het zingen van een lid vraagt om een strakke
leiding, omdat het prettig is dat alle kinderen op hetzelfde moment beginnen en in
hetzelfde tempo zingen.
Voor dat je gaat zingen met de kinderen is er altijd even een stilte moment. Daarin
kijk je de kinderen aan. Is iedereen geconcentreerd? Let iedereen op? Dan beginnen
we.
4.4 wat doen de kinderen.
Kinderen leren door te doen, te handelen. Het leereffect is echter het grootst als dat
handelen vooraf wordt gegaan door een fase waarin de kinderen kunnen
experimenteren en zich kunnen oriënteren op het onderwerp.
Bij het spelen staat het zelfdoen centraal: zelf zingen, spelen, ontwerpen en
improviseren. De kinderen zijn dus vooral praktisch bezig en leren door te handelen.
Dit is om de volgende redenen belangrijk:
- Ze ervaren door zelf te spelen de klankeigenschappen, de vorm en de
betekenis van muziek.
- Ze onthouden op deze manier veel meer van de muziek en krijgen meer
inzicht.
- Het spelen heeft effect op ontwikkelingsgebieden als motorische vorming,
sociaal-emotionele vorming en cognitieve ontwikkeling.
- Ze ontwikkelen door het spelen hun creativiteit en expressiviteit.
De opbouw van deze paragraaf (experimenteren, oefenen, presenteren) is
gebaseerd op de Russische leerpsychologie. Door te experimenteren krijgen de
kinderen de kans zich te oriënteren op hun omgeving, op de leerstof: ‘Hoe klinkt het’
etc. Dit experimenteergedrag hoort bij de oriëntatie. Daarnaast leren de kinderen
door voortdurend te herhalen en daardoor te oefenen. Als ze zich bewust zijn van
hun handelingen, kunnen ze die ook sneller automatiseren, waardoor sommige
processen sneller tot stand komen.
4.5 achtergronden bij muziek maken.
Voorbeelden van werkvormen rond experimenteren zijn het klankspel en het
klankverhaal.
,Klankspel is een stukje vrije muziek (grafisch genoteerd of geïmproviseerd) waarin
het accent niet valt op de melodieën of ritmen, maar op soms toevallig ontstane
klankeffecten. In een klankspel kunnen allerlei instrumenten en materialen een plaats
krijgen. Klankspelen zijn waardevol omdat kinderen de mogelijkheid krijgen om
zonder veel technische (speel)vaardigheden muziek te maken.
Klankverhaal.
In een klankverhaal maken de kinderen de geluiden bij een verhaal of vertelling.
Als een kind zelf muziek bedenk en eventueel vastlegt, spreken we van ‘ontwerpen
van muziek’. Dit betekent dus dat het vak muziek op de basisschool niet alleen gaat
over het uitvoeren van liedjes of muziekstukjes die door anderen bedacht zijn
(reproductie). Het is ook belangrijk dat kinderen zelf iets bedenken (productie). Het
ontwerpen van een stukje kan improviserend of componerend plaatsvinden.
Impulsen zijn vertrekpunten en stimulansen voor de klankstukjes die de kinderen zelf
bedenken. Een goed impuls helpt de kinderen op weg en geeft snel richting aan een
improvisatie of compositie. Het zorgt ervoor dat kinderen minder bezig zijn met ‘wat’
ze zullen gaan ontwerpen, maar meer bezig zijn met ‘hoe’ ze ontwerpen. Impulsen
voor het improviseren kunnen we ordenen naar klank, vorm en betekenis.
Tekstimprovisatie is een vrij veilige vorm van improviseren. De improvisatieruimte
wordt hier beperkt door de vorm van een lied of door de lengte van een muzikale
regel; bedenk op deze regel een andere tekst.
Bij een ritmische improvisatie werken de kinderen ook altijd binnen een beperkte
ruimte: in dit geval geef je een bepaald ritme en bedenken de kinderen er een ander
ruimte bij of erachteraan. Belangrijk daarbij is dat het metrum niet doorbroken wordt.
Melodische improvisatie. De beperkte ruimte bestaat hier uit de keuze die vooraf
gemaakt wordt uit een aantal tonen waarmee de kinderen gaan improviseren. Het is
voor de meeste kinderen (en studenten) lastig om een goed klinkend melodietje te
verzinnen op een compleet klokkenspel. Daarom kun je beter met beperkt tonen
materiaal werken, bijvoorbeeld met klankstaven.
Muziek dat is gebaseerd op vijf tonen wordt ook wel pentatonische reeks genoemd.
Omdat deze reeks is opgebouwd zonder halve toonafstanden ontbreekt de spanning
tussen de tonen. Er is geen onderlinge wrijving(dissonantie). Alle tonen klinken goed
samen.
Componeren kan iedereen. Componeren is namelijk niets anders dan het vastleggen
van muziek die zelf is bedacht. Ook bij componeren bieden we kinderen een impuls
aan vanuit klank, vorm of betekenis. Je kunt daarvoor de impulsen gebruiken die bij
, het onderdeel improviseren ook aan bod zijn geweest en ook hier ga je uit van een
beperkte ruimte.
Je kunt ook componeren met klank als uitgangspunt, componeren met vorm als
uitgaanspunt en componeren met betekenis als uitgangspunt.
Enkele voorbeelden hoe je met een groep een liedbegeleiding kan spelen.
Een ritmisch motief aanleren:
Belangrijk is om van alleen naar één te werken. Eerst dus allen met de groep dan en
dan overdragen aan een individu.
Ritmische liedbegeleiding:
Voor ritmische liedbegeleidingen kun je kiezen uit maatbegeleiding, liedversieringen
of ritmische ostinaten.
Maatspel
De eenvoudigste manier om een lied te begeleiden, is de maatbegeleiding. Een
andere vorm van maatspel is de afterbeat. Dit betekent dat je in plaats van op de
accenten of beklemtoonde pulsen steeds na de pulsen speelt.
Liedversiering: bij een liedversiering speel je bepaalde delen of woorden van een lied
op instrumenten mee.
Ritmisch ostinaat: de muziekterm ‘ostinaat’is afkomstig van het Italiaanse woord
ostinato (hardnekkig). Die term wordt gebruikt als een muziekaal motief of een
muzikale zin steeds (hardnekkig dus) herhaald wordt. Een ritmisch ostinaat kun je
vaak zelf uit een lied halen. Het is handig om bij het aanleren van deze motieven een
steuntekst te gebruiken. Bijvoorbeeld beukennoot.
Melodische liedbegeleidingen. Voor het maken van deze begeleidingen kun je
gebruik maken van enkele specifieke middelen: de bourdon, de melodische ostinaat
en de pentatononische begeleiding.
Een bourdon is een begeleiding die gebaseerd is op de twee belangrijkste tonen uit
een toonladder: de grondtoon en de kwint(de vijfde toon). Een broudonbegeledeiding
maak je door de grondtoon en de kwint mee te spelen.
Melodisch ostinaat. Je herhaalt hier steeds een melodisch motief.
Pentatonische begeleiding: een lied dat hier op gebaseerd is kun je met dezelfde
tonen altijd te begeleiden.
De leraar organiseert, geeft muzikale leiding en de leraar evalueert de prestaties met
de kinderen.
Organiseren.
De handigste vorm hierbij is klassikaal. Het zingen van een lid vraagt om een strakke
leiding, omdat het prettig is dat alle kinderen op hetzelfde moment beginnen en in
hetzelfde tempo zingen.
Voor dat je gaat zingen met de kinderen is er altijd even een stilte moment. Daarin
kijk je de kinderen aan. Is iedereen geconcentreerd? Let iedereen op? Dan beginnen
we.
4.4 wat doen de kinderen.
Kinderen leren door te doen, te handelen. Het leereffect is echter het grootst als dat
handelen vooraf wordt gegaan door een fase waarin de kinderen kunnen
experimenteren en zich kunnen oriënteren op het onderwerp.
Bij het spelen staat het zelfdoen centraal: zelf zingen, spelen, ontwerpen en
improviseren. De kinderen zijn dus vooral praktisch bezig en leren door te handelen.
Dit is om de volgende redenen belangrijk:
- Ze ervaren door zelf te spelen de klankeigenschappen, de vorm en de
betekenis van muziek.
- Ze onthouden op deze manier veel meer van de muziek en krijgen meer
inzicht.
- Het spelen heeft effect op ontwikkelingsgebieden als motorische vorming,
sociaal-emotionele vorming en cognitieve ontwikkeling.
- Ze ontwikkelen door het spelen hun creativiteit en expressiviteit.
De opbouw van deze paragraaf (experimenteren, oefenen, presenteren) is
gebaseerd op de Russische leerpsychologie. Door te experimenteren krijgen de
kinderen de kans zich te oriënteren op hun omgeving, op de leerstof: ‘Hoe klinkt het’
etc. Dit experimenteergedrag hoort bij de oriëntatie. Daarnaast leren de kinderen
door voortdurend te herhalen en daardoor te oefenen. Als ze zich bewust zijn van
hun handelingen, kunnen ze die ook sneller automatiseren, waardoor sommige
processen sneller tot stand komen.
4.5 achtergronden bij muziek maken.
Voorbeelden van werkvormen rond experimenteren zijn het klankspel en het
klankverhaal.
,Klankspel is een stukje vrije muziek (grafisch genoteerd of geïmproviseerd) waarin
het accent niet valt op de melodieën of ritmen, maar op soms toevallig ontstane
klankeffecten. In een klankspel kunnen allerlei instrumenten en materialen een plaats
krijgen. Klankspelen zijn waardevol omdat kinderen de mogelijkheid krijgen om
zonder veel technische (speel)vaardigheden muziek te maken.
Klankverhaal.
In een klankverhaal maken de kinderen de geluiden bij een verhaal of vertelling.
Als een kind zelf muziek bedenk en eventueel vastlegt, spreken we van ‘ontwerpen
van muziek’. Dit betekent dus dat het vak muziek op de basisschool niet alleen gaat
over het uitvoeren van liedjes of muziekstukjes die door anderen bedacht zijn
(reproductie). Het is ook belangrijk dat kinderen zelf iets bedenken (productie). Het
ontwerpen van een stukje kan improviserend of componerend plaatsvinden.
Impulsen zijn vertrekpunten en stimulansen voor de klankstukjes die de kinderen zelf
bedenken. Een goed impuls helpt de kinderen op weg en geeft snel richting aan een
improvisatie of compositie. Het zorgt ervoor dat kinderen minder bezig zijn met ‘wat’
ze zullen gaan ontwerpen, maar meer bezig zijn met ‘hoe’ ze ontwerpen. Impulsen
voor het improviseren kunnen we ordenen naar klank, vorm en betekenis.
Tekstimprovisatie is een vrij veilige vorm van improviseren. De improvisatieruimte
wordt hier beperkt door de vorm van een lied of door de lengte van een muzikale
regel; bedenk op deze regel een andere tekst.
Bij een ritmische improvisatie werken de kinderen ook altijd binnen een beperkte
ruimte: in dit geval geef je een bepaald ritme en bedenken de kinderen er een ander
ruimte bij of erachteraan. Belangrijk daarbij is dat het metrum niet doorbroken wordt.
Melodische improvisatie. De beperkte ruimte bestaat hier uit de keuze die vooraf
gemaakt wordt uit een aantal tonen waarmee de kinderen gaan improviseren. Het is
voor de meeste kinderen (en studenten) lastig om een goed klinkend melodietje te
verzinnen op een compleet klokkenspel. Daarom kun je beter met beperkt tonen
materiaal werken, bijvoorbeeld met klankstaven.
Muziek dat is gebaseerd op vijf tonen wordt ook wel pentatonische reeks genoemd.
Omdat deze reeks is opgebouwd zonder halve toonafstanden ontbreekt de spanning
tussen de tonen. Er is geen onderlinge wrijving(dissonantie). Alle tonen klinken goed
samen.
Componeren kan iedereen. Componeren is namelijk niets anders dan het vastleggen
van muziek die zelf is bedacht. Ook bij componeren bieden we kinderen een impuls
aan vanuit klank, vorm of betekenis. Je kunt daarvoor de impulsen gebruiken die bij
, het onderdeel improviseren ook aan bod zijn geweest en ook hier ga je uit van een
beperkte ruimte.
Je kunt ook componeren met klank als uitgangspunt, componeren met vorm als
uitgaanspunt en componeren met betekenis als uitgangspunt.
Enkele voorbeelden hoe je met een groep een liedbegeleiding kan spelen.
Een ritmisch motief aanleren:
Belangrijk is om van alleen naar één te werken. Eerst dus allen met de groep dan en
dan overdragen aan een individu.
Ritmische liedbegeleiding:
Voor ritmische liedbegeleidingen kun je kiezen uit maatbegeleiding, liedversieringen
of ritmische ostinaten.
Maatspel
De eenvoudigste manier om een lied te begeleiden, is de maatbegeleiding. Een
andere vorm van maatspel is de afterbeat. Dit betekent dat je in plaats van op de
accenten of beklemtoonde pulsen steeds na de pulsen speelt.
Liedversiering: bij een liedversiering speel je bepaalde delen of woorden van een lied
op instrumenten mee.
Ritmisch ostinaat: de muziekterm ‘ostinaat’is afkomstig van het Italiaanse woord
ostinato (hardnekkig). Die term wordt gebruikt als een muziekaal motief of een
muzikale zin steeds (hardnekkig dus) herhaald wordt. Een ritmisch ostinaat kun je
vaak zelf uit een lied halen. Het is handig om bij het aanleren van deze motieven een
steuntekst te gebruiken. Bijvoorbeeld beukennoot.
Melodische liedbegeleidingen. Voor het maken van deze begeleidingen kun je
gebruik maken van enkele specifieke middelen: de bourdon, de melodische ostinaat
en de pentatononische begeleiding.
Een bourdon is een begeleiding die gebaseerd is op de twee belangrijkste tonen uit
een toonladder: de grondtoon en de kwint(de vijfde toon). Een broudonbegeledeiding
maak je door de grondtoon en de kwint mee te spelen.
Melodisch ostinaat. Je herhaalt hier steeds een melodisch motief.
Pentatonische begeleiding: een lied dat hier op gebaseerd is kun je met dezelfde
tonen altijd te begeleiden.