Valkuil: voltooid deelwoord of persoonsvorm t.t.?
Bij sommige werkwoorden klinkt het voltooid deelwoord hetzelfde als de persoonsvorm
tegenwoordige tijd. Het gaat om werkwoorden die geen ge- krijgen in het voltooid deelwoord.
(beloven, geloven, vertellen, vertrouwen, betalen, bereiden…)
De abonnementsprijzen zijn vorige week gewijzigd. Voor bestaande klanten verandert er niets.
(pv tt: stam + t)
De abonnementsprijzen zijn vorige week gewijzigd. Voor bestaande klanten is er niets veranderd.
(vd: ‘r’ staat niet in 'T eX F o K S CH aa P, dus ‘d’)
Hoe vermijd je deze valkuil bij geloven, beloven, vertellen etc.?
Twee manieren:
Vervang het werkwoord door lopen/maken/smurfen:
1. Hoor je ‘loopt/maakt/smurft’? Dan heb je te maken met een persoonsvorm tegenwoordige
tijd. Je spelt ‘stam+t’. (‘texfokschaap is verboden!)
2. Hoor je gelopen/gemaakt/gesmurft? Dan heb je te maken met een voltooid deelwoord. Dat
kan eindigen op –t of –d: gebruik ‘texfokschaap om te bepalen welke (of maak het
werkwoord langer).
Doe de persoonsvormtest: kijk of het werkwoord in de zin van tijd of getal kan veranderen.
1. Kan het werkwoord veranderen? Dan is het een persoonsvorm en in dit geval persoonsvorm
tegenwoordige tijd (stam+t). ‘texfokschaap is verboden!
2. Kan het werkwoord niet veranderen? Dan heb je in dit geval te maken met een voltooid
deelwoord. Dat kan eindigen op –t of –d: gebruik ‘texfokschaap
-t of -d? (oefening)
1. Mijn broer is erg druk, maar hij bedoeld/bedoelt het goed.
bedoelt
2. Zij heeft plechtig beloofd/belooft dat ze dit aan niemand verteld/vertelt.
beloofd, vertelt
3. Hij voorspeld/voorspelt de voetbaluitslagen altijd goed.
voorspelt
4. Sinds we zijn verhuisd/verhuist, verveeld/verveelt mijn zusje zich vaak.
verhuisd, verveelt
5. Ik heb me vaak afgevraagd waarom je dit slechte gedrag beloond/beloont.
beloont
6. De wijk waarin je opgroeit, bepaald/bepaalt voor een deel welk opleidingsniveau je
behaald/behaalt
Voltooid deelwoord bijvoeglijk gebruikt
Wat is een bijvoeglijk naamwoord?
Een mooi huis. (neutrale vorm)
Het mooie huis. (verbogen vorm)
Een groot huis - het grote huis; een wit huis - het witte huis.
Een gebouwd huis.
Het gebouwde huis.