BELANGRIJKE TERMEN KLINISCHE PSYCHOLOGIE I
Van der Molen, H.T., Van den Hout, M.A., & Perreijn, 2007.
HOOFDSTUK 1 – OVER KLINISCHE PSYCHOLOGIE EN ‘ABNORMAAL’
GEDRAG
Toepassingsgerichte disciplines: klinische- en gezondheidspsychologie, arbeids-
en organisatiepsychologie en onderwijspsychologie (Duiker).
Basisdisciplines: functieleer, ontwikkelingspsychologie, sociale psychologie,
persoonlijkheidspsychologie, methodenleer (Duiker).
Klinische psychologie: houdt zich bezig met gedrag dat afwijkt van een bepaalde
norm in negatieve zin. Afwijkingen van de norm kunnen betrekking hebben
op verschillende aspecten van het menselijk functioneren (zowel individueel als
in relatie tot anderen).
Mentale stoornis: een gedrags- of psychologisch syndroom dat samengaat met
actueel lijden of onvermogen op een of meer belangrijke gebieden van het
functioneren of met een significant toegenomen risico om dood te gaan, pijn te
lijden of de persoonlijke vrijheid te verliezen.
Fout-positieve diagnose: gedragingen en belevingen van een cliënt worden ten
onrechte opgevat als een symptoom van psychopathologie.
Fout-negatieve diagnose: de hulpverlener interpreteert symptomen van
psychopathologie als een niet-pathologische cultuurgebonden reactie.
Psychogeen: een psychologisch mechanisme ligt aan de stoornis ten grondslag
Somatogeen: een lichamelijke aandoening ligt aan de psychische stoornis ten
grondslag.
HOOFDSTUK 9 - CLASSIFICATIE
Classificeren: het ordenen van menselijke gedragingen, ervaringen, belevingen of
eigenschappen
Symptomen: losse verschijnselen zoals slaapproblemen
Syndroom: een groep symptomen die vaak samen voorkomen en samen een
stoornis vormen
Nomologische eenheid: leer der ziekten
Classificatie:
- Het stellen van een diagnose
- Het beschrijven van klassen. Welke klassen zijn te onderscheiden en hoe
zien die eruit?
Diagnostiek:
- Het eindproduct van de classificatie
- Het gebruik van methoden en technieken om te komen tot een uitspraak
over iemand
Klinisch-psychologische diagnostiek: het proces dat zich afspeelt tussen
hulpverlener en cliënt met als doel het stellen van een diagnose of het doen
van een evalueren uitspraak over een persoon.
Categoriële classificatie: een indeling in afzonderlijke klassen die duidelijk van
elkaar zijn afgegrensd. Een persoon lijdt wel of niet aan een bepaalde ziekte (2
waarden: wel/niet).
,Differentiële diagnose/differentiaaldiagnose: bij de beoordeling of iemand in een
bepaalde klasse kan worden ingedeeld wordt nagegaan of je dan niet meer in
een andere klasse kunt komen (er kunnen veel geordende waarden worden
toegekend).
Prototype: het meest kenmerkende voorbeeld van een categorie. Het impliceert
dat een patiënt niet alle kenmerken van een stoornis hoeft te vertonen om
toch een bepaalde diagnose te krijgen.
Eendimensionele classificatie: men ordent op personen op basis van 1 variabele.
Bijv. wanneer gebruik wordt gemaakt van een schaal om depressie te
meten.
Meerdimensionele classificatie: rangordening vindt plaats op meer dan 1
continuüm. Het syndroom depressie wordt bijv. ontleed in een aantal
samenstellende componenten.
Monothetische calssificiatie: leden van de klassen hebben een of meer (maar ten
minste 1_ specifieke kenmerken met elkaar gemeen
Polythetische classificatie: leden van klassen hebben een groot aantal kenmerken
gemeenschappelijk maar ze hoeven niet noodzakelijk een specifiek
kenmerk te delen. Dit is het geval bij de DSM.
Descriptieve of beschrijvende classificatie: een beschrijving van de symptomen
die aan de buitenkant waarneembaar zijn of die de patiënt rapporteert.
Pathogene (ziekmakende) mechanismen: psychische stoornissen worden in dit
geval ingedeeld op grond van de processen die de symptomen zouden
veroorzaken. De DSM streeft ernaar om uitsluitend van symptomen uit te
gaan.
Nevenschikkend systeem: een indeling van klassen van gelijke rang. Iedere
diagnose heeft haar eigen bestaansrecht.
Hiërarchisch systeem: de klassen verschillen in rang
Vroeger was de stoornis met de hoogste rang het belangrijkst (een
eventuele tweede diagnose was niet mogelijk)
Antipsychiatrie: deze stroming vindt dat psychische problemen niet moeten
worden opgevat als een stoornis in de persoon, maar als resultaat van
maatschappelijke ongelijkheid waardoor sommige zwakkere individuen in het
gedrang komen.
Convergente gegevens: de resultaten van metingen met verschillende methoden
en instrumenten die hetzelfde begrip beogen te meten.
Divergente gegevens: hierbij gaat het om metingen van andere begrippen. Een
systeem met een hoge validiteit vertoont een sterke samenhang met
convergente gegevens en weinig samenhang met divergente gegevens.
Convergente validiteit: de mate waarin de verschillende operationalisaties van
hetzelfde begrip met elkaar samenhangen.
Divergente validiteit: de mate van samenhang met operationalisaties van andere
begrippen.
Categorieel polythetish systeem: de indeling veronderstelt afzonderlijke klassen
waarbinnen verschillende combinaties van symptomen tot dezelfde diagnose
kunnen leiden.
Primaire diagnose: de hoofddiagnose
Secundaire diagnose: andere problemen die aan het licht komen
Klinische syndromen: combinaties van symptomen die samen een psychische
stoornis vormen. Het gaat hier nadrukkelijk om de manifeste problematiek zoals
de patiënt die presenteert en zoals de clinicus die waarneemt.
Persoonlijkheidsstoornissen: starre gedragspatronen en belevingen waarmee
iemand zich duidelijk onderscheidt van andere leden van dezelfde cultuur.
, HOOFDSTUK 11 – DE PANIEKSTOORNIS, FOBIEËN EN
GEGENERALISEERDE ANGST (STOORNIS)
Aspect van angst: Het genoemde subjectieve gevoel: je ervaart de drang om te
vluchten en soms zijn er ook gevoelens van paniek.
Aspect van angst: Inhoud van de gedachten: je bezig houden met het dreigende
gevaar en je concentreren op je mogelijkheden het gevaar te ontwijken of
het hoofd te bieden.
Aspect van angst: Lichamelijke veranderingen: zweten, verhoogde bloeddruk,
snelle ademhaling
Aspect van angst: Motorische activiteit: weglopen, schuil houden, om hulp roepen
Concordantie: als alle bovenstaande componenten tegelijkertijd aanwezig zijn.
Discordantie: als dit niet het geval is
Fight of flight-respons: de lichamelijke veranderingen die optreden tijdens angst.
Deze bereiden het organisme voor op actie.
Trait-anxiety: persoonlijkheidstrek. Wanneer men in het algemeen angstig is,
wordt angst niet beschouwd als respons maar als persoonlijkheidstrek.
Irreële angst: wanneer de intensiteit van de angst niet in verhouding staat met de
ernst van de dreiging.
Paniekaanval: een begrensde periode van hevige subjectieve angst, die
samengaat met symptomen als hartkloppingen, transpireren, pijn,
misselijkheid, gevoel van onwerkelijkheid (derealisatie) en van zichzelf lost
e staan (depersonalisatie), angst om dood te gaan. Paniekaanval is geen
diagnose, paniekstoornis wel.
Paniekstoornis met agorafobie: als een patiënt onverwachte paniekaanvallen
heeft én dergelijke situaties vermijdt.
Paniekstoornis zonder agorafobie: wanneer het vermijdingsgedrag ontbreekt.
Specifieke fobie: een hevige, irrationele angst voor een welomschreven object of
situatie. Voorwaarde is dat je er erg onder lijdt of dat je dagelijks functioneren
erdoor wordt beperkt.
Irrationeel: de angst en vermijding staan niet in verhouding tot de ernst van de
dreiging.
Sociale fobie of sociale-angststoornis: mensen vrezen situaties waarin ze mogelijk
kritisch worden beoordeeld of met onbekenden te maken krijgen. Ze zijn
vooral bang dat anderen hen negatief zullen beoordelen vanwege
angstverschijnselen die ze vertonen (blozen, trillen, transpireren).
Gegeneraliseerde sociale angst: de sociale angst is aanwezig in tal van situaties
en belemmert het functioneren van vriendschappen, opleiding en werk.
Gegeneraliseerde angst-stoornis: overdreven bezorgdheid en angst die ten
minste een half jaar vaker wel dan niet aanwezig is en op uiteenlopende
onderwerpen betrekking hebben.
Lifetime prevalentie: het aantal mensen dat de aandoening op een bepaald
moment in hun leven hebben meegemaakt of nog steeds hebben.
Jaarprevalentie: het aantal mensen dat in een jaar de aandoening heeft gehad of
nog heeft.
Realistische angst: treedt op bij een confrontatie met een daadwerkelijke dreiging
(Freud).
Neurotische angst: is geen reactie op externe dreiging maar ontstaat wanneer de
afweer van onaanvaardbare onbewuste impulsen dreigt te falen (Freud).
Verdringing: impulsen worden uit het bewustzijn gehouden.
Van der Molen, H.T., Van den Hout, M.A., & Perreijn, 2007.
HOOFDSTUK 1 – OVER KLINISCHE PSYCHOLOGIE EN ‘ABNORMAAL’
GEDRAG
Toepassingsgerichte disciplines: klinische- en gezondheidspsychologie, arbeids-
en organisatiepsychologie en onderwijspsychologie (Duiker).
Basisdisciplines: functieleer, ontwikkelingspsychologie, sociale psychologie,
persoonlijkheidspsychologie, methodenleer (Duiker).
Klinische psychologie: houdt zich bezig met gedrag dat afwijkt van een bepaalde
norm in negatieve zin. Afwijkingen van de norm kunnen betrekking hebben
op verschillende aspecten van het menselijk functioneren (zowel individueel als
in relatie tot anderen).
Mentale stoornis: een gedrags- of psychologisch syndroom dat samengaat met
actueel lijden of onvermogen op een of meer belangrijke gebieden van het
functioneren of met een significant toegenomen risico om dood te gaan, pijn te
lijden of de persoonlijke vrijheid te verliezen.
Fout-positieve diagnose: gedragingen en belevingen van een cliënt worden ten
onrechte opgevat als een symptoom van psychopathologie.
Fout-negatieve diagnose: de hulpverlener interpreteert symptomen van
psychopathologie als een niet-pathologische cultuurgebonden reactie.
Psychogeen: een psychologisch mechanisme ligt aan de stoornis ten grondslag
Somatogeen: een lichamelijke aandoening ligt aan de psychische stoornis ten
grondslag.
HOOFDSTUK 9 - CLASSIFICATIE
Classificeren: het ordenen van menselijke gedragingen, ervaringen, belevingen of
eigenschappen
Symptomen: losse verschijnselen zoals slaapproblemen
Syndroom: een groep symptomen die vaak samen voorkomen en samen een
stoornis vormen
Nomologische eenheid: leer der ziekten
Classificatie:
- Het stellen van een diagnose
- Het beschrijven van klassen. Welke klassen zijn te onderscheiden en hoe
zien die eruit?
Diagnostiek:
- Het eindproduct van de classificatie
- Het gebruik van methoden en technieken om te komen tot een uitspraak
over iemand
Klinisch-psychologische diagnostiek: het proces dat zich afspeelt tussen
hulpverlener en cliënt met als doel het stellen van een diagnose of het doen
van een evalueren uitspraak over een persoon.
Categoriële classificatie: een indeling in afzonderlijke klassen die duidelijk van
elkaar zijn afgegrensd. Een persoon lijdt wel of niet aan een bepaalde ziekte (2
waarden: wel/niet).
,Differentiële diagnose/differentiaaldiagnose: bij de beoordeling of iemand in een
bepaalde klasse kan worden ingedeeld wordt nagegaan of je dan niet meer in
een andere klasse kunt komen (er kunnen veel geordende waarden worden
toegekend).
Prototype: het meest kenmerkende voorbeeld van een categorie. Het impliceert
dat een patiënt niet alle kenmerken van een stoornis hoeft te vertonen om
toch een bepaalde diagnose te krijgen.
Eendimensionele classificatie: men ordent op personen op basis van 1 variabele.
Bijv. wanneer gebruik wordt gemaakt van een schaal om depressie te
meten.
Meerdimensionele classificatie: rangordening vindt plaats op meer dan 1
continuüm. Het syndroom depressie wordt bijv. ontleed in een aantal
samenstellende componenten.
Monothetische calssificiatie: leden van de klassen hebben een of meer (maar ten
minste 1_ specifieke kenmerken met elkaar gemeen
Polythetische classificatie: leden van klassen hebben een groot aantal kenmerken
gemeenschappelijk maar ze hoeven niet noodzakelijk een specifiek
kenmerk te delen. Dit is het geval bij de DSM.
Descriptieve of beschrijvende classificatie: een beschrijving van de symptomen
die aan de buitenkant waarneembaar zijn of die de patiënt rapporteert.
Pathogene (ziekmakende) mechanismen: psychische stoornissen worden in dit
geval ingedeeld op grond van de processen die de symptomen zouden
veroorzaken. De DSM streeft ernaar om uitsluitend van symptomen uit te
gaan.
Nevenschikkend systeem: een indeling van klassen van gelijke rang. Iedere
diagnose heeft haar eigen bestaansrecht.
Hiërarchisch systeem: de klassen verschillen in rang
Vroeger was de stoornis met de hoogste rang het belangrijkst (een
eventuele tweede diagnose was niet mogelijk)
Antipsychiatrie: deze stroming vindt dat psychische problemen niet moeten
worden opgevat als een stoornis in de persoon, maar als resultaat van
maatschappelijke ongelijkheid waardoor sommige zwakkere individuen in het
gedrang komen.
Convergente gegevens: de resultaten van metingen met verschillende methoden
en instrumenten die hetzelfde begrip beogen te meten.
Divergente gegevens: hierbij gaat het om metingen van andere begrippen. Een
systeem met een hoge validiteit vertoont een sterke samenhang met
convergente gegevens en weinig samenhang met divergente gegevens.
Convergente validiteit: de mate waarin de verschillende operationalisaties van
hetzelfde begrip met elkaar samenhangen.
Divergente validiteit: de mate van samenhang met operationalisaties van andere
begrippen.
Categorieel polythetish systeem: de indeling veronderstelt afzonderlijke klassen
waarbinnen verschillende combinaties van symptomen tot dezelfde diagnose
kunnen leiden.
Primaire diagnose: de hoofddiagnose
Secundaire diagnose: andere problemen die aan het licht komen
Klinische syndromen: combinaties van symptomen die samen een psychische
stoornis vormen. Het gaat hier nadrukkelijk om de manifeste problematiek zoals
de patiënt die presenteert en zoals de clinicus die waarneemt.
Persoonlijkheidsstoornissen: starre gedragspatronen en belevingen waarmee
iemand zich duidelijk onderscheidt van andere leden van dezelfde cultuur.
, HOOFDSTUK 11 – DE PANIEKSTOORNIS, FOBIEËN EN
GEGENERALISEERDE ANGST (STOORNIS)
Aspect van angst: Het genoemde subjectieve gevoel: je ervaart de drang om te
vluchten en soms zijn er ook gevoelens van paniek.
Aspect van angst: Inhoud van de gedachten: je bezig houden met het dreigende
gevaar en je concentreren op je mogelijkheden het gevaar te ontwijken of
het hoofd te bieden.
Aspect van angst: Lichamelijke veranderingen: zweten, verhoogde bloeddruk,
snelle ademhaling
Aspect van angst: Motorische activiteit: weglopen, schuil houden, om hulp roepen
Concordantie: als alle bovenstaande componenten tegelijkertijd aanwezig zijn.
Discordantie: als dit niet het geval is
Fight of flight-respons: de lichamelijke veranderingen die optreden tijdens angst.
Deze bereiden het organisme voor op actie.
Trait-anxiety: persoonlijkheidstrek. Wanneer men in het algemeen angstig is,
wordt angst niet beschouwd als respons maar als persoonlijkheidstrek.
Irreële angst: wanneer de intensiteit van de angst niet in verhouding staat met de
ernst van de dreiging.
Paniekaanval: een begrensde periode van hevige subjectieve angst, die
samengaat met symptomen als hartkloppingen, transpireren, pijn,
misselijkheid, gevoel van onwerkelijkheid (derealisatie) en van zichzelf lost
e staan (depersonalisatie), angst om dood te gaan. Paniekaanval is geen
diagnose, paniekstoornis wel.
Paniekstoornis met agorafobie: als een patiënt onverwachte paniekaanvallen
heeft én dergelijke situaties vermijdt.
Paniekstoornis zonder agorafobie: wanneer het vermijdingsgedrag ontbreekt.
Specifieke fobie: een hevige, irrationele angst voor een welomschreven object of
situatie. Voorwaarde is dat je er erg onder lijdt of dat je dagelijks functioneren
erdoor wordt beperkt.
Irrationeel: de angst en vermijding staan niet in verhouding tot de ernst van de
dreiging.
Sociale fobie of sociale-angststoornis: mensen vrezen situaties waarin ze mogelijk
kritisch worden beoordeeld of met onbekenden te maken krijgen. Ze zijn
vooral bang dat anderen hen negatief zullen beoordelen vanwege
angstverschijnselen die ze vertonen (blozen, trillen, transpireren).
Gegeneraliseerde sociale angst: de sociale angst is aanwezig in tal van situaties
en belemmert het functioneren van vriendschappen, opleiding en werk.
Gegeneraliseerde angst-stoornis: overdreven bezorgdheid en angst die ten
minste een half jaar vaker wel dan niet aanwezig is en op uiteenlopende
onderwerpen betrekking hebben.
Lifetime prevalentie: het aantal mensen dat de aandoening op een bepaald
moment in hun leven hebben meegemaakt of nog steeds hebben.
Jaarprevalentie: het aantal mensen dat in een jaar de aandoening heeft gehad of
nog heeft.
Realistische angst: treedt op bij een confrontatie met een daadwerkelijke dreiging
(Freud).
Neurotische angst: is geen reactie op externe dreiging maar ontstaat wanneer de
afweer van onaanvaardbare onbewuste impulsen dreigt te falen (Freud).
Verdringing: impulsen worden uit het bewustzijn gehouden.