Weven 1
Garens
De verticale groep garens heet de ketting en de horizontale groep de inslag.
Eén enkel garen uit de ketting heet ook wel eens draad. Eén enkel garen uit de inslag heet
ook wel scheut.
Weefcyclus
- Splitsen van ketting in twee lagen, sprongvorming of gaapvorming
- Aanbrengen van de inslag in de sprong(gaap)
- Aandrukken van de inslag tegen het weefsel, ondertussen springt ketting terug in de
oorspronkelijk stand
- Het opwinden van het weefsel en afwinden van de ketting
Kettingdraden zijn de draden in de lengtezin van het weefsel.
Inslagdraden zijn de draden in de breedtezin van het weefsel.
De binding is de manier waarop de ketting en inslag in elkaar gevlochten zijn.
Kettingdraad op: ketting ligt boven de inslag,
Kettingdraad neer: ketting onder de inslag,
Rapport
Het rapport geeft de eenheid weer die zich herhaalt in de lengte- en breedtezin van
een weefsel. Het rapportgetal is een aanduiding van de grootte van het rapport. Het geeft
het aantal ketting- en inslagdraden weer per rapport.
Bindingen
Grondbindingen zijn de eenvoudigste bindingen en liggen aan de basis van alle andere
bindingen. Ze hebben elk hun eigen samenstelling, maar hebben ook dingen gemeen:
- Bevatten altijd evenveel ketting- en inslagdraden
- De grondbindingen hebben per kettingdraad en inslagdraad slechts één
bindingspunt(plaats waar ketting en inslag met elkaar kruisen)
- Er zijn nooit 2 kettingdraden gelijkwerkend
Er zijn drie grondbindingen.
- Platbinding (linnen- of lijnwaadbinding)
o Kleinste binding die bestaat
o Eenvoudige, maar sterke binding
o Hoge wrijfweerstand en schuifvastheid
o Rapport telt slechts 2 kettingdraden en 2 inslagdraden
o Rapport:
- Keperbinding
o Bij elke opvolgende inslagdraad, scheut, wordt het bindingspunt van één
kettingdraad in dezelfde richting verplaatst
o Heeft schuine lijnen
a
o Keper met diagonaal van 45 graden heeft formule /1
b
, a
o Keper met diagonaal van 63 graden heeft formule /2
b
o Verplaatsing kan naar recht en links gebeuren
o Bij kettingkeper meer rode dan witte vakjes
o Bij inslagkeper meer witte dan rode vakjes
o In bindingsformule moeten nodige gegevens voorkomen
Soort binding
Grootte
Richting
Effect: Ketting of inslageffect
1
o Rapport met formule
2
- Satijnbinding
o Bij elke opeenvolgende inslagdraad, scheut, wordt het bindingspunt over meer
dan één kettingdraad verplaatst in dezelfde richting
o Aantal draden waarover dit gebeurd, heet het telgetal
o Bij 8 kamssatijn zijn de telgetallen 3 en 5
o Bij 5 kamssatijn zijn de telgetallen 2 en 3
o Kunnen in ketting- en inslageffect
o Bij kettingeffect verplaatsing in de hoogte
o Bij inslageffect verplaatsing in de breedte
o Kenmerkend: Inslag mag elkaar niet kruisen
o Kleinste satijn = satijn 5 V2 (satijn 5 met een verplaatsing van 2)
o SAT 5 V2 met inslageffect SAT 5V2 met kettingeffect
o Om de satijnbinding te kunnen tekenen moet er rekening
gehouden worden met bepaalde factoren:
Het satijngetal: het satijngetal mag niet deelbaar zijn door het
verplaatsingsgetal. Onmogelijk om een regelmatige satijn te krijgen
met satijngetal 4 en 6
Het effect: Er zijn twee verschillende zijden, een kettingsatijn en een
inslagsatijn. Bij een inslagsatijn is elke kettingdraad in het rapport op
en bij een kettingsatijn is elke kettingdraad in het rapport neer.
Het verplaatsingsgetal(telgetal): het verplaatsingsgetal en satijngetal
mogen onderling niet deelbaar zijn. Het verplaatsingsgetal moet
kleiner zijn dan de helft van het satijngetal. Het telgetal wordt
weergegeven door het getal na de V.
o Satijn 4 (4kams satijn)
Bestaat uit 4 kettingdraden en 4 inslagdraden
Kan kettingeffect of inslageffect hebben
, o Satijn 6 (6kams satijn)
Bestaat uit 6 kettingdraden en 6 inslagdraden
Kunt ook tekenen met het telgetal: 4,3,2,2,3 of 2,3,4,4,3
Afgeleiden van platbinding
- Kettingrips
o Ribben in de breedte van het weefsel
o Uiterlijke kenmerken
Breedtestrepen
Identieke weefselzijden
Een hoge kettingdichtheid
o Aantal kettingdraden is altijd 2
o
o Gemende kettingrips
- Versterkte kettingrips
o Zorgt ervoor dat de losse draden in het weefsel worden versterkt
o Er komen aan de achterzijde kruisingen met de inslagdraden, hierdoor
verdwijnt wel het ribeffect op de achterzijde
o Er is een manier waarop dit wel behouden kan worden
Garens
De verticale groep garens heet de ketting en de horizontale groep de inslag.
Eén enkel garen uit de ketting heet ook wel eens draad. Eén enkel garen uit de inslag heet
ook wel scheut.
Weefcyclus
- Splitsen van ketting in twee lagen, sprongvorming of gaapvorming
- Aanbrengen van de inslag in de sprong(gaap)
- Aandrukken van de inslag tegen het weefsel, ondertussen springt ketting terug in de
oorspronkelijk stand
- Het opwinden van het weefsel en afwinden van de ketting
Kettingdraden zijn de draden in de lengtezin van het weefsel.
Inslagdraden zijn de draden in de breedtezin van het weefsel.
De binding is de manier waarop de ketting en inslag in elkaar gevlochten zijn.
Kettingdraad op: ketting ligt boven de inslag,
Kettingdraad neer: ketting onder de inslag,
Rapport
Het rapport geeft de eenheid weer die zich herhaalt in de lengte- en breedtezin van
een weefsel. Het rapportgetal is een aanduiding van de grootte van het rapport. Het geeft
het aantal ketting- en inslagdraden weer per rapport.
Bindingen
Grondbindingen zijn de eenvoudigste bindingen en liggen aan de basis van alle andere
bindingen. Ze hebben elk hun eigen samenstelling, maar hebben ook dingen gemeen:
- Bevatten altijd evenveel ketting- en inslagdraden
- De grondbindingen hebben per kettingdraad en inslagdraad slechts één
bindingspunt(plaats waar ketting en inslag met elkaar kruisen)
- Er zijn nooit 2 kettingdraden gelijkwerkend
Er zijn drie grondbindingen.
- Platbinding (linnen- of lijnwaadbinding)
o Kleinste binding die bestaat
o Eenvoudige, maar sterke binding
o Hoge wrijfweerstand en schuifvastheid
o Rapport telt slechts 2 kettingdraden en 2 inslagdraden
o Rapport:
- Keperbinding
o Bij elke opvolgende inslagdraad, scheut, wordt het bindingspunt van één
kettingdraad in dezelfde richting verplaatst
o Heeft schuine lijnen
a
o Keper met diagonaal van 45 graden heeft formule /1
b
, a
o Keper met diagonaal van 63 graden heeft formule /2
b
o Verplaatsing kan naar recht en links gebeuren
o Bij kettingkeper meer rode dan witte vakjes
o Bij inslagkeper meer witte dan rode vakjes
o In bindingsformule moeten nodige gegevens voorkomen
Soort binding
Grootte
Richting
Effect: Ketting of inslageffect
1
o Rapport met formule
2
- Satijnbinding
o Bij elke opeenvolgende inslagdraad, scheut, wordt het bindingspunt over meer
dan één kettingdraad verplaatst in dezelfde richting
o Aantal draden waarover dit gebeurd, heet het telgetal
o Bij 8 kamssatijn zijn de telgetallen 3 en 5
o Bij 5 kamssatijn zijn de telgetallen 2 en 3
o Kunnen in ketting- en inslageffect
o Bij kettingeffect verplaatsing in de hoogte
o Bij inslageffect verplaatsing in de breedte
o Kenmerkend: Inslag mag elkaar niet kruisen
o Kleinste satijn = satijn 5 V2 (satijn 5 met een verplaatsing van 2)
o SAT 5 V2 met inslageffect SAT 5V2 met kettingeffect
o Om de satijnbinding te kunnen tekenen moet er rekening
gehouden worden met bepaalde factoren:
Het satijngetal: het satijngetal mag niet deelbaar zijn door het
verplaatsingsgetal. Onmogelijk om een regelmatige satijn te krijgen
met satijngetal 4 en 6
Het effect: Er zijn twee verschillende zijden, een kettingsatijn en een
inslagsatijn. Bij een inslagsatijn is elke kettingdraad in het rapport op
en bij een kettingsatijn is elke kettingdraad in het rapport neer.
Het verplaatsingsgetal(telgetal): het verplaatsingsgetal en satijngetal
mogen onderling niet deelbaar zijn. Het verplaatsingsgetal moet
kleiner zijn dan de helft van het satijngetal. Het telgetal wordt
weergegeven door het getal na de V.
o Satijn 4 (4kams satijn)
Bestaat uit 4 kettingdraden en 4 inslagdraden
Kan kettingeffect of inslageffect hebben
, o Satijn 6 (6kams satijn)
Bestaat uit 6 kettingdraden en 6 inslagdraden
Kunt ook tekenen met het telgetal: 4,3,2,2,3 of 2,3,4,4,3
Afgeleiden van platbinding
- Kettingrips
o Ribben in de breedte van het weefsel
o Uiterlijke kenmerken
Breedtestrepen
Identieke weefselzijden
Een hoge kettingdichtheid
o Aantal kettingdraden is altijd 2
o
o Gemende kettingrips
- Versterkte kettingrips
o Zorgt ervoor dat de losse draden in het weefsel worden versterkt
o Er komen aan de achterzijde kruisingen met de inslagdraden, hierdoor
verdwijnt wel het ribeffect op de achterzijde
o Er is een manier waarop dit wel behouden kan worden