Hoofdstuk 1
‘mensen volwaardig en menswaardig te laten functioneren in hun primaire
leefsituatie en hun sociale omgeving’
Ambulant = individueel.
Oplossingen zoeken samen met anderen.
SPH’er wordt opgeleid als generalist.
Als SPH’er heb je 2 belangrijke dingen te bieden:
- Je ondersteunt niet alleen de cliënt, maar je betrekt diens omgeving erbij
- Als hulpverlener ben je vaak aanwezig of betrokken bij de primaire
leefsituatie, het dagelijkse leven van de cliënt
Gedrag in context plaatsen.
De plancyclus
Oplossen is handelen.
In de hulpverlening is handelen het belangrijkste dat je doet, maar ook het
laatste: er gaat een denk- en onderzoeksproces aan vooraf.
De fasen van de plancyclus
1. Oriënteren (wat is het probleem?)
2. Onderzoeken (wat is de oorzaak van het probleem?)
3. Plannen (hoe gaan we het oplossen?)
4. Uitvoeren
5. Evalueren (wat hebben we bereikt en hoe hebben we het bereikt?)
Het denkmodel kan je helpen om complexe problematiek van cliënt beter in kaart
te brengen en om plannen te maken die werken.
Alledaagse diagnostiek
Diagnosticeren: vaststellen welk ziektebeeld of welke stoornis van toepassing is.
Classificatie: cliënten bijvoorbeeld indelen in een groep.
DSMIV: classificatiesysteem van psychische stoornissen.
Rispens; diagnostiek de functie heeft het gedrag meer in detail te beschrijven en
onderzoeken.
Rigter; diagnose is aanzet tot verklaren en begrijpen van datgene wat is
waargenomen.
Kars; diagnose is een ‘inzichtgevende verklaring voor probleemgedrag’.
De plancyclus als denkmodel
Plancyclus is een denkmodel dat is gebaseerd op manier waarop de menselijke
geest werkt.
Een model van de werkelijkheid.
Het beschrijft wat mensen van nature doen als ze een probleem tegenkomen.
Het denkmodel geeft handvatten om te analyseren hoe het hulpverleningsproces
in praktijk verloopt.
Schrijft voor welke stappen je moet nemen.
Bij het werken met de plancyclus maak je gebruik van theoretische inzichten en
actueel wetenschappelijk onderzoek.
,Zie figuur op blz 23
Hoofdstuk 2
De manier waarop we nu hulpverlenen is momentopname.
Verschillende culturele opvattingen.
Cultuurverschil: ontwikkeling of rijping?
Ouders zijn ‘de sleutel tot succes’ voor de schoolcarrière van kinderen.
De invloed van cultuurverschillen tussen de ouders en hulpverleners op het
verloop van hulpverlening is beperkt.
Een maatschappelijk debat over zorg
Samenlevingen zijn niet statisch.
Economische en politieke omstandigheden bieden de kaders waarin zorg wordt
geboden.
Tendens ontstaan in ouderenzorg in NL om mensen zo lang mogelijk thuis te laten
wonen met mantelzorg en professionele ondersteuning. Niet alleen omdat het
fijner is voor die mensen, het is goedkoper.
Eerst mensen als ‘gek’ bestempeld, nu als ‘ziek’.
Er werd uitgegaan van belang burgerij. Dus instellingen werden ver uit de
samenleving geplaatst.
Handicap eerst gezien als straf van God, nu door ontdekking medicijnen
gedragsregulering door medicatie.
Vaak gedacht dat armoede oorzaak was.
3 R’s:
- Reinheid
- Rust
- Regelmaat
Verzorgingsstaat begon te ontstaan: staat nam verantwoordelijkheid voor het
economische welzijn van mensen tot op zekere hoogte over.
Leo Kanner; autisten worden vooral gevonden in gezinnen waar weinig warmte
en liefde was.
Instellingen moesten een antwoord hebben op waarom zorg werd overgedragen:
zo ontstond aanbodgerichte zorg.
Er kwam scheiding tussen ‘zwakzinnigen’ (verstandelijk beperkten) en
‘krankzinnigen’ (psychiatrische patiënten).
Democratisering en emancipatie waren sleutelwoorden die richting gaven aan
verandering.
Erving Goffman; een van de eersten die kritiek uitte op manier waarop mensen
binnen grote ziekenhuizen leefden. Totale institutie. Gestichten. Hij wilde een
ideaaltype laten zien; hij wilde onderzoeken wat de gemeenschappelijke
kenmerken van een totale institutie zijn.
Een instituut beïnvloedt sociale relaties.
Mortificatie: je gaat eigenlijk een beetje dood. Je identiteit sterft af.
, Hospitalisatie: mensen in een inrichting gaan zich gedragen naar wat er van ze
wordt verwacht.
Verschillende strategieën om in een institutie te overleven:
- Openlijke rebellie
- Conversie (gedragen als de ideale bewoner)
- Kolonisering (bouwen een leven op daar)
Reanimatie: oude identiteit komt weer dichterbij.
Muller had niet alleen visie op manier waarop met verstandelijk gehandicapte
moest worden omgegaan, het ging hem om maatschappij als geheel.
Zwakzinnige zou niet in de harde maatschappij gaan wonen, maar gewone
mensen zouden bij zwakzinnigen gaan wonen: dat was verdunning.
Deskundigheid was niet belangrijk, het ging om de juiste instelling.
Toverwoord werd ‘normalisatie’.
De idealen in de zorg gaan niet langer over zorgzaamheid, maar hebben
betrekking op normalisatie en integratie. Gaat nu over burgerschap.
Hoofdstuk 3
Van medisch model naar biopsychosociaal model
Nature: aangeboren. Biologisch.
Nurture: sociale omstandigheden.
Het beeld werd genuanceerder: biologische en sociale factoren spelen op elkaar
in en kunnen elkaar versterken of afzwakken.
Auteurs die uitgaan van het idee dat je een mens als geheel moet bekijken, 3
hoofdaspecten:
- Lichaam
- Geest
- Wereld rondom ons
Uitgaan van de samenhang ertussen.
Rigter; kinderen en jongeren unieke individuen zijn en unieke ervaringen hebben.
Bij holistisch mensbeeld is belangrijkste uitgangspunt de cliënt centraal stellen.
Kars gaat uit van 3 invalshoeken:
- Biologisch-medisch
- Individueel-psychologisch
- Ecologisch/sociaalpsychologische
Biopsychosociaal model.
De verschillende aspecten hangen samen en versterken elkaar. Bij het werken
met plancyclus is dat belangrijk uitgangspunt.
Is het aanbod vraaggericht?