6.1
Ongeveer 6 miljoen werkers hebben te maken met de cao (collectieve
arbeidsovereenkomst).
6.2
Cao: een schriftelijke overeenkomst, voor hooguit 5 jaar aangegaan door enerzijds 1 of meer
werkgevers dan wel bevoegde werkgeversverenigingen en anderzijds door bevoegde
werknemersverenigingen → hieronder wordt de definitie nader toegelicht:
Een schriftelijke overeenkomst, een schriftelijk contract.
De cao kan hooguit voor 5 jaar zijn aangegaan.
Werkgevers kunnen individueel partij zijn bij een cao → voor werknemers bestaan
hiervoor de wel bekende vakbonden.
De werkgevers- en werknemersverenigingen moeten rechtsbevoegd zijn → in eerste
plaats moeten zij volledig rechtsbevoegd zijn en in de statuten moet duidelijk staan
vermeld dat de vereniging bevoegd is tot het aangaan van cao’s.
Het doel van een cao is het vastleggen van arbeidsvoorwaarden die de leden van de
onderhandelende partijen in acht moeten nemen tegenover de werknemers die onder
de cao vallen.
Privaatrechtelijke overeenkomst: iedereen is vrij te bepalen of en zo ja, met wie en waarover
wordt gecontracteerd (= contractvrijheid) (= net als de arbeidsovereenkomst).
Ondernemings-cao: 1 werkgever sluit een cao met 1 of meer vakbonden.
Bedrijfstak-cao: 1 of meer werkgeversverenigingen die ten aanzien van een gehele branche
een cao aangaan.
Standaardregeling: de cao is een standaardregeling als partijen overeenkomen dat van de
arbeidsvoorwaarden (zoals vastgelegd in de cao) in geen enkel geval bij individuele
arbeidsovereenkomsten mag worden afgeweken.
6.3
Verenigingen van werknemers: globale indeling.
De 3 belangrijkste vakcentrales:
1. De federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV).
2. Het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV).
3. De vakcentrale voor Professionals (VCP).
Deze centrales verrichten voornamelijk coördinerende en adviserende
werkzaamheden → hebben een verticale organisatiestructuur; de sectoren en
aangesloten vakbonden moeten hun leden vooral bedrijfstakgewijs organiseren.
Nog 2 andere organen:
4. De stichting van de arbeid (privaatrechtelijk orgaan): naast het geven van advies aan de
regering geven ze ook aanbevelingen en gedragsregels op die in het werkveld in acht
zouden moeten worden genomen.
5. SER (publiekrechtelijk orgaan): 33 leden; 11 benoemd door werknemers, 11 benoemd
door werkgevers en de andere 11 worden aangewezen door de regering → de SER is een
adviesorgaan van de regering ten aanzien van de belangrijkste sociaaleconomische
vraagstukken.
6.4
Verenigingen van werkgevers → vakcentrales: anders dan de werknemers opereren zij op
specifieke gebieden van het bedrijfsleven.
Taken: liggen op hetzelfde vlak als die van de centrale werknemersorganisaties.