Psychologie = Een wetenschap waarbij zowel het gedrag van mensen wordt
bestudeerd als de gevoelens en gedachten die mensen hebben hij het ervaren
van hun gedrag en de omstandigheden waarin dat plaats vindt (beschrijvingen
en verklaringen vinden vooral plaats op individueel niveau).
Er zijn 3 mensbeelden:
- Organistisch: De omgeving telt ook mee.
- Personalistisch: Mensen kunnen nadenken over eigen gedrag, handelen is
doelgericht
- Mechanistisch: Je kunt een mens bewerken, geheel is gelijk aan som der
delen, omgeving telt niet mee.
Hermeneutisch = hulpverlening in de psychologie die probeert verklaringen te
vinden. Niet het waarnemen, maar het interpreteren wordt centraal gesteld
(begrijpen)
- Wat betekenen gebeurtenissen en situaties voor mensen.
Algemene systeemtheorie = een theorie over theorieën die aangeeft dat
menselijk gedrag altijd voortkomt uit biologische, psychische en sociale factoren
(ook wel bio psychosociaal model).
Psychosomatiek = als voor een lichamelijke klacht geen medische
(lichamelijke) oorzaak gevonden kan worden.
De Psychoanalyse – Sigmund Freud (mechanistisch en personalistisch).
Bewuste = deel dat alles omvat wacht zich op een bepaald moment onder de
aandacht afspeelt.
Voorbewuste = de kennis, emoties enz. die niet op dat moment onder de
aandacht spelen, maar die wel op te roepen zijn.
Onbewuste = deel waarvan men ‘niet weet’ (bijv. kinderlijke wensen,
herinneringen die te veel angst opwekken om zich bewust te zijn): cognitieve,
emotionele en motivationele processen.
De drifttheorie.
Met deze theorie probeert Freud de motivatie van mensen te verklaren.
Mensen hebben 2 aangeboren basisdriften die tegengesteld aan elkaar zijn.
Een drift vertegenwoordigt volgens Freud ook een energie.
1. Eros: seksuele of levensdrift. Al het gedrag dat als fijn wordt ervaren:
functioneert volgens het lustprincipe.
Energie: Eros Libido: te richten op een ander persoon.
2. Thanatos: doodsdrift. Neiging tot absolute rust: het niet leven (omvat
ook agressie).
Mensen hebben beide driften: mensen zijn tegelijkertijd goed en
slecht.
De psychische structuur.
- Het id = onbewuste door driften.
- Het ego = bewuste, probeert het conflict tussen het id en het superego
op te lossen.
, - Het superego = voorbewuste, ik-ideaal.
Fasen naar het volwassen worden:
1. Orale fase (mond)
2. Anale fase (anus + vorming Ego)
3. Fallische fase (geslachtsdeel)
4. Oedipale fase (identiteitsontwikkeling)
5. Latentiefase (emotionele rust)
6. Genitale fase (volwassenheid)
Hechtingstheorie van Bowlby.
Hechtingsproces:
- Belang van moeder-kindrelatie
- Achtmaandenangst: eerst 8 maanden angst voor vreemden.
- Volwassenen hebben aangeboren zorginstinct.
- Matching van signalen tussen verzorger en kind = attunement
Onveilige hechting wordt onbewust meegedragen: gevolgen emotionele gedrag
en relaties met anderen.
Objectrelatietheorie.
Separatie-indivuatie = kind gaat relaties aan met andere personen dan de
moeder, het kind krijgt een eigen identiteit.
Transitionele objecten = objecten (knuffels) die helpen om de moeder los te
laten. Een knuffel kan de moeder tijdelijk vervangen.
Emotionele objectconstantie = kinderen kunnen vanaf 3 jaar beelden van
personen vast blijven houden.
Het Behaviorisme – Watson (mechanistisch).
Gedrag is een reactie op een stimulus.
- Periferalisme = gedrag wordt bepaald door omgevingsinvloeden.
- Cirkelredenering.
- Kijkt alleen naar gedrag (psychisch) en niet naar de beleving. Erfelijke
en biologische factoren tellen niet mee.
Leerprocessen.
- Cognitief / symbolisch leren: model-leren:
Bewust leren: hulpverleners.
- Associatieleren: klassieke en operante conditionering:
Onstaan van angst doordat je iets koppelt. Plotseling geluid = angst
(ongeconditioneerde stimulus = sowieso angst). Plotseling geluid +
muis = angst (ongeconditioneerde + nieuwe stimulus) >> muis =
angst (geconditioneerde stimulus)
- Gewenningsleren:
Habituatie: nieuwe prikkel > gewenning > prikkel niet meer
aanwezig.
Sensitisatie: het tegenovergestelde, prikkel blijft angstig (trauma’s).
Volgens het tweefactorenmodel ontstaat een fobie door klassieke
conditionering (angst) en blijft het ins stand door operante conditionering.
De Humanistische psychologie (personalistisch).
, Doel = bevrijding van eventuele belemmeringen die veroorzaakt worden door
maatschappelijk of psychische problemen.
Behoeftetheorie van Maslow
Rogers theorievorming: theorie over hulpverlening en opvoedingspraktijk.
1. Non-directieve periode: adviseren en interviewen. Client bepaalt zelf de
doelstellingen en het hier en nu staat centraal.
2. Client-centered therapy: hulpverlener volgt het spoort van de client en
geeft geen mening.
3. Person-centered: 3 basishoudingen: echtheid, acceptatie en empathie.
Psychisch probleem kan zijn dat de interactie is vastgelopen: lichamelijke
gewaarwordingen hebben een gevoelsbetekenis (vlinders in je buik, brok in je
keel. Rogeriaanse psychotherapie: doel om innerlijke processen weer op gang
te brengen.
- Spiegelen = luisteren, samen te vatten, in andere bewoordingen
teruggegeven, oog hebben voor de gevoelsmatige ondertoon in woord
en gedrag van de cliënt.
Technieken werken alleen als er voldaan wordt aan de 3 basishoudingen.
1. Echtheid
2. Acceptatie: accepteren van gevoelens, niet altijd gedrag.
3. Empathie: cliënt begrijpen, eigen waarden opzij schuiven.
Experimentele therapie – Gendlin (leering van Rogers): het geheel van
ervaringen dat je hebt komt niet alleen uit de waarnemingen van de wereld om je
heen, maar ook uit de waarnemingen van je binnenwereld (herinneringen,
lichaam). Focussing van de te techniek = leren openstaan voor lichamelijke
gevoelens.