Sociologie: een probleem gerichte discipline.
Theoretisch: gebeurtenissen worden verklaard en voorspeld d.m.v. Algemene
beginselen. Empirisch: er wordt nagegaan in hoeverre deze beginselen met
de werkelijkheid sporen en gedane waarnemingen leiden tot het aanvaarden of
verwerpen van theoriën.
Sociologie is probleemgericht. sociologische probleemstelling→ theoriën
formuleren → onderzoek doen. Dit wordt ook wel de PTO-analyse genoemd. Na
de O ontstaan vaak weer nieuwe P's enz.
3 hoofdvragen van de sociologie → Klassieke vragen genoemd. Ze zorgen voor
verscheidenheid van problemen die op elkaar lijken.
1. Het ongelijkheidsprobleem (stratificatieproblematiek) : ongelijkheden
tussen de leden van een samenleving.
2. Cohesieprobleem (ordeprobleem): de mate van samenhang die
samenlevingen vertonen.
3. Rationaliseringsprobleem (moderniseringsprobleem/ vraagstuk van de
sociale verandering): bekijken hoever het ene land is technologisch
ontwikkeld t.o.v. een ander land.
Stellen van problemen.
Je hebt verschillende soorten vragen die in een bepaalde volgorde ontstaan.
1. Beschrijvingsvraag →
2. trendvraag – vergelijkingsvraag → … – vergelijken met andere
opties.!!!!!!
3. verklaringsvraag →
4. toetsingvraag →
5. bepalen of het antwoord op de toetsingsvraag empirisch is.
Het is belangrijk problemen in de juiste volgorde te stellen, omdat je anders de
antwoorden niet als feit kan aannemen voor de volgende vraag.
Formuleren van theoriën
theoriën: gedachteconstructies waarmee wordt getracht verschijnselen te
verklaren.
Verklaring : afleiding van bijzondere uitspraken die een bepaald verschijnsel
beschrijven (=explanandum E) uit een aantal andere uitspraken (=explanans).
Explanans bestaat uit 2soorten uitspraken. Deze worden
aanvangsvoorwaarden/bijkomende veronderstellingen genoemd:
– strikt algemene uitspraken/ wetmatigheden W
– bijzondere uitspraken/ specifieke omstandigheden of condities O
Als C1...Cn zich voordoen, bestaat door W1...Wn E sowieso.
Wetten: Algemene uitspraken die in de loop van vele jaren bij voortduring door
ervaringsgegevens zijn bekrachtigd.
Hypothesen: algemene uitspraken. Ze kunnen meer of minder abstract zijn,
oftewel hoger of lagere orde. Wel staan de hogere en lagere hypothesen met
elkaar in verbinding.
Hypothesen die bovenaan staan worden beginselen genoemd, de onderste
hypothesen heten stellingen. → deductief stelsel.
Verrichten van onderzoek
,Sociologische theoriën en verklaringen zijn verzinsels, omdat mensen iets
waarnemen. Deze waarnemingen worden getoetst met de werkelijkheid om te
zien of ze kloppen → sociologisch onderzoek: de vaardigheid om sociale
verschijnselen zo waar te nemen en vast te leggen dat ze iets zeggen over de
houdbaarheid van sociologische theorieën.
Bekrachtiging: Tijdens onderzoek kan blijken dat voorspellingen met de
onderzoeksbevindingen overeenkomen.
Weerlegging of falsifiëring: Tijdens onderzoek kan blijken dat voorspellingen
met de onderzoeksbevindingen in tegenspraak zijn.
Het verschil tussen de structuur van een toetsing en een verklaring is het
vertrekpunt. Bij toetsing is het verklaren van een algemene hypothese i.p.v.
een verschijnsel. De structuur wordt wordt onder nieuwe bijkomende
veronderstellingen toegepast → nu ontstaat een voorspelling.
Er wordt pas voorkeur gegeven aan een nieuwe theorie als deze meer
verschijnselen verklaart of als dezelfde wetmatigheden op een meer elegante,
beknopte of precieze wijze weergeeft.
Sociale en sociologische problemen
Sociale problemen ontstaan wanneer betrekkelijk algemeen gedeelde
doeleinden niet worden bereikt en mensen dat als problematisch ervaren. Ze
zijn normatief en praktisch van aard
Socialistische problemen: Zijn verklarend en beschrijvend van aard.
Bruggen tussen sociale en socialistische problemen:
– Beileidstheorien zijn voldoen vaak als oplossing van sociale problemen.
– Sociale problemen kunnen aanleiding zijn voor socialistische vragen.
– Als een toetsingsvraag is beantwoord en de wetenschappelijke
nieuwsgierigheid bevredigd, dan is kennis verworven die kan worden
toegepast in praktische kwesties.
, Hoofdstuk2
Sociologie betekent letterlijk medemensleer. Comte heeft deze naam aan de
wetenschap gegeven.
Hobbes P: onder welke omstandigheden kunnen mensen vredig samen leven.
Zijn aannamens over de individuele mens:
– mensen leefden eens vrijelijk op aarde en groeide het aantal mensen dat
op grond woont waar ze geen geweld mogen gebruiken.
– Er heerst overal schaarste.
– Grond die mensen verbouwen levert niet genoeg op.
– Bewoners van een bepaald gebied ontlopen elkaar weinig in
lichaamskracht.
– Streken op aarde waar mensen of in de natuurtoestand of als onderdaan
leven, gronden met een tekort of een overvloed aan voedsel en gebieden
waavan de bewoners veel of weinig in lichaamskracht verschillen
Natuurtoestand → de situatie dat er geen staat als organisatie aanwezig is.
Locke verbeterde in 1690 de theorie van Hobbes. Volgens Locke is het voor
degene met het alleenrecht gunstig voor vrienden te handelen en nadelig voor
tegenstanders. Als beide machten zijn gescheiden, is de kans op misbruik
kleiner. Locke wilde bovendien ook weten wanneer staten dan oorlog voeren.
Dit is een preciezere spreekwijze.
Een overeenkomst tussen Hobbes en Bentham is dat ze beide van individuele
naar samenlevingen gaan in hun verklaringen.
Ferugson hield zich bezig met de ongelijkheid tussen rijk en arm. Dit vond
plaats in 4stadia. De tijd van verzamelaars, van veehouding, landbewerking en
handeldrijving.
Miller houdt zich bezig met ondergeschiktheid. Hij heeft 4richtingen
bestudeerd:
1. zeggenschap van een man over zijn vrouw(en): als de bestaansmiddelen
meer opbrengen, neemt de onderwerping van vrouwen af.
2. Vaders en kinderen: Verbeteringen in het bestaan leiden tot minder
zeggenschap over kinderen.
3. Heersers en onderdanen: Verbeteringen in bestaanswijze leidt tot meer
gezag van heersers. (tegen Miller's hypothese in.)
4. Meesters en personeel: De stelling dat met de neergang van de jacht het
personeel meer te zeggen krijgt, klopt meteen al niet want jagers hadden
geen personeel.
Smith bestudeerde het probleem waarom staten verschillen in welvaart. Zijn
stelling was da tbij arbeidsdeling meer goederen worden gemaakt.
Smith voegt een nieuwe hulpbron aan Hobbes' rijtje toe: welbespraaktheid.
Volgens Smith stijgt de welvaart als de leden van een samenleving in
economisch opzicht vrij en gelijkberechtigd zijn.
Hoe is het mogelijk dat in een land waar geen overheidsbemoeienis is, meer
verkocht wordt?
1. onzichtbare hand
Theoretisch: gebeurtenissen worden verklaard en voorspeld d.m.v. Algemene
beginselen. Empirisch: er wordt nagegaan in hoeverre deze beginselen met
de werkelijkheid sporen en gedane waarnemingen leiden tot het aanvaarden of
verwerpen van theoriën.
Sociologie is probleemgericht. sociologische probleemstelling→ theoriën
formuleren → onderzoek doen. Dit wordt ook wel de PTO-analyse genoemd. Na
de O ontstaan vaak weer nieuwe P's enz.
3 hoofdvragen van de sociologie → Klassieke vragen genoemd. Ze zorgen voor
verscheidenheid van problemen die op elkaar lijken.
1. Het ongelijkheidsprobleem (stratificatieproblematiek) : ongelijkheden
tussen de leden van een samenleving.
2. Cohesieprobleem (ordeprobleem): de mate van samenhang die
samenlevingen vertonen.
3. Rationaliseringsprobleem (moderniseringsprobleem/ vraagstuk van de
sociale verandering): bekijken hoever het ene land is technologisch
ontwikkeld t.o.v. een ander land.
Stellen van problemen.
Je hebt verschillende soorten vragen die in een bepaalde volgorde ontstaan.
1. Beschrijvingsvraag →
2. trendvraag – vergelijkingsvraag → … – vergelijken met andere
opties.!!!!!!
3. verklaringsvraag →
4. toetsingvraag →
5. bepalen of het antwoord op de toetsingsvraag empirisch is.
Het is belangrijk problemen in de juiste volgorde te stellen, omdat je anders de
antwoorden niet als feit kan aannemen voor de volgende vraag.
Formuleren van theoriën
theoriën: gedachteconstructies waarmee wordt getracht verschijnselen te
verklaren.
Verklaring : afleiding van bijzondere uitspraken die een bepaald verschijnsel
beschrijven (=explanandum E) uit een aantal andere uitspraken (=explanans).
Explanans bestaat uit 2soorten uitspraken. Deze worden
aanvangsvoorwaarden/bijkomende veronderstellingen genoemd:
– strikt algemene uitspraken/ wetmatigheden W
– bijzondere uitspraken/ specifieke omstandigheden of condities O
Als C1...Cn zich voordoen, bestaat door W1...Wn E sowieso.
Wetten: Algemene uitspraken die in de loop van vele jaren bij voortduring door
ervaringsgegevens zijn bekrachtigd.
Hypothesen: algemene uitspraken. Ze kunnen meer of minder abstract zijn,
oftewel hoger of lagere orde. Wel staan de hogere en lagere hypothesen met
elkaar in verbinding.
Hypothesen die bovenaan staan worden beginselen genoemd, de onderste
hypothesen heten stellingen. → deductief stelsel.
Verrichten van onderzoek
,Sociologische theoriën en verklaringen zijn verzinsels, omdat mensen iets
waarnemen. Deze waarnemingen worden getoetst met de werkelijkheid om te
zien of ze kloppen → sociologisch onderzoek: de vaardigheid om sociale
verschijnselen zo waar te nemen en vast te leggen dat ze iets zeggen over de
houdbaarheid van sociologische theorieën.
Bekrachtiging: Tijdens onderzoek kan blijken dat voorspellingen met de
onderzoeksbevindingen overeenkomen.
Weerlegging of falsifiëring: Tijdens onderzoek kan blijken dat voorspellingen
met de onderzoeksbevindingen in tegenspraak zijn.
Het verschil tussen de structuur van een toetsing en een verklaring is het
vertrekpunt. Bij toetsing is het verklaren van een algemene hypothese i.p.v.
een verschijnsel. De structuur wordt wordt onder nieuwe bijkomende
veronderstellingen toegepast → nu ontstaat een voorspelling.
Er wordt pas voorkeur gegeven aan een nieuwe theorie als deze meer
verschijnselen verklaart of als dezelfde wetmatigheden op een meer elegante,
beknopte of precieze wijze weergeeft.
Sociale en sociologische problemen
Sociale problemen ontstaan wanneer betrekkelijk algemeen gedeelde
doeleinden niet worden bereikt en mensen dat als problematisch ervaren. Ze
zijn normatief en praktisch van aard
Socialistische problemen: Zijn verklarend en beschrijvend van aard.
Bruggen tussen sociale en socialistische problemen:
– Beileidstheorien zijn voldoen vaak als oplossing van sociale problemen.
– Sociale problemen kunnen aanleiding zijn voor socialistische vragen.
– Als een toetsingsvraag is beantwoord en de wetenschappelijke
nieuwsgierigheid bevredigd, dan is kennis verworven die kan worden
toegepast in praktische kwesties.
, Hoofdstuk2
Sociologie betekent letterlijk medemensleer. Comte heeft deze naam aan de
wetenschap gegeven.
Hobbes P: onder welke omstandigheden kunnen mensen vredig samen leven.
Zijn aannamens over de individuele mens:
– mensen leefden eens vrijelijk op aarde en groeide het aantal mensen dat
op grond woont waar ze geen geweld mogen gebruiken.
– Er heerst overal schaarste.
– Grond die mensen verbouwen levert niet genoeg op.
– Bewoners van een bepaald gebied ontlopen elkaar weinig in
lichaamskracht.
– Streken op aarde waar mensen of in de natuurtoestand of als onderdaan
leven, gronden met een tekort of een overvloed aan voedsel en gebieden
waavan de bewoners veel of weinig in lichaamskracht verschillen
Natuurtoestand → de situatie dat er geen staat als organisatie aanwezig is.
Locke verbeterde in 1690 de theorie van Hobbes. Volgens Locke is het voor
degene met het alleenrecht gunstig voor vrienden te handelen en nadelig voor
tegenstanders. Als beide machten zijn gescheiden, is de kans op misbruik
kleiner. Locke wilde bovendien ook weten wanneer staten dan oorlog voeren.
Dit is een preciezere spreekwijze.
Een overeenkomst tussen Hobbes en Bentham is dat ze beide van individuele
naar samenlevingen gaan in hun verklaringen.
Ferugson hield zich bezig met de ongelijkheid tussen rijk en arm. Dit vond
plaats in 4stadia. De tijd van verzamelaars, van veehouding, landbewerking en
handeldrijving.
Miller houdt zich bezig met ondergeschiktheid. Hij heeft 4richtingen
bestudeerd:
1. zeggenschap van een man over zijn vrouw(en): als de bestaansmiddelen
meer opbrengen, neemt de onderwerping van vrouwen af.
2. Vaders en kinderen: Verbeteringen in het bestaan leiden tot minder
zeggenschap over kinderen.
3. Heersers en onderdanen: Verbeteringen in bestaanswijze leidt tot meer
gezag van heersers. (tegen Miller's hypothese in.)
4. Meesters en personeel: De stelling dat met de neergang van de jacht het
personeel meer te zeggen krijgt, klopt meteen al niet want jagers hadden
geen personeel.
Smith bestudeerde het probleem waarom staten verschillen in welvaart. Zijn
stelling was da tbij arbeidsdeling meer goederen worden gemaakt.
Smith voegt een nieuwe hulpbron aan Hobbes' rijtje toe: welbespraaktheid.
Volgens Smith stijgt de welvaart als de leden van een samenleving in
economisch opzicht vrij en gelijkberechtigd zijn.
Hoe is het mogelijk dat in een land waar geen overheidsbemoeienis is, meer
verkocht wordt?
1. onzichtbare hand