Poëzie
De burgers
Schrijver: Jan Jacob Slauerhoff -> hij heeft veel gereisd en is niet van het geloof.
Algemeen:
Het gedicht is opgedeeld in drie delen:
Deel 1: strofe 1 t/m 3 -> burgers
Deel 2: strofe 4 t/m 7 -> zondaar
Deel 3: strofe 8 t/m 12 -> zwerver
Eindrijm:
aabb -> gepaard rijm
abab -> gekruist rijm
abab -> gekruist rijm
abba -> omarmend rijm (dit past bij de inhoud -> liefde bedrijven)
abab -> gekruist rijm
abab -> gekruist rijm
abba -> omarmend rijm
abab -> gekruist rijm
abab -> gekruist rijm
abab -> gekruist rijm
abab -> gekruist rijm
abab -> gekruist rijm
Strofe 1:
Burgers werken en gaan naar de kerk. Ze zijn streng gelovig en hebben niet een heel leuk
leven.
Er is sprake van parallelisme (= dezelfde soort zinnen qua opbouw) bij eerste drie zinnen. Dit
past bij het leven van de burgers.
De laatste zin geeft de plichten aan. Ze moeten twee keer per week seks hebben.
3de regel -> de burgers denken dat ze een goed leven hebben omdat ze 's avonds eten.
Strofe 2:
Burgers roddelen over wie niet bij hun aan tafel zitten. De afwezigen zijn de burgers zelf. Die
gaan op zondag naar de kerk en maandag werken.
De schrijver heeft kritiek op de burgers, omdat ze een saai leven leiden en weinig vrijheid
hebben. ze houden zich aan gekke regels.
Na "praten" is er sprake van enjambement (= onnatuurlijke pauze).
Er is ook sprake van alliteratie (= medeklinker rijm) bij "strakke straten".
, Strofe 3:
Broeiend -> langzaam opkomen. Dit woord is goed gebruikt, OMDAT??
Drift -> verlangen. De verlangens groeien langzaam, maar worden de kop ingedrukt door
God.
In de kiem bedorven -> onderdrukt. De verlangens worden onderdrukt, waardoor ze burgers
laf en onzeker worden. Ook dit is goed gekozen.
Vreest den heer -> burgers moeten bang zijn van God. Daarom leven ze zo'n saai leven.
Staat in 't gelaat gekorven -> onzekerheid en angst kun je zien bij de burgers.
Strofe 4:
Het gaat om seksuele verlangen. De zondaar heeft seks gehad met de dienstmaagd. Hij
moet elke dag aan deze zonde denken. Hij is daardoor weer bang.
In de eerste zin wordt duidelijk dat burgers hun eigen verlangens niet meer kunnen
onderdrukken.
't verwijst naar "vreest den Heer".
Strofe 5:
3de regel -> burgers weten wat de zondaar gedaan heeft, maar zeggen niet dat ze het
afkeuren.
4de regel -> achter zijn rug om keuren ze hem af en hij hoort niet overal meer bij.
't verwijst naar tweede regel van strofe 5.
Er is sprake van een antithese (= geen openbaar verwijt, maar achter de rug om) bij "knagen
aan hem". De burgers knagen en worden dus als dieren gezien.
Strofe 6:
Er worden middeleeuwse straffen opgesomd. De zondaar krijgt geen openbare straf.
3de regel -> burgers zijn de laffen, omdat ze niets recht in zijn gezicht zeggen.
De zondaar is het zwarte schaap.
Hij blijft last hebben dat hij één keer de fout in is gegaan.
Strofe 7:
Dubbelen last -> hij heeft één keer toegegeven en wordt buitengesloten.
Je kunt een dubbele punt achter "dubbele last" zetten.
Het is geen dubbelen, omdat anders niet klopt met het ritme. Dit noemen ze elisie.
Strofe 8:
Fier -> trots
Levenloos gebied -> dorp waar de burgers wonen.
Tred -> manier van lopen. De zwever gaat sneller lopen.
Twee straatkanten -> een straat met aan beide zijde huizen.
De burgers
Schrijver: Jan Jacob Slauerhoff -> hij heeft veel gereisd en is niet van het geloof.
Algemeen:
Het gedicht is opgedeeld in drie delen:
Deel 1: strofe 1 t/m 3 -> burgers
Deel 2: strofe 4 t/m 7 -> zondaar
Deel 3: strofe 8 t/m 12 -> zwerver
Eindrijm:
aabb -> gepaard rijm
abab -> gekruist rijm
abab -> gekruist rijm
abba -> omarmend rijm (dit past bij de inhoud -> liefde bedrijven)
abab -> gekruist rijm
abab -> gekruist rijm
abba -> omarmend rijm
abab -> gekruist rijm
abab -> gekruist rijm
abab -> gekruist rijm
abab -> gekruist rijm
abab -> gekruist rijm
Strofe 1:
Burgers werken en gaan naar de kerk. Ze zijn streng gelovig en hebben niet een heel leuk
leven.
Er is sprake van parallelisme (= dezelfde soort zinnen qua opbouw) bij eerste drie zinnen. Dit
past bij het leven van de burgers.
De laatste zin geeft de plichten aan. Ze moeten twee keer per week seks hebben.
3de regel -> de burgers denken dat ze een goed leven hebben omdat ze 's avonds eten.
Strofe 2:
Burgers roddelen over wie niet bij hun aan tafel zitten. De afwezigen zijn de burgers zelf. Die
gaan op zondag naar de kerk en maandag werken.
De schrijver heeft kritiek op de burgers, omdat ze een saai leven leiden en weinig vrijheid
hebben. ze houden zich aan gekke regels.
Na "praten" is er sprake van enjambement (= onnatuurlijke pauze).
Er is ook sprake van alliteratie (= medeklinker rijm) bij "strakke straten".
, Strofe 3:
Broeiend -> langzaam opkomen. Dit woord is goed gebruikt, OMDAT??
Drift -> verlangen. De verlangens groeien langzaam, maar worden de kop ingedrukt door
God.
In de kiem bedorven -> onderdrukt. De verlangens worden onderdrukt, waardoor ze burgers
laf en onzeker worden. Ook dit is goed gekozen.
Vreest den heer -> burgers moeten bang zijn van God. Daarom leven ze zo'n saai leven.
Staat in 't gelaat gekorven -> onzekerheid en angst kun je zien bij de burgers.
Strofe 4:
Het gaat om seksuele verlangen. De zondaar heeft seks gehad met de dienstmaagd. Hij
moet elke dag aan deze zonde denken. Hij is daardoor weer bang.
In de eerste zin wordt duidelijk dat burgers hun eigen verlangens niet meer kunnen
onderdrukken.
't verwijst naar "vreest den Heer".
Strofe 5:
3de regel -> burgers weten wat de zondaar gedaan heeft, maar zeggen niet dat ze het
afkeuren.
4de regel -> achter zijn rug om keuren ze hem af en hij hoort niet overal meer bij.
't verwijst naar tweede regel van strofe 5.
Er is sprake van een antithese (= geen openbaar verwijt, maar achter de rug om) bij "knagen
aan hem". De burgers knagen en worden dus als dieren gezien.
Strofe 6:
Er worden middeleeuwse straffen opgesomd. De zondaar krijgt geen openbare straf.
3de regel -> burgers zijn de laffen, omdat ze niets recht in zijn gezicht zeggen.
De zondaar is het zwarte schaap.
Hij blijft last hebben dat hij één keer de fout in is gegaan.
Strofe 7:
Dubbelen last -> hij heeft één keer toegegeven en wordt buitengesloten.
Je kunt een dubbele punt achter "dubbele last" zetten.
Het is geen dubbelen, omdat anders niet klopt met het ritme. Dit noemen ze elisie.
Strofe 8:
Fier -> trots
Levenloos gebied -> dorp waar de burgers wonen.
Tred -> manier van lopen. De zwever gaat sneller lopen.
Twee straatkanten -> een straat met aan beide zijde huizen.