Samenvatting fysiologie blok 1
Fysiologie = Wetenschap die zich bezighoudt met de eigenschappen van de levende materie.
Inspanningsfysiologie = Tak van de fysiologie die zich bezighoudt met het meten van de.
invloed van lichamelijke inspanningen.
Levende materie --> 3 kwaliteiten
Voortbestaan (autonome functies)
o Inhoud geven aan het leven (animale functies)
Vermogen om voort te planten
Adsorptie = opnemen
Metabolisme = stofwisseling
Excretie = uitscheiding
o Prikkelbaarheid
Prikkelverwerking
Motoriek
3 typen spierweefsel:
- Glad spierweefsel
- Onbewuste spier
- Wanden bloedvaten (bloedstroom wordt gereguleerd)
- Interne organen (samentrekken en ontspannen)
- Hartspieren
- Onbewuste spier
- Alleen het hart (vormt grootste deel van de hartconstructie)
- Skeletspieren
- Bewuste spier
- Bewegingsapparaat (zitten vast aan skelet en bewegen dit)
Spiervezel: - Lang (enkele mm’s/cm’s)
- Diameter (10-120 um)
- Meerdere celkernen
Spier spierbundel spiervezel (lang & dun) organellen
I I
fasciculus spiercel
Endomysium = bindweefsel om spiervezel
Perimysium = bindweefsel om spierbundel
Epimysium = bindweefsel om hele spier
Bindweefsel houdt spieren bij elkaar & beschermd
Spiervezelmembraan = sarcolemma (buitenkant cel)
Gespecialiseerd cytoplasma = sarcoplasma (binnenkant cel)
Satellietcellen: Zijn betrokken bij de groei en ontwikkeling van skeletspieren
Ook bij het aanpassingsproces bij beschadiging, immobilisatie & training
Fysiologie Blok 1
, In het sarcoplasma zitten:
Myofibrillen (samentrekken)
Mitochondriën (energievoorziening)
Sarcoplasmatisch reticulum (o.a. opslag calcium)
Celkern (DNA)
Ribosomen (eiwitsynthese)
Losse moleculen (myoglobine & glycogeen)
Myofibrillen: zorgen voor contractie
(zijn organellen)
Er zijn 100-en tot 1000-en myofibrillen
in een spiervezel. Dit betekent dat 80%
van het sarcoplasma uit deze
myofibrillen bestaat. Ze zitten aan de
binnenkant van een spiercel.
Mitochondriën: zorgen voor de energie
Ribosomen: zorgen voor eiwitten
Sarcoplasmatisch reticulum:
longitudinaal netwerk van buisjes, lopen
evenwijdig aan myofibrillen, slaat het
calcium op in de TC
Neuron: zenuwcel
Myoglobine: vervoert zuurstof in de cel
2 soorten myofibrillen:
Myosine (hoofdeiwit van dikke filament)
Actine (zit in het dunne filament)
Tijdens krachttraining verkort de spier en neemt dus de hoeveelheid actine & myosine en komen er
dus myofibrillen bij.
Dit zijn eiwit structuren. De myosine haakt in de actine waardoor de spier verkort.
Z-lijnen: eiwitten die zorgen dat
actine op z’n plek blijft.
Van Z naar Z is een sarcomeer
Sarcomeer -> kleinste stukje
functionele eenheid in spier.
M-lijnen: eiwitten die zorgen dat myosine
op z’n plek blijft.
I-band: stuk in de spiercel waar alleen
actine zit.
A-band: Zo breed al myosine in een spiervezelstukje,
maar er zit ook actine bij.
H-band: stukje spiervezel met alleen myosine
Myosine bestaat uit - Myosine moleculen
Fysiologie Blok 1
Fysiologie = Wetenschap die zich bezighoudt met de eigenschappen van de levende materie.
Inspanningsfysiologie = Tak van de fysiologie die zich bezighoudt met het meten van de.
invloed van lichamelijke inspanningen.
Levende materie --> 3 kwaliteiten
Voortbestaan (autonome functies)
o Inhoud geven aan het leven (animale functies)
Vermogen om voort te planten
Adsorptie = opnemen
Metabolisme = stofwisseling
Excretie = uitscheiding
o Prikkelbaarheid
Prikkelverwerking
Motoriek
3 typen spierweefsel:
- Glad spierweefsel
- Onbewuste spier
- Wanden bloedvaten (bloedstroom wordt gereguleerd)
- Interne organen (samentrekken en ontspannen)
- Hartspieren
- Onbewuste spier
- Alleen het hart (vormt grootste deel van de hartconstructie)
- Skeletspieren
- Bewuste spier
- Bewegingsapparaat (zitten vast aan skelet en bewegen dit)
Spiervezel: - Lang (enkele mm’s/cm’s)
- Diameter (10-120 um)
- Meerdere celkernen
Spier spierbundel spiervezel (lang & dun) organellen
I I
fasciculus spiercel
Endomysium = bindweefsel om spiervezel
Perimysium = bindweefsel om spierbundel
Epimysium = bindweefsel om hele spier
Bindweefsel houdt spieren bij elkaar & beschermd
Spiervezelmembraan = sarcolemma (buitenkant cel)
Gespecialiseerd cytoplasma = sarcoplasma (binnenkant cel)
Satellietcellen: Zijn betrokken bij de groei en ontwikkeling van skeletspieren
Ook bij het aanpassingsproces bij beschadiging, immobilisatie & training
Fysiologie Blok 1
, In het sarcoplasma zitten:
Myofibrillen (samentrekken)
Mitochondriën (energievoorziening)
Sarcoplasmatisch reticulum (o.a. opslag calcium)
Celkern (DNA)
Ribosomen (eiwitsynthese)
Losse moleculen (myoglobine & glycogeen)
Myofibrillen: zorgen voor contractie
(zijn organellen)
Er zijn 100-en tot 1000-en myofibrillen
in een spiervezel. Dit betekent dat 80%
van het sarcoplasma uit deze
myofibrillen bestaat. Ze zitten aan de
binnenkant van een spiercel.
Mitochondriën: zorgen voor de energie
Ribosomen: zorgen voor eiwitten
Sarcoplasmatisch reticulum:
longitudinaal netwerk van buisjes, lopen
evenwijdig aan myofibrillen, slaat het
calcium op in de TC
Neuron: zenuwcel
Myoglobine: vervoert zuurstof in de cel
2 soorten myofibrillen:
Myosine (hoofdeiwit van dikke filament)
Actine (zit in het dunne filament)
Tijdens krachttraining verkort de spier en neemt dus de hoeveelheid actine & myosine en komen er
dus myofibrillen bij.
Dit zijn eiwit structuren. De myosine haakt in de actine waardoor de spier verkort.
Z-lijnen: eiwitten die zorgen dat
actine op z’n plek blijft.
Van Z naar Z is een sarcomeer
Sarcomeer -> kleinste stukje
functionele eenheid in spier.
M-lijnen: eiwitten die zorgen dat myosine
op z’n plek blijft.
I-band: stuk in de spiercel waar alleen
actine zit.
A-band: Zo breed al myosine in een spiervezelstukje,
maar er zit ook actine bij.
H-band: stukje spiervezel met alleen myosine
Myosine bestaat uit - Myosine moleculen
Fysiologie Blok 1