Biologie - Thema 4 - Voorplanting
Basisstof 1 – Je verandert…
Geslachtskenmerken zijn kenmerken waaraan we het geslacht herkennen.
Primaire geslachtskenmerken zijn bij de geboorte aanwezig.
Jongens: balzak, teelballen en penis.
Meisjes: schaamlippen, eierstokken en vagina.
Secundaire geslachtskenmerken ontstaan vanaf de puberteit.
Mannen: baardgroei, stemverlaging door verandering in strottenhoofd,
lichaamsbeharing, schaamhaar.
Vrouwen: borsten, brede heupen (zodat de baby door de vagina naar
buiten kan), schaamhaar, meer vetafzetting.
Hormonen spelen een belangrijke rol
bij deze veranderingen. Hormonen
worden geproduceerd door
hormoonklieren. Hormoonklieren geven
hormonen af aan het bloed. Hormonen
zijn stoffen die de werking van
bepaalde organen regelen. Hormonen
werken alleen in de organen die er
gevoelig voor zijn. Een hormoonklier heeft geen afvoerbuis. Andere klieren wel.
In de puberteit gaat de hypofyse bepaalde hormonen produceren die invloed
hebben op de ontwikkeling van secundaire geslachtskenmerken.
- Vrouwen: hypofysehormoon -> eierstokken -> produceren oestrogeen ->
secundaire geslachtskenmerken
- Mannen: hypofysehormoon -> teelbal -> produceren hormoon testosteron
-> secundaire geslachtskenmerken.
Er treden in de puberteit drie typen veranderingen op:
1. Lichamelijke veranderingen
Secundaire geslachtskenmerken, menstruatie, groeispurt
2. Geestelijke veranderingen
Verliefd, seksueel aangetrokken tot iemand
3. Sociale veranderingen
Zelfstandiger, hechtere vriendschappen, meer ruzie met gezinsleden
, Basisstof 2 – Voorplantingsstelsel van een man
De penis kan in erectie komen als de zwellichamen zich vullen met bloed.
Sperma bestaat uit drie dingen: zaadcellen, vocht uit de prostaat en vocht uit het
zaadblaasje. Een zaadcel is ong. 0,05 mm. Hij bestaat uit drie onderdelen: kop -
middenstuk - staart. Een zaadcel leeft 48 tot 72 uur. De zaadblaasjes en de
prostaat voegen vocht toe aan de zaadcellen. Het vocht uit de zaadcellen bevat
voedingsstoffen voor de zaadcellen. Het vocht uit de zaadblaasjes en de prostaat
met de zaadcellen samen noemen we sperma.
De weg van de zaadcellen:
1. Teelbal
2. Bijbal
3. Zaadleider
4. Urinebuis
Basisstof 3 – Voorplantingsstelsel van een
vrouw
Eisprong
Vanaf de geboorte zijn alle eicellen van een
vrouw al aanwezig in de eierstokken. Vanaf de
puberteit rijpen er iedere maand 5 tot 12 eicellen:
de follikels waar ze in liggen vullen zich met
vocht. Eisprong/ovulatie: een follikel barst open
en komt vrij uit de eierstok.
Bevruchting
De eicel komt terecht in de
eileider en kan bevrucht worden.
Bevruchting: de kern van een
zaadcel versmelt met de rijpende follikel
kern van een eicel. Na de bevruchting deelt de eicel zich een
aantal keer. Innesteling: het klompje cellen zet zich vast in het slijmvlies van de
baarmoeder.
Eicel
Een eicel is ongeveer 1 mm groot. Een eicel is groter dan een zaadcel, omdat een
eicel voedingsstoffen bevat voor de eerste delingen. Een eicel kan zichzelf niet
voortbewegen. Dat doet hij door
bewegingen van trilharen in de
eileider en baarmoeder.
Maagdenvlies
Een klein randje weefsel aan het
begin van de vagina.
Basisstof 1 – Je verandert…
Geslachtskenmerken zijn kenmerken waaraan we het geslacht herkennen.
Primaire geslachtskenmerken zijn bij de geboorte aanwezig.
Jongens: balzak, teelballen en penis.
Meisjes: schaamlippen, eierstokken en vagina.
Secundaire geslachtskenmerken ontstaan vanaf de puberteit.
Mannen: baardgroei, stemverlaging door verandering in strottenhoofd,
lichaamsbeharing, schaamhaar.
Vrouwen: borsten, brede heupen (zodat de baby door de vagina naar
buiten kan), schaamhaar, meer vetafzetting.
Hormonen spelen een belangrijke rol
bij deze veranderingen. Hormonen
worden geproduceerd door
hormoonklieren. Hormoonklieren geven
hormonen af aan het bloed. Hormonen
zijn stoffen die de werking van
bepaalde organen regelen. Hormonen
werken alleen in de organen die er
gevoelig voor zijn. Een hormoonklier heeft geen afvoerbuis. Andere klieren wel.
In de puberteit gaat de hypofyse bepaalde hormonen produceren die invloed
hebben op de ontwikkeling van secundaire geslachtskenmerken.
- Vrouwen: hypofysehormoon -> eierstokken -> produceren oestrogeen ->
secundaire geslachtskenmerken
- Mannen: hypofysehormoon -> teelbal -> produceren hormoon testosteron
-> secundaire geslachtskenmerken.
Er treden in de puberteit drie typen veranderingen op:
1. Lichamelijke veranderingen
Secundaire geslachtskenmerken, menstruatie, groeispurt
2. Geestelijke veranderingen
Verliefd, seksueel aangetrokken tot iemand
3. Sociale veranderingen
Zelfstandiger, hechtere vriendschappen, meer ruzie met gezinsleden
, Basisstof 2 – Voorplantingsstelsel van een man
De penis kan in erectie komen als de zwellichamen zich vullen met bloed.
Sperma bestaat uit drie dingen: zaadcellen, vocht uit de prostaat en vocht uit het
zaadblaasje. Een zaadcel is ong. 0,05 mm. Hij bestaat uit drie onderdelen: kop -
middenstuk - staart. Een zaadcel leeft 48 tot 72 uur. De zaadblaasjes en de
prostaat voegen vocht toe aan de zaadcellen. Het vocht uit de zaadcellen bevat
voedingsstoffen voor de zaadcellen. Het vocht uit de zaadblaasjes en de prostaat
met de zaadcellen samen noemen we sperma.
De weg van de zaadcellen:
1. Teelbal
2. Bijbal
3. Zaadleider
4. Urinebuis
Basisstof 3 – Voorplantingsstelsel van een
vrouw
Eisprong
Vanaf de geboorte zijn alle eicellen van een
vrouw al aanwezig in de eierstokken. Vanaf de
puberteit rijpen er iedere maand 5 tot 12 eicellen:
de follikels waar ze in liggen vullen zich met
vocht. Eisprong/ovulatie: een follikel barst open
en komt vrij uit de eierstok.
Bevruchting
De eicel komt terecht in de
eileider en kan bevrucht worden.
Bevruchting: de kern van een
zaadcel versmelt met de rijpende follikel
kern van een eicel. Na de bevruchting deelt de eicel zich een
aantal keer. Innesteling: het klompje cellen zet zich vast in het slijmvlies van de
baarmoeder.
Eicel
Een eicel is ongeveer 1 mm groot. Een eicel is groter dan een zaadcel, omdat een
eicel voedingsstoffen bevat voor de eerste delingen. Een eicel kan zichzelf niet
voortbewegen. Dat doet hij door
bewegingen van trilharen in de
eileider en baarmoeder.
Maagdenvlies
Een klein randje weefsel aan het
begin van de vagina.