Een computer heeft 4 taken: Input nemen, informatie opslaan, informatie verwerken en vervolgens
de resultaten uitvoeren. Deze 4 taken maken een computer een computer:
1. Input: De computer informatie geven door bijvoorbeeld een toetsenbord, touchscreen, muis
etc.
2. Opslaan: Alle informatie uit de input wordt vervolgens opgeslagen op het geheugen
3. Verwerken: De opgeslagen informatie wijzigt de computer het met behulp van een algoritme,
dat slechts een reeks opdrachten is en stuurt vervolgens de procesinformatie terug om
opnieuw in het geheugen te worden opgeslagen. Dit gaat door totdat de verwerkte informatie
gereed is om te worden uitgevoerd.
4. Uitvoeren: Het uitvoeren kan op veel verschillende manieren zoals foto's en teksten
weergeven.
Een computer werkt met enen en nullen. Dit betekent dat er maar 2 standen zijn aan/uit. Als je
meer draden gebruikt, krijg je meer bits en met meer bits kan de computer complexere informatie
opslaan. Elk nummer kan worden weergegeven met alleen enen en nullen. Als je 32 draden
gebruikt kan je de getallen van 0 tot 4 miljard opslaan. Tekst, afbeeldingen en geluid kunnen ook
worden omgezet in enen en nullen. Ze worden dan eerst omgezet naar cijfers, die vervolgens weer
naar nullen en enen worden omgezet. Het gebruik van alleen enen en nullen waarmee alle
getallen kunnen worden vertegenwoordigd noem je het binaire systeem.
Circuits: Dit zijn miljoenen kleine elektronische deeltjes die gebruikt worden om input signalen te
wijzigen en te combineren om daarmee uiteindelijk de output te vormen.
Logic Gates: Er zijn veel circuits die logische, simpele berekeningen uitvoeren, om complexere
circuits te maken moet de computer die simpele circuits samenvoegen.
RAM (Random Access Memory): Dit is het korte termijn geheugen van de computer waarin data
geschreven en gelezen kan worden. Het is de tijdelijke opslag die geleegd wordt bij het
uitschakelen van de computer.
ROM (Read-Only Memory): Geheugen die een computer alleen kan aflezen, zoals een cartridge of
een game disk. De data is daar permanent opgeslagen.
CPU (Central Processing Unit): Het brein van de computer die alle instructies/algoritmes uitvoert.
Het gebruikt data uit de RAM om instructies uit te voeren en kan ook nieuwe data schrijven naar
RAM. De CPU kan ook output besturen (zoals aanpassen wat er op het beeldscherm wordt
vertoond, robots aansturen en bepalen hoeveel gas een auto geeft)
Hardware: Alle fysieke componenten die een rol spelen in een computer zoals: speakers, circuits,
draden etc.
Software: Alle computerprogramma’s die runnen op de computer. Dit kan van alles zijn zoals:
webpagina’s, apps etc.
Operating System: De primaire functie van een Operating System is het managen van software
(websites, programma’s, etc.) en hardware (alle concrete onderdelen van een computer), door aan
te geven welke software toegang heeft tot welke hardware en wanneer. Bij een operating system
komt ook een gebruikersinterface die het toegankelijker maakt voor gebruikers om de computer te
besturen.
Internet 101
Wires
- Een computer verstuurd alles met nullen en enen. Je kan 5 nullen versturen met behulp van een
klok of een timer, daarmee spreek je af hoeveel bits je per seconde verstuurt.
- Bandbreedte is de grootte van het frequentiegebied van een signaal.